Slachtofferrechten Slachtoffers van geweld- en zedenzaken vinden zelden gerechtigheid en erkenning via een strafproces. Hoe doe je slachtoffers dan wel recht en hoe zorg je dat ze zich gehoord voelen, vraagt Christel Don zich af.
Pasgeleden las ik een ontluisterend rechtbankverslag in deze krant. Een 50-jarige man had zijn vriendin op een avond zo zwaar mishandeld dat zij nooit meer zelfstandig zal kunnen leven. De forensisch arts telde 57 letsels, het gegil was volgens een buurvrouw door merg en been gegaan. Het vonnis luidde drie jaar cel waarvan één jaar voorwaardelijk, en de dader moest een schadevergoeding van ruim een halve ton betalen, grotendeels smartengeld voor het slachtoffer.
Christel Don is journalist en schrijver, onder meer van Afstandsmoeders en De meisjes van De Goede Herder.
Deze zaak houdt me bezig, omdat die iets blootlegt dat ik in geweld- en zedenzaken vaker bemerk: een uitspraak kan juridisch kloppen, en toch onrechtvaardig voelen. Datzelfde gevoel had ik bij een rechtszaak waarvan nieuwszender AT5 recent verslag deed. Het ging om een zeer ernstige zedenzaak, waarbij het slachtoffer ook langdurig werd gewurgd. De dader kreeg 3,5 jaar cel en tbs voor poging tot verkrachting. Nog tijdens het voorlezen van dit vonnis verliet het slachtoffer geëmotioneerd de rechtszaal. Ze noemde de straf ‘goed’, maar kon niet aanhoren dat de dader geen poging tot moord kon worden opgelegd, omdat, aldus de rechter: ‘we niet kunnen vaststellen dat dat [de verwurging] zo langdurig en zo stevig was dat u zou komen te overlijden’. Volgens de vrouw was ze echter ‘heel lang en heel hard’ gewurgd, en deed de uitspraak daaraan absoluut geen recht.
Ook hier werd recht gesproken – de dader kreeg straf – en toch bleef de vraag of het slachtoffer daarmee werkelijk recht was gedaan.
Het gaat slachtoffers doorgaans niet om een zware straf of een hoge schadevergoeding, maar om de waarheid, erkenning en eerherstel, wat de basisvereisten zijn om te kunnen helen, betoogde de Amerikaanse traumapsychiater Judith Herman toen ik haar vorig jaar interviewde voor NRC. Slachtoffers willen vooral dat hun verhaal wordt geloofd, dat hun schade en leed worden erkend, en dat de verantwoordelijkheid – ook door hun omgeving – wordt gelegd waar die hoort: bij de dader. Oprechte excuses van de dader waaruit berouw blijkt zonder dat er uitvluchten worden gezocht kunnen daarbij helpen.
Dat staat op gespannen voet met wat slachtoffers binnen het strafrecht krijgen. Neem om te beginnen het feit dat slachtoffers van (seksueel) geweld kans lopen door de politie ontmoedigd te worden wanneer ze aangifte willen doen. Maar ook daarna volgt vaak een langdurig juridisch proces, dat veel van slachtoffers vraagt. Maanden wachten zonder duidelijkheid, waarna vervolging alsnog uitblijft, is geen uitzondering. Het is een systeem dat in de eerste plaats draait om de verdachte, de bewijsvoering en het wettelijke kader. Hoe het leven van het slachtoffer overhoop ligt door het delict, is juridisch gezien bijzaak.
Dat benoemt ook Gisèle Pelicot over de rechtszaak tegen haar ex-man en vijftig anderen die haar verkrachtten. In een recent interview met de Volkskrant over haar onlangs verschenen memoires, vertelt ze hoe pijnlijk het was dat advocaten van de verdediging haar, ondanks een overweldigende hoeveelheid bewijsmateriaal, neerzetten als schuldig, medeplichtig en verdacht. Avondenlang kwam ze zo droevig thuis dat ze dacht het proces niet te zullen volhouden. Wat haar uiteindelijk overeind hield kwam vooral van buiten de rechtszaal. „De aanwezigheid van zoveel vrouwen, die me elke dag buiten bij de rechtbank stonden op te wachten, heeft me geholpen te verdragen hoe het er binnen aan toe ging.”
Dat brengt ons bij een pijnlijk inzicht: het strafrecht is nooit ontworpen voor slachtoffers. Het moderne strafrecht ontstond in de achttiende eeuw namelijk als antwoord op willekeurige bestraffing door de staat. Daarom kreeg iedereen die beschuldigd werd rechten: op verdediging, op inzage in het dossier, op een eerlijk proces. Noodzakelijk, maar het systeem werd daarmee een zaak tussen twee actoren: staat en verdachte. Aan slachtoffers werd niet gedacht. Pas vanaf de jaren tachtig, onder invloed van maatschappelijke druk en Europese regelgeving, kregen slachtoffers gaandeweg meer rechten. Zoals spreekrecht tijdens het strafproces, het recht op informatie over de voortgang van een zaak en de mogelijkheid om een schadevergoeding te vorderen. Toch bleef de essentie onveranderd, het strafrechtsysteem is primair bedoeld om schuld vast te stellen en straf op te leggen. Juist daarom botst het in de praktijk regelmatig met wat slachtoffers nodig hebben.
Iemand die zich al zijn hele carrière hard maakt voor slachtoffers en hun rechten is Richard Korver, strafrechtadvocaat en specialist in het bijstaan van slachtoffers in gewelds- en zedenzaken. In de kindermisbruikzaak tegen Robert M. bijvoorbeeld wilden M. en zijn advocaten voorkomen dat ouders tijdens het proces hun verhaal zouden doen. Maar dankzij Korvers volharding kende de rechter hun het spreekrecht uiteindelijk toch toe. Slachtoffers hebben volgens Korver de afgelopen jaren weliswaar meer rechten gekregen, maar zolang zij niet werkelijk dezelfde rechten en plichten krijgen als verdachten, worden ze in de praktijk niet gelijkwaardig behandeld. Rechtszaken zoals die aan het begin van dit artikel zijn geen incidenten, maar voor hem dagelijkse praktijk. „Een van de doelen van recht is heling”, vertelt Korver, die ziet dat slachtoffers daar vaak op hopen, maar zelden vinden binnen het strafrecht. Sterker nog, zoals het strafrechtsysteem nu is ingericht, doet het zijn cliënten vaak ernstig tekort. Zoals laatst toen hij had gevraagd te mogen spreken ná het requisitoir, zodat hij namens het slachtoffer dat hij bijstond nog kon reageren op argumenten van de verdediging. Het OM en de verdediging stemden in, maar het Hof weigerde omdat het vond dat het ongebruikelijk was en het slachtoffer er geen recht op had. Het laat zien hoe zeer de toepassing van slachtofferrechten in de praktijk nog afhangt van welwillende personen, terwijl die rechten vanzelfsprekend zouden moeten zijn.
Het goede nieuws is dat wereldwijd het besef groeit dat het anders kan. Een goede ontwikkeling is dat er de afgelopen jaren steeds meer aandacht is voor herstelrecht, of restorative justice. Het vertrekpunt is dat een misdrijf in essentie geen conflict is tussen staat en dader, maar tussen dader en slachtoffer. De reactie moet dan ook gericht zijn op het herstel van schade en het verwerken van de gevolgen, in plaats van bestraffing. De Australische criminoloog John Braithwaite, die een belangrijke rol speelt in deze beweging zegt daarover: „Omdat onrecht pijn doet, zou gerechtigheid juist helend moeten zijn”.
In Nederland past Perspectief Herstelbemiddeling verschillende elementen van herstelrecht toe. De organisatie begeleidt onder meer contact tussen slachtoffers en daders na ingrijpende gebeurtenissen, zoals geweldsdelicten, verkeersongevallen en seksueel misbruik. Dat kan variëren van een begeleid gesprek tussen slachtoffer en dader tot het uitwisselen van brieven of videoboodschappen, of ‘herstelcirkels‘: gesprekbegeleiding tussen slachtoffers van seksueel geweld en hun naasten. Ook kan je met iemand in gesprek, al dan niet in een groep, die niet betrokken was bij jouw misdrijf of ongeluk, maar wel iets vergelijkbaars heeft meegemaakt. Het doel is niet waarheidsvinding of verzoening, maar dat iemand stappen kan zetten in haar of zijn verwerkingsproces, wat bijdraagt aan emotioneel herstel. Veel slachtoffers die zich melden zitten bijvoorbeeld met vragen – waarom ik, dacht je niet aan de gevolgen voor mij? – en het helpt als ze daarop van een dader antwoord krijgen. Ook Gisèle Pelicot heeft nog vragen voor haar ex, die ze sinds zijn arrestatie niet meer onder vier ogen sprak. Ze is van plan hem op te zoeken in de gevangenis, want: ‘hem spreken is belangrijk voor mijn verwerking’. Het onderstreept dat ook een vonnis zelden het einde is van wat slachtoffers nodig hebben.
Jaarlijks melden zich bij de organisatie Perspectief Herstelbemiddeling zo’n 1.600 slachtoffers én daders, waarvan een derde betrokken is bij een seksueel misdrijf. Op de organisatiewebsite vertellen deelnemers wat het hun heeft gebracht. Zoals Sarah, een slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Na haar aangifte bleef zij met vragen achter en wilde zij in een begeleid gesprek haar dader spreken, zodat ze haar kant van het verhaal kon vertellen. Hij weigerde. Uiteindelijk sprak zij met een andere betrokkene bij de situatie. Dat gesprek werd zorgvuldig voorbereid en leidde tot een gevoel van ontlading, vertelt Sarah. Niet alles werd opgelost, maar ze was niettemin blij omdat ze had gedaan wat binnen haar macht lag.Het laat zien dat herstelbemiddeling slachtoffers iets biedt wat zij binnen het strafrecht vaak missen: het geeft hen de regie terug, een gevoel van erkenning en waardigheid, antwoorden, minder angst en woede. Ook onderzoek bevestigt deze positieve effecten, die bovendien twee kanten op werken. Daders tonen door herstelbemiddeling meer verantwoordelijkheid, ze uitten vaker berouw en bieden oprechte excuses aan. Soms voorkomt het zelfs dat ze opnieuw de fout ingaan.
Dat dit soort trajecten meer helend kunnen zijn dan wat het strafrecht te bieden heeft, ziet ook Korver, die zijn cliënten met enige regelmaat doorverwijst. Veel slachtoffers willen volgens hem ‘ontschuldigd’ worden, door een rechter die duidelijk zegt dat een dader het delict nooit had mogen plegen, maar dat gebeurt zelden. Sterker nog, er is een reëel risico dat slachtoffers door een strafproces opnieuw beschadigd raken, zoals het slachtoffer uit de Amsterdamse verkrachtingszaak of Gisèle Pelicot. Deze ‘secundaire victimisatie’ kan worden voorkomen als alle professionals in de strafrechtketen – van baliemedewerkers bij de politie tot rechters – kennis hebben over trauma. Gelukkig groeit ook binnen justitie zelf de aandacht voor ‘trauma-geïnformeerd werken’. Dit betekent bijvoorbeeld dat een slachtoffer dat emotieloos getuigt niet automatisch ongeloofwaardig is, omdat het meemaken van geweld tot emotionele vervlakking kan leiden. Of praktische maatregelen zoals een aparte wachtkamer, zodat slachtoffers niet met hun aanrander of geweldpleger in de gang hoeven zitten. En rechters die zich bewust zijn van de impact van hun formuleringen en bij een vonnis toelichten waarom iets juridisch ‘niet bewezen’ kan worden verklaard, terwijl het wel degelijk is gebeurd.
Slachtofferhulp Nederland pleit intussen voor de invoering van Parallel Justice: een apart, aanvullend proces naast het strafproces dat zich volledig op slachtoffers richt, ongeacht of de dader gepakt of vervolgd wordt. In zo’n parallel proces wordt aan slachtoffers gevraagd wat zij nodig hebben om te herstellen, vanuit het idee dat herstel begint wanneer zij weer controle en regie krijgen over wat met hun verhaal gebeurt. Herstelbemiddeling kan daar onderdeel van zijn, net als trainingen in traumasensitiviteit voor professionals binnen de strafrechtketen. Dit moet structureel ruimte maken voor erkenning, ongeacht de afloop van een strafzaak.
Het klinkt als een veelbelovende ontwikkeling, en roept tegelijk een fundamentelere vraag op. Als we erkennen dat het strafrecht nooit ontworpen is voor slachtoffers, hoever willen we dan gaan in het aanpassen ervan? Parallel Justice bouwt immers nog altijd voort op dat aloude systeem dat in de basis draait om schuld en straf en dus nooit volledig zal kunnen bieden wat slachtoffers nodig hebben. Durven we radicaler te denken, dan ligt het voor de hand te onderzoeken of het strafproces ook heel anders kan worden ingericht.
Dat begint met helder krijgen wat we onder rechtvaardigheid verstaan, en waaraan we het succes van ons rechtssysteem afmeten: aan het aantal veroordelingen, aan de lengte van straffen? Of ook aan de mate waarin slachtoffers zich gehoord voelen, verder kunnen met hun leven en hun vertrouwen in de rechtsstaat hersteld zien? Slachtoffers, advocaten, rechters, officieren van justitie, psychologen, herstelbemiddelaars en wetenschappers zouden samen kunnen verkennen hoe een rechtsorde eruitziet waarin herstel het vertrekpunt is. Wanneer is rechtvaardigheid ervaren? En welke procedures dragen wel en niet bij aan herstel? Pas als we dat weten, kunnen we beslissen of Parallel Justice een randprogramma blijft, of het begin van een andere ordening van ons recht.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen