Eva Meijer In de roman Een woord voor verdwijnt de Nederlandse taal, letterlijk. Dat levert een fantastisch boek op, waarin de ideeën zich concretiseren in personages en scènes, die een zowel treffende als venijnige blik biedt op het Nederland van nu.
Zo eigenaardig als het misschien klinkt, zo wonderlijk fantastisch pakt het uit: Eva Meijer heeft een roman geschreven over de verdwijning van de Nederlandse taal. Preciezer gezegd: waarin de Nederlandse taal verdwijnt. Dat gebeurt in deze unieke roman letterlijk, woord voor woord. Eerst ‘achteloos’, dan ‘archaïsch’, vervolgens ‘ekster’, ‘neuken’, dan ‘geld’, dan ‘korreltje’, dan ‘geel’, ‘dageraad’…
Eva Meijer: Een woord voor. Cossee, 313 blz. € 23,99
Het lijkt in eerste instantie vooral een geinige gedachtegang: wat zou er gebeuren als er allerlei woorden uit de taal zouden vallen? „Nederlanders hielden al niet echt van hun taal, niet zoals de Fransen of de Duitsers of de Engelsen dat doen, volkeren die hun literatuur koesteren en hun schrijvers, nee, ze spraken op een enkeling na net zo lief Engels”, schreef Eva Meijer al in een terzijde in de roman Zee Nu (2022). Daarin spoelde heel Nederland weg, en daarmee ook de taal. Een woord voor draait dat in feite om, zoals de verteller opmerkt: „Wat er nu gebeurt lijkt op het uitsterven van een taal, maar dan zonder dat het volk uitsterft of het land ophoudt te bestaan.”
Dat is een tandje dramatischer, want de taalgebruikers blijven dus zitten met een taal waar gaten in vallen. Het eerste woord verdwijnt nog redelijk geruisloos, maar dat wordt dan ook niet de hele tijd gebruikt: ‘achteloos’. Even makkelijk vergaat ‘archaïsch’, waarvoor in het gebruik gewoon ‘ouderwets’ of ‘verouderd’ in de plaats komt. Maar hoe vul je de leegte die het woord ‘ekster’ achterlaat? Nou ja: dat is ook maar een ‘zwart-wit kraaitje’. De verdwijning van ‘geld’ is onverkwikkelijker. Maar oké: poen werkt ook, of centen, duiten, knaken, euro’s, of ja, Engels dus: money. Over ‘geel’ barst evenwel een taalstrijdje los dat de aloude friet-patatoorlog algauw overtreft: sommigen gaan het ‘zon’ noemen, anderen verkiezen ‘kaas’, in Zeeland zegt men ‘stro’, Limburg kiest ‘kanarie’. Tot boeren op het Binnenhof een fort van strobalen gaan bouwen – en het leidt tot Kamervragen.
Nog steeds erg geestig, maar je ziet ook dat wat Eva Meijer (1980) hier optuigt meer is dan een grap. Dit is vergelijkbaar met hoe Gaea Schoeters in haar roman Het geschenk een uitzinnig gegeven (ze liet 20.000 wilde olifanten los in Berlijn) gebruikte om de wereld juist felrealistisch in beeld te brengen, de overdrijving zette politieke en maatschappelijke machinaties in een onthullend licht. Meijers verdwijnende taal biedt een scherpe, zowel treffende als venijnige blik op het Nederland van nu.
En dan dus in romanvorm. Koren op de molen van de filosoof én romanschrijver die Meijer is: ideeën concretiseren zich in personages en scènes. Deze ideeënroman vervlecht de verhalen van meerdere personages, in de eerste plaats de kersverse geliefden Uma en Mik, maar ook de taalkundige Agnes en diverse politici, zoals premier John en ministers Aukje en Klaas. (Meijer noemt die dus bij hun voornamen, een slimme vorm van egalitarisme die benadrukt dat ambtsdragers ook mensen zijn, dat het politieke persoonlijk is, en de kiem van beleid dus ook niet los te zien is van concrete mensen.) Ze zijn erg bezig met de oorzaak (het eerste verdwenen woord lijkt me veelzeggend genoeg), maar ondervinden vooral de gevolgen. „Met elk woord dat je kwijtraakt verlies je iets van de gemeenschappelijke wereld, en die wereld begint te rafelen”, weet taalkundige Agnes, en minister Aukje realiseert zich dat het de ‘kaas’- en ‘zon’-demonstranten „gaat om de vertrouwdheid, om een beetje grip te houden op wat je omringt”.
Premier John voert „om de rust en veiligheid te behouden” een „tijdelijke taalswitch” in, naar het Engels. „Voor mensen die het Engels onvoldoende machtig zijn zullen er via de gemeente language buddies beschikbaar worden gesteld.” Het communiqué sluit af met: „Together we stand strong.”
Het bovenstaande vat de kwaliteit van Een woord voor wel samen: die voortvarend doorgevoerde (half-)Engelse termen, die goedbedoelde zelfoverschatting van de overheid (er blijkt algauw een tekort aan ‘buddies’; er worden gepensioneerden ingezet), die krukkige slogan (die sterk zweemt naar de coronacrisis) – dit is op zoveel niveaus zo goed gedaan, zo grappig en treffend.
Een woord voor bulkt vervolgens van de rake inzichten over waarom het erg is als een taal verdwijnt, inzichten die onwillekeurig rondgestrooid lijken en telkens fonkelend oplichten, en zit vol slimme grapjes (mijn favoriet is de „zonstengel” die plotseling opduikt). Maar misschien het indrukwekkendst aan deze roman is de zeldzame, dubbele kwaliteit dat het een verhaal over taal is dat ook in taal uitgevoerd wordt. Daarom wordt alle taalverdwijning en -verandering gaandeweg ook in de roman zelf doorgevoerd. De beschreven desoriëntatie wordt dan invoelbaar, net als het ongemak, zelfs de lichte walging, wanneer woorden als ‘mens’ en ‘taal’ wegvallen: „People met groot verdriet spreken toch graag hun eigen language”, aldus de begrafenisondernemers – terecht.
Maar het blijft niet bij ongemak; het echt frappante is nog wel dat je de taalverandering ook accepteert, het Engels went – misschien ook niet zó gek in een wereld waar dit soort mixtaal allang gemeengoed is („Als ik deze spitskool serveer tijdens mijn private dinners is iedereen meteen hooked”, juichte een Instagram-advertentie mij onlangs toe). Zelfs wen je aan veranderingen waarvan je ogen eerst nog bloedden: ‘dat’ wordt vervangen door ‘die’ (inclusief ‘omdie’, nota bene), ‘ik’ wordt ‘mij’, ‘woord’ wordt ‘lettercluster’ – en ook dat pik je gaandeweg. Langzaamaan verandert Een woord voor in een experimentele roman, die juist door zijn verrassende leesbaarheid confronterend wordt. Wie verwacht dat het met de taalverandering zo’n vaart niet zal lopen, moet toegeven dat het hier toch erg gemakkelijk gaat.
Natuurlijk: het effect is ook verarming. De tweede helft van de roman, waarin de taal echt onttakeld raakt, is bedrukkend, misschien vanwege de herhaling (het verhaal zakt daar een beetje in), of vanwege de leegtes die vallen in de taal, als een gezellig huis dat meubel voor meubel leeggeruimd wordt. Niet toevallig is leegte een thema dat Meijer al vaker beetpakte, zowel in de dichtbundels Het witste woord (2023) en Variaties op aanwezigheid (2025) als in het essay over depressie De grenzen van mijn taal (2019).
Maar: de leegte is niet absoluut. Er komt wél iets voor in de plaats. En dan, in het slotdeel waarmee Meijer grandioos overtoept, betaalt zich uit dat deze ideeënroman aan de hand van meerdere personages is verteld – het politieke is voor iedereen op een verschillende manier persoonlijk. Voor dichteres Uma is de betekenis van de verdwijning van het Nederlands heel anders dan voor houtbewerker Mik. Met andere middelen kun je misschien wel meer en in elk geval ándere dingen zeggen dan met woorden, weet Mik, die ook non-binair is en de persoonlijk voornaamwoorden ‘hen’ en ‘hun’ gebruikt (net als Meijer trouwens; of misschien: nota bene). Hen heeft dus aan den lijve ondervonden dat andere woorden ook andere mogelijkheden bieden, vrij en open.
Zo kun je er dus ook naar kijken. Hoe zal ik het zeggen: it hit me hard?
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews