Mijn vader, geboren in 1936, was vijftig jaar oud toen hij mij kreeg. In 2017 ging hij dood op een operatietafel in Utrecht. Hoewel heel veel hartkleppen succesvol vervangen worden, was ik niet gerust op de goede afloop. En toen ik hem op de ochtend voor hij onder zeil ging nog even aan de telefoon had, groeide die onrust. Want waar we ieder gesprek, ook als we woedend waren, afsloten met een wederzijds „spreek je later”, lachte hij nu alleen maar even toen ik die woorden zei. Toen mijn moeder me die middag belde om te zeggen (te gillen) dat hij dood was, zakte ik, met Willem om me heen gevouwen, langs de keukenmuur omlaag en dacht alleen maar: dit is dan hoe het is gegaan.
Vanaf het moment dat het tot me doordrong dat mijn vader ouder was dan andere vaders, hield ik hem voortdurend scherp in de gaten. In mijn gedachten was hij al duizenden keren gevallen. Tijdens het avondeten van zijn stoel gegleden, zijn bord meegetrokken, overal jus. In de auto voorover op het stuur geklapt, waarna ik dan zijn voet van het gaspedaal zou moeten halen en de auto de vluchtstrook op moest manoeuvreren.
Toen we tijdens een vakantie in Zweden op nat gras aan het badmintonnen waren en ik de shuttle een vreemde zwieper gaf, waardoor hij zich verstapte en met het geluid van een brekende tak ter aarde stortte, dacht ik dat ik hem vermoord had. Hij bleef zitten, grijs van pijn, twee handen om zijn op drie plaatsen gebroken enkel. We reden achter de ambulance aan, ik kreeg geen adem meer van het huilen. Hij zwaaide door het raampje naar me. Ik denk dat hij wist hoe bang ik was, en dat hij, grote beer, zich misschien voor die angst schaamde. Mijn ogen maakten hem ouder dan hij wilde zijn.
Ik ben in de ban geweest van zijn dood, zo voortdurend, dat ik soms niet goed heb gezien hoe levend hij ook was.
Mijn schoonvader is in 1941 geboren en kreeg Willem toen hij vijfenveertig was. Hij heeft mijn vader een paar keer ontmoet. Er was een glorieuze Kerstmis waar ze, de katholiek en de afvallige protestant, elkaar vonden. Het ging over God en de PvdA en dat het tijd werd om de krokussen te planten. In hun lamswollen truien, met hun glazen rode wijn, murmelden ze in de taal van hun tijd en sloegen soms met een zachte vuist op tafel. Oude mannen met jonge kinderen, samengekomen op een etage in Amsterdam vanwege lot en lust. Generatiegenoten van Elvis Presley, maar in dorpen opgegroeid. Klompen, koude winters, vuile knieën in een korte broek van keperstof, overvliegende Duitsers. Gewend om omringd te worden door jonge mensen. Vrouwen, zonen, dochters.
Mijn vader en ik kwamen er niet helemaal uit samen. Ik begreep pas net een beetje wie hij was toen hij er niet meer was. We hebben ons als vader en dochter daar niet in kunnen ontvouwen. Wat restte was tederheid, maar ook een ongedurig, weerbarstig onbegrip.
Deze week wordt mijn schoonvader 85. Toen mijn vader dood was heeft mijn schoonvader bij hem gezeten en hem een kruisje gegeven. Dat had mijn vader, narrig atheïst, goed gevonden. Ik denk daar heel vaak aan, alsof met die uitgeleide ook iets van mijn vader naar hem is overgeheveld. Alsof ik zo toch iets af kan maken.
Altijd als ik mijn schoonvader bel, lachen we en zeggen we ”ik hou van jou”.
Aan vallen doen we niet. We ademen samen rustig uit.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden