Home

Mam, word ik later ook eng?

Opvoeden Actrice en schrijfster Nadja Hüpscher probeert haar puberzonen uit de manosphere te houden. Zeven scènes uit de dagelijkse opvoedpraktijk.

‘Nederlandse jonge mannen zijn massaal fan van Andrew Tate.’ ‘Hoe worden jonge mannen weer gelukkig?’ ‘Het is goed mis met de mannen van nu.’ Artikelen met deze strekking lees ik elke dag wel ergens.

Ik denk graag dat mijn man en ik het goede voorbeeld geven aan onze twee zonen (12 en 13). Hij werkt in de natuur; zijn liefde daarvoor staat voorop. Ik werk in de cultuur waar geld niet de eerste prioriteit is. We doen evenveel in het huishouden. Bovendien praten we over van alles en maakt mijn man nooit een seksistische opmerking. Als ik een verschil in opvoeden moet noemen, dan is het dat hij een half uurtje per dag met onze zonen stoeit en dat ik iets vaker vraag hoe ze zich voelen. Tikje rolbevestigend, maar Tate-proof zijn we absoluut niet.

Toch maak ik me zorgen. Want als iemand zich misdraagt tegen een vrouw is het meestal een man.

Daarbij hebben best wat moeders tussen de regels door of expliciet tegen mij gezegd dat ik mijn zonen goed moet opvoeden als het om meisjes gaat, want veel van hen hebben nu al een vervelende situatie meegemaakt met een jongen. En ja, ook dáár ben ik me van bewust, ik was ooit zelf een jong meisje.

Maar ik word een beetje overspoeld door de alarmerende berichten over jonge mannen. Jongens horen van alle kanten dat ze niet oké zijn, terwijl ze net beginnen zichzelf een beetje te ontdekken. Er zijn er ook veel, en dan bedoel ik vooral de jonge jongens tot een jaar of vijftien, met wie het best goed gaat. Die weliswaar opgroeien met schermen en met kattenkwaad, maar die ouders hebben die zich bewust zijn van de gevaren en niet alles van jongens willen problematiseren.

We keken naar de bejubelde serie Adolescence want dat moest je doen, zeiden psychologen, onder andere in de krant. Met je gezin, of met je hele klas. Aan de hand daarvan kon je dan het gesprek over de invloed van sociale media en de manosphere beginnen. Ook probeerde ik uit te leggen waarom de slogan: „Wij eisen de nacht op” opeens nieuws was en dat je mag praten over gevoel. We doen ons best. Maar in de praktijk gaat het opvoeden steeds weer net iets anders dan je denkt.

Ochtend

Ik: „Goedemorgen schatje!”

Zoon: „Huh?”

Ik: „Wil je je appel opeten en je brood niet vergeten en je moet je computer nog in je tas stoppen met die hoes anders gaat-ie kapot en wel een jas aan doen, het vriest. Tandenpoetsen graag, beugel aandrukken zegt die dental app anders werkt dat ding niet, je hebt toch gym, misschien je gymspullen mee, en aardrijkskundeproefwerk? Ga iets doen, nu.”

Zoon: „Oké mam, ik gaha.”

Ik: „Heb je je brood?”

Zoon: „Oh, nee.”

Ik: „Stop in je tas, doe je jas aan.”

Zoon: „Ik hoef geen jas en ik eet wel bij de Appie.”

Ik: „Er is brood! Gymspullen?”

Zoon: „Oja, heb jij een tas?”

Ik: „Hier, doe dan die schoenen erin!”

Zoon: „Ik ga.”

Ik: „Neem je gymspullen nou mee!”

Zoon: „Oja…”

Ik: „Hier, anders moet je je melden toch?”

Zoon: „Jahaaaa ik neem ze mee, ik ga.”

Ik: „En je computer?”

Zoon: „Oja…”

Ik: „Pak ’m dan even…”

Zoon: „Waar is die? Huh, hij is niet opgeladen, heb je die niet in de oplader gedaan?” 

Ik: „Die moet je zelf in de oplader doen.” 

Zoon: „Waar is m’n beugel?”

Ik: „In je mond? Die moet je ook schoonmaken en je hebt je tanden nog niet gepoetst.”

Zoon: „Zie je, nu kom ik dus te laat.”

Ik: „Ja schat.”

Middag 1

Zoon: „Stop met mij schat noemen, noem mij: man. Ik ben een man, ik heb alles wat papa heeft. Een piemel alleen zonder voedselbos, grote voeten.” 

Ik: „Prima. Man, kan je even helpen afruimen? Hallo?”

Zoon: „Nee, ik ga naar buiten.”

Ik: „Eerst helpen.”

Zoon: „Zometeeheen…”

Ik: „Dat lijkt niet op papa.”

Zoon: „Dan niet.”

Ik: „Help gewoon even!”

Zoon: „Ik doe het altijd al, echt niemand die ik ken hoeft dit te doen.”

Ik: „Je had het al kunnen doen, ik wil het er niet over hebben. Ruim even op.”

Zoon: „Als je het zoo graag wil, oké. Wat jij allemaal belangrijk vindt, echt. Zucht.”

Ik: „Hup!”

Zoon: „Dat zeg je ook niet tegen papa.”

Ik: „Nee je bent m’n zoon!”

Zoon: „Arme mamsie.”

Ik: „Zo klaar en nu wegwezen.”

Zoon: „Je mag me wel weer schat noemen, hoor.”

Middag 2

Een juf op mijn antwoordapparaat van de school aan de overkant: „Hi! Ik belde even om te zeggen dat jullie zoon koekjes vanaf het balkon gooide met vriendjes en dat er ook een kind werd geraakt. Ik heb ze er al op aangesproken dus ze weten dat we dit niet goedkeuren, maar ik vond het wel belangrijk om het even te melden. Fijn weekend!”

Avond 1

Ik: „We gaan verder met Adolescence!”

Zonen: „Oh my god, samen films kijken, ik ben een boomer geworden.”

Vader: „De hoofdrol is van jullie leeftijd, dus het is sowieso interessant.”

Zonen: „Moet dit.”

Wij: „Ja.”

Zonen: „Oké.”

Ik: „Het is altijd fijn om over dingen te praten hè, dus als je bijvoorbeeld ruzie met iemand maakt en een rot gevoel hebt, praat er dan over.”

Zoon 1: „Jahaaaaa.”

Ik: „Wisten jullie al wat een incel is? Ik niet.”

Zoon 1: „Mam, iedereen weet wat een incel is. Dit is toch niet echt gebeurd?”

Ik: „Niet precies zo, maar het laat zien hoe je je kan voelen als je wordt afgewezen of niet gezien wordt.”

Zoon 1: „Dan ga je echt niet iemand vermoorden.”

Ik: „Nee, maar onzekerheid kan zo wankel voelen, helemaal als je denkt dat je niet over je gevoelens mag praten, dat kan eenzaam maken.”

Zoon 1: „Mam, echt.”

Ik: „Praat je wel eens over je gevoel met een vriend?”

Zoon 1: „Nee, alleen als je vader dood is ofzo doe je dat.”

Zoon 2: „Vergelijken jullie ons met een jongen die een meisje vermoordt? Zijn er nog koekjes?”

Ik: „Kijk zelf maar even.”

Zoon 1: „I am a real man, mam, go to the kitchen, make me some food. I have to provide for my woman. Working men are strong men.”

Ik: „Nee schat, dit is niet grappig.”

Zoon 1: „Ik prik je lek! Grapje mam.”

Zoon 2: „Wat die jongen doet, is heel extreem, dat doe je als je heel ongelukkig bent. Het is gewoon een spannende serie, tot ze heel veel gaan praten dan is het saai voor onze leeftijd. Brawl Stars, bro?”

Avond 2

Zoon: „Hij was vreemdgegaan en daarna kwamen ze weer bij elkaar? Dan ben je toch dingdong?”

Ik: „Dat is toch mooi, dat je weer bij elkaar komt, het betekent niet altijd dat alles mis is met je relatie.”

Zoon: „Dat je met iemand anders die dingen doet en dan weer met je eigen… goor.”

Ik: „Stel dat ik vreemd zou gaan voor een keer en dan weer terugkom bij pap.”

Zoon: „Nou eerder gaat hij vreemd, want hij wordt sneller dronken. Vóór de kanker werd hij besprongen. Maar nu denk ik dat het niet meer lukt.”

Ik: „Hoezo niet?”

Zoon: „Nou ja, oud? Hij was wel heel hot. Waarom heb ik zijn ogen niet, maar die van jou. Blauw is veel mooier of groen of amber. Jij hebt van die saaie bruine.”

Ik: „Nou merci, wat kan jij beledigen. En jij hebt juist mooie ogen, zo’n amandeltje. Ik vind je prachtig.”

Zoon: „Ja, jij maar dat telt niet, ik wil grote blauwe ogen dat wil iedereen.”

Ik: „Zoals Pepijn, wat was hij beleefd, hij zei hallo en dag en dankjewel voor het logeren. Heel goed.”

Zoon: „Ja, hij kreeg twee euro van mij als hij dat zou doen.”

Bij het naar bed gaan

Zoon: „Op TikTok willen vrouwen een avondklok voor mannen, dus dan mag ik niet meer op straat?”

Ik: „Jij ligt dan al in bed.”

Zoon: „Maar jullie eisen de nacht op, waarom moet ik dan oversteken als er een meisje voor me loopt?”

Ik: „Meisjes voelen zich vaak onveilig.”

Zoon: „Door mij?”

Ik: „Ik heb veel verhalen van mannen die mij hebben aangeraakt, terwijl ik dat niet wilde.”

Zoon: „Jij? Waarom wil iemand jou nou aanraken?”

Ik: „Ik was jong en de jongens ook en die konden zich dan niet inhouden.”

Zoon: „Dat geloof ik niet.”

Ik: „Nu is een meisje nog niet bang voor je, maar als je groter wordt, is het wel fijn als je oversteekt.”

Zoon: „Dus ik word nog eng?”

Ik: „Nee, dat hoop ik niet.”

Zoon: „Had je liever een meisje gehad?”

Ik: „Ik ben verliefd op jullie.”

Zoon: „Ben je een mannenhater?”

Ik: „Hoe kom je daarbij, ik heb er drie!”

Zoon: „Iedereen denkt dat meisjes liever zijn, maar ze zijn ook handig en dan krijgen wij de schuld.”

Ik: „Misschien moet je slimmer zijn. Niet lomp doen in de klas.”

Zoon: „Een meisje krijgt nooit de schuld.”

Ik: „Jullie huilen nooit, je houdt je altijd groot.”

Zoon: „Huilen doe je alleen als er echt iets ergs is, iets met dood ofzo.”

Ik: „Ik huil soms omdat iemand me pijn doet, jij niet?”

Zoon: „Waarom zouden ze jou iets willen aandoen? Jij hebt echt een hele oude iPhone.”

Ochtend

Ik: „Goedemorgen schatje.”

Zoon: „Mam, je bent een plank.”

Zoon, tegen vader: „Val jij op planken?”

Vader: „Niet per se.”

Ik: „Waar val jij op?”

Zoon: „Gewoon een beetje boeb, boeb.”

Ik: „Wat?”

Zoon: „En spieren bij jongens.”

Ik: „Hoeft echt niet hè, spieren. Je bent zo al goed.”

Zoon: „Dat hebben alle jongens, is niet zo gek hoor. De meisjes in de klas hebben meer dan jij en ook billen. Ik vind blond haar heel mooi, maar niet ingespoten dingen. Hoe zou het zijn om jou te zijn mamsie, hoe was je jeugd?”

Ik: „Goedemorgen andere schatje.”

Zoon 2: „Het leven is niet makkelijk.”

 

Kind en jeugd

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next