Pensioenen Geklaagd wordt er genoeg over het nieuwe pensioenstelsel, ziet Leander Heldring. Maar anders dan zijn buurlanden dóet Nederland tenminste wel echt iets om de pensioenen ook bij veranderende demografie betaalbaar te houden.
Het nieuws rond het nieuwe pensioenstelsel is voornamelijk negatief. Het kan zomaar zijn dat je geld misloopt in je pensioen, zo zegt men, en het nieuwe persoonlijke spaarsysteem zou kwetsbaar zijn. Weinig positieve geluiden dus, terwijl Nederland juist als een van de weinige de structurele problemen van vergrijzing en een veranderende arbeidsmarkt daadwerkelijk aanpakt.
Leander Heldring is universitair hoofddocent bestuurlijke economie en beslissingswetenschappen aan de Northwestern University in de VS.
Hoe zit het ook alweer? Nederland vergrijst en jonge mensen wisselen sneller van baan en sector. Daardoor komen twee pijlers van het pensioenstelsel onder druk te staan: het omslagstelsel en de doorsneepremie.
Onder het omslagstelsel betalen werkenden direct voor gepensioneerden. Als het aantal werkenden afneemt en het aantal ouderen stijgt, wordt het steeds moeilijker lopende pensioenverplichtingen te financieren. De doorsneepremie veronderstelt bovendien een stabiele, levenslange loopbaan bij één of enkele pensioenfondsen — een aanname die steeds minder past bij de hedendaagse arbeidsmarkt. Jongeren veranderen vaak van baan, of werken soms even helemaal niet.
Hoewel Duitsland, Frankrijk en België minstens even grote pensioenproblemen hebben, zijn wij – anders dan zij – al jaren bezig met echte hervormingen. Op dit moment zijn meerdere pensioenfondsen, zoals het Pensioenfonds Zorg & Welzijn (3 miljoen leden), aan het overstappen van het omslagstelsel naar een stelsel met, simpel gezegd, persoonlijke pensioenpotjes. Pensioenopbouw is daarin geen collectieve zaak meer, maar een individuele. De werknemer bouwt gedurende het werkzame leven zijn eigen pensioen op.
Dit is een radicale verandering. Het grote voordeel van dit systeem is de flexibiliteit. Geld dat een werkende aan het begin van zijn of haar loopbaan inlegt, kan het pensioenfonds met meer risico beleggen, met daardoor een kans op méér rendement tegen de tijd dat het pensioen lonkt. Ook kan een werknemer even niets inleggen als diegene niet werkt, zonder dat er direct tekorten ontstaan bij het pensioenfonds. En omdat de huidige werknemers niet langer voor de huidige pensioengerechtigden betalen, is de vergrijzing buitenspel gezet.
Tot zover de voordelen. De nadelen zijn inmiddels uitvoerig besproken. Met name het ‘veramerikaniseren’ van pensioenen door deze risicovol te beleggen, roept weerstand op. In Amerika bouwen werkgevers en werknemers samen de pensioenen op, maar op individuele basis. Pensioenen worden door vermogensbeheerders belegd, en veren vaak sterk met de conjunctuur mee.
Onder het nieuwe Nederlandse stelsel kan je pensioen ook ineens minder worden. Dat is nu echter ook al zo. Ten tijde van de kredietcrisis in 2008 werden pensioenen bevroren, en later (2012-2013) zelfs gekort. Het nieuwe pensioenstelsel introducéért dus geen onzekerheid; het maakt de bestaande onzekerheid zichtbaar en op individuele basis beheersbaar.
Onze buren voeren intussen marginale veranderingen door. Duitsland bevriest het percentage van gemiddeld loon dat pensioengerechtigden ontvangen en voert belastingprikkels in om langer door te werken. België doet iets vergelijkbaars. Een aantal Scandinavische landen heeft de pensioenleeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. In Frankrijk werd in 2023 een voorstel voor verhoging van de pensioenleeftijd aangenomen, maar dat heeft nu tot een dusdanige politieke impasse geleid dat de hervormingen vooralsnog zijn afgeblazen.
Dat soort hervormingen — een hogere pensioenleeftijd, lagere uitkeringen, langer doorwerken — is soms onvermijdelijk. Maar ze laten de kern van het probleem intact: een pensioenstelsel dat afhankelijk blijft van structureel veranderende demografische verhoudingen. In landen die sneller vergrijzen dan Nederland zijn dergelijke maatregelen dan ook geen oplossing, maar uitstel.
Hervormen brengt altijd een bepaalde onzekerheid met zich mee, maar niet hervormen schuift deze onzekerheid door naar de volgende generatie. We weten niet zeker hoe Nederland zich in de komende decennia demografisch zal ontwikkelen, en we weten ook niet of de volgende generaties net zo ‘jobhoppen’ als de huidige. Eén ding is zeker: het nieuwe stelsel is geen krampachtig lapwerk, maar speelt daadwerkelijk in op deze veranderingen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen