Home

Een tiny house is soms niet meer dan dat: piepklein

Klein wonen Groots leven, klein wonen: dat is de belofte van tiny houses. Maar wanneer is minder werkelijk méér? Het voelt toch anders om uit idealisme tiny te wonen dan in eenpersoonsunits opgehokt te zitten in een grote stad.

Daar staan ze. Acht houten bouwwerken, nauwelijks groter dan zeecontainers, op het dak van winkelcentrum de Kopermolen in Leiden getakeld. Bovenop hebben ze een schuine dakkapel met vierkant raam. Opengeklapte kijkertjes lijken het, allemaal gericht op de boomkruinen in het wijkpark aan de overkant, alsof het vogelobservatiehutten zijn.

Tiny houses zijn het. Afgelopen voorjaar geplaatst door een vastgoedbedrijf, en voor 864,66 euro per maand verhuurd aan alleenstaanden en stellen die uit honderden gegadigden zijn geselecteerd. Het is niet meteen wat je je bij tiny houses voorstelt, dit project. Geen idyllisch eco-dorpje verscholen in de natuur of aan een stedelijke rafelrand, off-grid, zelfvoorzienend, de consumptiemaatschappij obstinaat de rug toegekeerd. Nee, hier staan ze letterlijk boven op de commercie.

Intrigerend. Ook omdat we hier in de Merenwijk zijn, waar ik zelf opgroeide. Eind jaren zeventig was dit een van de eerste ‘bloemkoolwijken’, die een nieuwe vorm van ruimtegebruik beloofden in een tijd van huizenschaarste. In de huidige wooncrisis lijkt het onvermijdelijk dat we met minder vierkante meters genoegen moeten nemen. Maar als je de tiny-house-beweging mag geloven, is dat helemaal niet erg. Beperking is juist een verrijking! ‘Klein wonen, groots leven’, het officieuze motto van de beweging, hoorde ik inmiddels ook in de D66-campagne langskomen.

Kan minder inderdaad méér zijn? Dit Leidse project is geschikt om dat te onderzoeken, omdat het volgens mij precies op een grens staat. Je merkt de mogelijkheden voor een manier van inkrimpen die juist verrijkt. Tegelijkertijd zie je hier ook de gevaren.

Paleizen van levensgeluk

Ik bereik de miniwoningen via brede stenen traptreden, marmerwit. Aan weerszijden zijn terrasvormige plantenperkjes, met alleen nog wat plukjes groen, waar een irrigatiesysteem van zwarte slangen doorheen slingert. De tiny houses staan in twee straatjes, met kieren van een meter ertussen.

Ik ontmoet Robinson von Grumbkow en Olivier Schouwenburg, allebei 30. Zij verruilden een flat van 80 vierkante meter voor hun houten huisje dat meer dan de helft kleiner is: 32 vierkante meter. Ze wilden al heel lang in een tiny house wonen. „We hebben ze uitgeprobeerd tijdens reizen. Die minimalistische manier van leven past bij ons. We volgden bijvoorbeeld het YouTube-kanaal Never Too Small”, zegt Robinson von Grumbkow.

Geen anonieme flat, maar een eigen plek, in het groen. Duurzaam, verantwoord, en als onderdeel van een collectief, dat is wat ze trok. De verhuurder vroeg aan belangstellenden welke expertise ze mee zouden brengen, hoe ze dit samen gingen vormgeven. 350 motivatiebrieven, zij behoorden tot de gelukkigen. „Olivier is boomverzorger, ik ben yogadocent. Blijkbaar passen wij helemaal in het plaatje.”

Een plaatje. Dat is wat tiny houses ook zijn. De krapste hutjes zie je opgehemeld worden alsof het paleizen van levensgeluk zijn. Op Never Too Small, op Instagram, en ook in krantenrubrieken of bij feelgood-tv-programma Binnenstebuiten jubelen jongvolwassenen over het contact met de natuur, het verlost zijn van troep en ballast, de vreugde van het opgevangen hemelwater, de verrukkingen van het composttoilet.

Er hoort een complete lifestyle bij. Als jongvolwassene zou je haast het idee krijgen dat er iets mis met je is als je droomt van een rijtjeshuis, in plaats van als imker in Portugal te gaan werken, zeeschildpadden te beschermen in Costa Rica of seizoenswerk te doen op een biologische wijngaard in Toscane. Remote co-work. De digital nomad die zijn van life leeft: home is where you park it.

Bijvoorbeeld op het dak boven de Hema. „Wij zijn geen anarchisten”, zegt Robinson. „Wij tikken gewoon elke maand achthonderd-zoveel af aan huur.” Sinds heel kort wonen ze er met z’n drieën. Hun dochter hangt in een draagzak op Oliviers buik. Op het tafeltje in de keuken annex woonkamer liggen de geboortekaartjes nog.

Ze moesten een hoop spullen weggooien bij de verhuizing, maar dat voelde uiteindelijk juist prettig. Olivier Schouwenburg: „Bij alles stelden we de vraag of we het écht gingen gebruiken, of het nodig was voor ons leven. We hebben nu minder spullen, maar wel mooiere en betere.”

Minder is meer. Het is lastig te definiëren waar het precies aan ligt, maar intuïtief herken je het meteen als het minimaliseren op de juiste manier gebeurt. Hier merk je een warme, levende huiselijkheid. Knus, energiek. Er staat een prachtige Oosterse kast. De houten wanden voelen aangenaam. Opgeruimd, maar allerminst steriel.

Dubbelrol

De tiny house-architectuur is geïnspireerd op het Japanse esthetische principe van shibui. Zo’n onvertaalbaar woord dat slaat op verfijnde eenvoud waar toch diep inzicht en technische vaardigheid onder schuilt. Het éénharige penseel. Het is verwant aan het renaissance-idee van sprezzatura, schijnbaar achteloze perfectie. De moeiteloosheid van een olympische schaatser op het ijs na jaren training.

In de buurt van Parijs sliep ik deze zomer met mijn gezin op een camping in een vergelijkbaar huisje. De eerste avond voelde het ingenieus. Een snijplank verandert de kookplaat in een werkblad. Traptreden blijken schuifladen. Een bank straalt als een radiator. De douchecabine wordt wc, het fonteintje een spoelbak. Wat geen dubbelrol heeft is op z’n minst inklapbaar, uitschuifbaar of uittrekbaar. Kledingrails die uit kieren tevoorschijn springen. Een dans van functies, in een huis ter grootte van een touringcar.

Maar de tweede avond werd het al krap, en voelden we vooral elkaars aanwezigheid. Dringen bij het douchehok. Beurtelings het laddertje op naar de slaapvliering. Ik miste de keuken thuis waar de deur dicht kan.

„Hier past het nu nog nét”, zegt Robinson. „Maar ik heb geen idee hoe dat gaat als onze dochter opgroeit. En de huisjes staan hier wel erg dicht op elkaar. De vitrages moeten we altijd dichthouden, want er lopen veel mensen langs die nieuwsgierig naar binnen kijken.”

Wanneer is ruimtebesparing ‘shibui’ en wanneer is het domweg inschikken en ophokken? Robinson en Olivier kozen hier bewust voor, anderen waren allang blij dát ze eindelijk een woning konden krijgen.

Zoals Shahroch Ramez (21), filiaalmanager bij de Domino’s in het ondergelegen winkelcentrum. Hij wilde al heel lang op zichzelf wonen, maar de wachtlijst voor de gewone sociale woningbouw was te lang. Hij betaalt best veel geld, zei hij in een reportage bij Omroep West, maar dat heeft hij ervoor over. „Helemaal in deze huizenmarkt, je mag al blij zijn dat je iets krijgt.”

Urban living

In Den Haag, mijn huidige woonplaats, lokken nieuwe torens bij het station bewoners met het ‘urban living concept’, studio’s van dezelfde grootte (lees: kleinte). In stadsdeel Laak zijn er ‘iLofts’ van veertig vierkante meter. In alle grote steden zitten jongvolwassenen onder het mom van urban living opgehokt. En lang niet alleen zij. Zolang het aantal eenpersoonshuishoudens piekt, loont het om zulke torens te bouwen.

Hier is de krimp allerminst shibui. Vierkante meters zijn botweg geamputeerd, en alles is gestroomlijnd langs dezelfde mal, klaar om eindeloos te stapelen. Minder is hier toch echt gewoon minder. Efficiëntie is nog geen aangename eenvoud. De tiny houses op het winkelcentrum dreigen al die kant uit te gaan. Je ziet zo voor je hoe dit een formule wordt, uitrolbaar over de honderden wijkwinkelcentra die ons land telt.

Dat brengt me terug bij mijn filosofische vraag. Wanneer is minder daadwerkelijk méér? Amputeren en snel opschalen is niet minimalistisch zoals de tiny house-beweging dat oorspronkelijk bedoelde, als alternatief voor ‘bigger is better’.

In Amerika begon het eind jaren negentig ‘Not So Big House’, een woonconcept van architect Sarah Susanka, die met slimme architectonische ingrepen ook terugkeerde naar de kern. Waarom wilde men in standaardgezinswoningen in Amerika een ‘formal dining room’ en een ‘formal living room’? Die eet- en woonkamers met kroonluchters, alleen gebruikt bij feestelijkheden, konden geschrapt worden.

Naar Europese maatstaven is het Niet Zo Grote Huis nog altijd een behoorlijk ruime eengezinswoning: 140 tot 230 vierkante meter. Maar het principe is duidelijk: kies eerst wat de kern is en schrap alles wat je amper gebruikt. Dat was Susanka’s interpretatie van ‘shibui’.

Elegant, zou de Nederlandse vertaling kunnen zijn, als in: een ‘elegante oplossing.’ Ranke zuilen die schijnbaar moeiteloos een groot bouwvolume stutten, zoals het Venetiaanse Dogenpaleis. Een complex probleem, met eenvoudige ingrepen overwonnen.

Nachtmerrie

Verkopers van kleine prefab-huizen schermen graag met onderzoek waaruit zou blijken dat één op de vijf Nederlanders hier interesse in heeft, maar het aantal permanent bewoonde minihuisjes blijft verwaarloosbaar. Een overzicht bij Tiny House Nederland toont 89 projecten, plus 36 in een gevorderd stadium. Daar zitten echte parels tussen, maar het aantal blijft, tsja, ontluisterend tiny.

Het grootste obstakel, hoor je overal: de wet- en regelgeving. „De vergunningen zijn een bureaucratische nachtmerrie. Het lijkt wel of de regelgeving speciaal is ontworpen om de kleine man te ontmoedigen”, schrijft Tiny House-blogger Nina van der Velden.

„Parkeer die droom”, stelde een Enschedese architect onlangs in Tubantia.

Ook in het ontwerp van de regelgeving zou je iets meer elegantie willen. Het huurtoeslagensysteem maakt het voor de vastgoedbranche lucratief om grote complexen vol eenpersoonscellen te maken: daarvoor krijgen bewoners immers huurtoeslag. De regels ontmoedigen de bouw van woonvormen waar mensen leren samenleven, zoals studentenhuizen.Het nieuwe kabinet wil regels schrappen om sneller te bouwen. Het coalitieakkoord spreekt over het beperken van de rol van de welstandscommissies, vergunningsvrij optoppen, gemakkelijker splitsen. Maar wie bewaakt dan de ruimtelijke kwaliteit? Daarvoor waarschuwde de Bond van Nederlandse Architectenbureaus (BNA) onlangs. Laten we zorgen dat zowel de regels als de ruimte elegant blijven. Niet blindelings verminderen, maar op een slimme manier herschikken.

Elegantie is een manier om de schaarste te overwinnen door haar opnieuw te arrangeren. Dat is een principe dat breder toepasbaar is. Het zit in de cucina povera – eenvoudige ingrediënten, op de smakelijkste manier bereid – in de Renaissance-architectuur, of in de haiku: een complexe leefwereld overbrengen in drie regels.

Beschut

Als ik langs mijn oude straat in de Merenwijk ga, de Kraaiheide, schiet me er eentje te binnen. ‘Mijn geboortestraat / alles is kleiner geworden / behalve de boom.’ Die regels, van Ria Giskes-Pieters, staan op een muur in Den Haag waar ik vaak langsfiets.

Elegantie heeft wortels in het Latijnse eligere: uitkiezen. Daar begint het. Selecteer eerst de levende essentie. Wonen betekent je beschut voelen, en in verbinding staan met je buren, een groene buitenruimte. Zoiets. Wat dat betreft zit je hier in de Merenwijk best op de goede plek. Een kronkelig stratenplan rond woonerven, die vertakten vanaf een centrale rondweg. De menselijke maat, veel groen: de idealen van de bloemkoolwijk verschilden niet wezenlijk van die van de tiny house-beweging.

Mijn ouders wonen er niet meer, maar ons hoekhuis staat er nog, aan een speelpleintje dat nu inderdaad absurd klein oogt, omringd door hoge bomen. Ouders hielden nooit toezicht maar waren wel altijd in de buurt. Autoluw zonder borden met ‘auto te gast’. In latere vinexwijken voel je de tekentafel onder het stratenplan. Hier leken bosjes, sloten en pleintjes niet ontworpen maar gegroeid.

Je kunt het privédomein verkleinen, maar dan moet je de collectieve ruimte vergroten. Dan wordt minder pas meer. Tiny houses dreigen dat te missen als we ze als vulsel neer plempen op restkavels en daken van winkelcentra.

Het project op het Kopermolendak staat op de rand. Er is buitenruimte, maar niet heel veel. Het idee dat iedereen samenwerkt moet nog wat meer vorm krijgen. Robinson: „We zijn nog bezig met de gezamenlijke tuin, het zou mooi zijn als dat er dit voorjaar echt van komt.”

De huizen kleiner, de bomen groter. Misschien is je thuis voelen inderdaad zo eenvoudig. Voelen Robinson en Olivier zich thuis in hun tiny house? Ze kijken elkaar aan. Dan zegt Olivier: „Ik voel me vooral thuis bij jou.”

 

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Wonen

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next