Robbert-Jan Henkes Vertaler Robbert-Jan Henkes zette zijn tanden in het meesterwerk Infinite Jest van David Foster Wallace zonder zich te verdiepen in de biografie van de schrijver zelf: „Boeken zijn veel intelligenter dan schrijvers.”
In de dystopische wereld van Foster Wallace komt ook een tennisacademie voor.
Een papiertje zegt weinig over de mens. Toch is het cv van publicist en meestervertaler Robbert-Jan Henkes te imposant om te negeren. Zijn werk omvat een mensenleven aan vertalingen. Teksten vanuit het Russisch, het Engels, literaire giganten als James Joyce, Shakespeare en Bret Easton Ellis. Kinderboeken, klassiekers als Alice in Wonderland. En dan zijn er nog de liedjes, bijvoorbeeld die van The Beatles of Bob Dylan.
En toen was daar het 1168 pagina’s tellende magnum opus van David Foster Wallace (1962-2008) dat vroeg om vertaling. Dertig jaar na de verschijning van Infinite Jest wilde de kleine uitgeverij Koppernik zich eraan wagen. Niet geheel verrassend werd er bij Henkes (1962) aangeklopt. Want hoe vertaal je een postmodernistische, wanordelijke vertelling die bekendstaat als onleesbaar? Dat vraagt om branie. En wie in ‘Vertalië’ speurt naar lef en experimenteerdrift, zit bij Henkes goed. Deze week verscheen zijn vertaling, getiteld Eindeloos vertier.
„Mijn vader werkte in de informatica, en werd af en toe gevraagd om een boek te vertalen. Hij schoof ook weleens werk naar mij door. Pas later ben ik met mijn studievriend Erik Bindervoet echt in het vak gerold. Eerst schreven we vooral zelf; we hadden zelf een blaadje opgericht dat Platforum heette. Daarna schreven we voor Hollands Maandblad en werkten we aan romans. Maar we waren ook heel enthousiast over bestaande literatuur, zoals die van Charles Baudelaire. We hebben Finnegans Wake van James Joyce vertaald, een flinke kluif waar we zeven jaar over gedaan hebben. Daarna zit je er wel goed in.”
„Ik ben niet zo thuis in de Amerikaanse literatuur. De enige grote schrijvers die ik kan noemen zijn J.D. Salinger en Mark Twain. Eerlijk gezegd weet ik dus helemaal niet waarmee hij zou breken. Als ik aan een Amerikaanse roman begin, sla ik hem snel weer dicht.”
„Omdat veel Amerikaanse schrijvers lijden aan het ‘I wanna be a writer’-syndroom. Het zijn vakschoolschrijvers. Dat idee had ik bij David Foster Wallace in ieder geval helemaal niet. Die was zo vrij in alles. Hij had echt plezier in zijn werk. De huidige generatie ziet het boek als visitekaartje voor hun eigen ego.”
Robbert-Jan Henkes
„Ik heb me bewust niet verdiept in de auteur. Een werk kan heel goed op zichzelf staan. Daarvoor bestaan er juist boeken; die zijn veel intelligenter dan schrijvers. Het was ontzettend prettig om me alleen op de tekst te kunnen richten zonder te weten waar het allemaal vandaan komt.”
„Vertalers zijn een bang volkje. Ze houden zich vaak te veel aan de tekst, omdat ze geen fouten willen maken. Ikzelf houd juist van onverzorgd Nederlands. Daarin bedient David Foster Wallace mij op mijn wenken. Zijn Engels is af en toe erg krom, maar dat heeft allemaal een functie.”
„Neem de eerste pagina. Je ziet gelijk dat de verteller van het eerste hoofdstuk, Hal Incandenza, onder invloed is van drugs. Hij staat helemaal strak. Dat merk je ook aan de stijl. Wallace speelt daarop in en ik ben daarin meegegaan. In de eerste alinea gebruik ik bijvoorbeeld de termen ‘lawijd’ en ‘gerecipieerd’. Allebei woorden die niet gangbaar zijn en eigenlijk niet helemaal kloppen binnen de tekst. Maar ik gebruik ze toch.”
„In de 17de eeuw en de 18de eeuw schreef iedereen maar wat. Nu moet alles via de regels. Daarmee sloop je het leven uit de tekst. De vertaler zit in de onaangename positie dat hij niet de baas is over zijn schriftuur. Maar je vertaalt niet voor de uitgever, niet voor de persklaarmaker en ook niet voor de recensent. Alleen maar voor de lezer. En die zal het aan zijn reet roesten wat er in het origineel staat. Die wil gewoon een leuk boek lezen.”
„Ik vond het zelf nogal klip en klaar. In de eerste honderd pagina’s worden allerlei personages voorgesteld, waarvan je nog niet weet wat ze verder uitspoken in het boek. Maar die hoofdstukjes zijn leuk beschreven. Hij werkt ook steeds met een andere stijl – dat is heel knap gedaan. En ja, die moeilijke woorden. Als je vroeger tijdens het lezen een woord niet herkende, begreep je vaak toch wat er stond binnen de context van het verhaal.”
„Helemaal niet! Het Nederlands is echt een hele rijke taal. Je hebt ontzettend veel te kiezen. Kijk, vertalingen zijn soms erg armoedig, omdat er vaak wordt gekozen voor de eerste woordenboekbetekenis. Maar je kunt helemaal los in het Nederlands. Je mag zelfs woorden verzinnen, of kijken naar dialecten. Dat is een bron die in het Nederlands veel te weinig wordt aangeboord.”
„Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Als je later in het leven wordt geconfronteerd met een term als het n-woord, komt dat veel harder aan. Je moet woorden niet de schuld geven. Ik wil niemand de wet voorschrijven, het is een persoonlijke afweging van de vertaler. Al worden er ook fouten gemaakt. Bij de laatste versie van Huckleberry Finn van Mark Twain heeft de tot slaaf gemaakte Jim een Zuid-Afrikaans accent. Dat slaat natuurlijk nergens op.”
„Je moet dan iets anders verzinnen, een niet-bestaand dialect bijvoorbeeld.”
„Ja. Als ik iets niet gedaan kreeg, een bepaalde regel bijvoorbeeld, dan sla ik die niet over. Dan verlies je de flow. Ik heb het boek in een jaar vertaald. Om vijf uur ’s ochtends stond ik op en om tien uur ’s avonds stopte ik met werken. Het waren lange dagen, maar het was leuk om te doen. Een werk als dit kun je niet langzamer vertalen, dan ga je je ergeren.”
„Die taalrobots kunnen helemaal niets. Ik kijk weleens rond op het internet, maar de kwaliteit is waardeloos. Het is gortdroge kopij. Je kunt je als vertaler onderscheiden door te zeggen: ik kan hier iets leuks van maken. Je wilt juist de persoon achter de vertaling zien, dat maakt de tekst leesbaar.”
„Wallace vond ironie de dood in de pot. Gelukkig merk je van Wallace’s standpunten nauwelijks iets in zijn werk, het is juist erg geestig. De literatuur vraagt juist om wat ironie en zelfspot. Dus wat dat betreft is Eindeloos vertier niet van deze tijd. Dat hoeft ook niet. Goede romans overstijgen juist de tijdgeest.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews