Geschiedenis Door 4000 beschrijvingen van publieke executies te bestuderen ontdekte historicus Isabel Casteels dat die werden ervaren als een moreel schouwspel over schuld en onschuld.
Pieter Brueghel de Oude:Triomf van de dood. (1608)
Wat bracht een gewone burger ertoe iemand te willen zien sterven? In Haarlem of Leiden kon je in de zestiende eeuw bijna ieder jaar wel een terechtstelling bijwonen, wanneer je in Brussel woonde zo’n vijf keer, in Antwerpen minstens tien keer. Zoiets trok drommen volk; rijk, arm, oud, jong. Het stond iedereen vrij; er kwamen ook veel kinderen.
Isabel Casteels, De kronieken van de dood. Opstand en executies in de Nederlanden. Lannoo, 320 blz. €27,99
In De kronieken van de dood, een bewerking van het proefschrift dat ze in juni 2025 in Leiden verdedigde, sluit Isabella Casteels uit dat al die mensen kwamen uit sensatiezucht. Een enkeling misschien wel, maar het gros kwam voor iets anders. Maar wat? Aan de hand van bijna vierduizend beschrijvingen van executies in kronieken en dagboeken komt ze heel behoedzaam tot een antwoord, met als kern: een publieke terechtstelling was een schouwspel met een onzekere uitkomst. Kwam de veroordeelde (eufemistisch ‘patiënt’ genoemd) nog tot inkeer, of volhardde hij of zij in de misdaad? De spijtoptanten kregen alsnog uitzicht op verlossing in het hiernamaals, de halsstarrige crimineel zou eeuwig moeten branden in de hel. Casteels is heel stellig als ze beweert dat we hierin een ‘teken’ moeten zien ‘van een betrokken en bezorgde samenleving’.
Om dit aannemelijk te maken gaat ze diep in op de ervaringen van de verschillende betrokkenen bij openbare executies: de rechters, de beulen, de ‘patiënten’, de toeschouwers, en zelfs de stoffelijke overschotten krijgen een apart hoofdstuk toebedeeld. Het is macabere lectuur, voor de lezer met een sterke maag. Casteels legt het proces van berechting heel precies uit, met veel gevoel voor sprekende details die duidelijk maken dat er in de hele keten over van alles goed was nagedacht.
Volgens haar is de openbare executiepraktijk een afspiegeling van de samenleving ‘in al haar facetten’ – dit lijkt een staaltje monomane bewustzijnsvernauwing waar veel onderzoekers aan lijden, maar haar argumenten zijn sterk. Ze laat zien hoe tegen het einde van de Middeleeuwen de overheid de greep op de bestraffing van misdaad vergrootte. Onderlinge afrekeningen die een groot deel van de Middeleeuwen kenmerken, konden niet meer. Rechtspraak moest ontspoorde conflicten zien te beslechten, en wel zo dat de samenleving rechtvaardigheid ervoer en weer verder kon.
Het achterhalen van de waarheid was cruciaal, en dat is waar het voor moderne lezers heel hardvochtig wordt; de verhoortechnieken die op verdachten werden losgelaten waren nietsontziend. De marteling werd gerechtvaardigd, zo legt Casteels uit, met de aanname dat een verdachte door alle pijn niet in staat zou zijn nog leugens op te dissen. Wel was een zo verkregen bekentenis nog geen bewijsmateriaal; dat werd ze pas als ze zonder tortuur herhaald werd. Na het intrekken van een bekentenis kon er echter tot drie keer toe opnieuw gemarteld worden.
De uitkomst voor een verdachte kon vrijspraak zijn, maar ook verbanning, verminking, brandmerking, of de doodstraf. Lange gevangenisstraffen waren nauwelijks aan de orde. Gevangenissen waren er om verdachten op te sluiten, tot het moment van de berechting. Was het vonnis uitgesproken dan werd dat meestal meteen ten uitvoer gebracht.
Het nieuws van een doodvonnis verspreidde zich, en het volk stroomde toe. De lokale beul moest de klus klaren. En dat vroeg vakmanschap, en hij kreeg er aardig voor betaald. Ze verdienden nog wat bij door het verpatsen van kleding en lichaamsdelen. Aan lijken van criminelen werden allerlei magische en zelfs genezende krachten toegeschreven.
Je had bekwame, minder bekwame en ergerniswekkende beulen. Beulen die de lijdenweg voor de veroordeelde opzettelijk of door onkunde groter maakten, konden op scherpe afkeuring van het publiek rekenen. De Antwerpse beul Geleyn die jarenlang als een bruut tekeer was gegaan, eindigde in 1565 zelf op het schavot.
En zo was een executie, die in romans en films veelal als een eruptie van bloeddorstigheid wordt voorgesteld, omgeven met allerlei checks and balances. De langzame evolutie naar een rechtsstaat. Toch beschrijft Casteels specifiek voor de zestiende eeuw veel gevallen waarin het rechtsgevoel van de burgers zwaar op de proef werd gesteld. Sinds 1523 werden er lutheranen, en vooral wederdopers, voor het gerecht gebracht en vaak op gruwelijke wijze geëxecuteerd. Eindigen op een brandstapel gold als het summum van leed. Hier werden mensen niet vanwege diefstal of moord, maar vanwege hun innerlijke overtuiging om het leven gebracht.
Dit riep weerstand op, bij geloofsgenoten in de eerste plaats, maar ook gematigde katholieken kregen steeds meer moeite met de grootschalige executies van protestanten, vooral nadat na de Beeldenstorm de hertog van Alva naar de Nederlanden kwam, de Raad van Beroerten instelde, en in zeven jaar tijd 1100 mensen ter dood bracht.
Iedereen had wel familieleden of kennissen, die onder beulshanden aan hun einde kwamen. De katholieke Gentenaar Marcus van Vaernewijck stortte tranen bij de terechtstelling van een oude bekende, Jan Coomans, vanwege vermeende deelname aan de Beeldenstorm. De weerzin tegen deze repressie werd steeds groter.
Terechtstellingen van ketters kregen langzamerhand het karakter van religieuze manifestaties, waarin elk woord of gebaar van de terdoodveroordeelde scherp werd geobserveerd. Kuste het slachtoffer op het laatste moment nog het kruis dat hem door een katholiek geestelijke werd voorgehouden? Werd er nog iets gezegd? Niet zelden gingen toeschouwers door het lugubere spektakel spontaan tot het protestantisme over; er werd zelfs gedacht dat het inademen van de as van het slachtoffer dat proces kon bevorderen. Onder Alva werd veroordeelden het spreken onmogelijk gemaakt met een schroef die door de tong werd geboord. Ketters werden in veel plaatsen steeds vaker in het geheim geëxecuteerd.
Het betoog van Casteels is kleurrijk maar ook broodnuchter. Daardoor komt mooi aan de oppervlakte hoeveel bijgeloof er bij executies kwam kijken. Iedere toeschouwer leek wel op zoek naar verborgen boodschappen. Toen in 1568 bij de executie van een Antwerpse burgemeester een mooie regenboog verscheen, werd dit gezien als teken van zijn onschuld.
Gruwelijk middelpunt van de queeste naar diepere betekenissen was de heksenjacht, die alleen al tussen 1590 en 1660 in de Nederlanden 1300 doodvonnissen voor vrouwen opleverde. Bij al deze vrouwen werd bewezen geacht dat ze in de ban waren van de duivel. Vaak ging daar lichamelijk en zelfs inwendig onderzoek aan vooraf. Niets vinden en dan toch veroordelen.
Terwijl de ketterijprocessen ook in het katholieke Zuiden omstreeks 1595 werden gestaakt, ging de jacht op ‘bezeten’ vrouwen nog ruim een halve eeuw door. Ook in het zo verlichte Noorden. Openbare executies van misdadigers werden pas in 1795 in Nederland afgeschaft.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews