Home

Negatieve vrijheid krijgt te veel bad rap

Een halfjaar geleden was ‘vrijheidsbijdrage’ enkel nog een merkwaardig woordje in het CDA-verkiezingsprogramma; sinds afgelopen week weten we er een hoop meer over. We weten dat het gaat om een eufemisme voor een extra belasting ter bekostiging van de reusachtige verhoging van het defensiebudget. We weten dat het net aangetreden kabinet die belasting wil innen middels „het niet geheel toepassen van de tabelcorrectiefactor”. We hebben opgezocht wat dat inhoudt, zijn het antwoord weer vergeten, maar weten wel nog dat het erop neerkomt dat mensen met minder geld relatief meer moeten betalen: 0,37 procent van het inkomen voor minimumloonverdieners; 0,10 procent voor mensen met driemaal modaal, becijferde FNV.

So far, so good. Of nou ja, ‘goed’, daar kun je eventueel over discussiëren. Is het een goed idee, of is het juist géén goed idee, om in tijden van grote maatschappelijke spanningen de mensen die het minst te makken hebben het meest te laten dokken voor de oplossing van een precair collectief probleem? Lastig, lastig.

Nog een interessante vraag naar aanleiding van die vrijheidsbijdrage: wat verstaan de nieuwe coalitiepartners eigenlijk onder dat woord ‘vrijheid’?

Sheila Sitalsing stelde de vraag twee weken geleden in een column in de Volkskrant. Het antwoord van Henri Bontenbal vond ze in een speech van de CDA-leider uit 2024: „Vrijheid is de mogelijkheid om het goede te doen, om iets goeds tot stand te brengen in je leven: voor jezelf, voor anderen, voor de wereld”. VVD-leider Dilan Yesilgöz daarentegen beschreef vrijheid in haar Kerkdijklezing eerder deze maand als „de ruimte die mensen hebben om hun eigen leven vorm te geven”: om te leven zoals zij dat willen, zonder dat de overheid ze daarbij lastigvalt – geen woord over ‘het goede doen’; geen ‘opdracht’ voor het individu zoals Bontenbal die wel in zijn vrijheidsbegrip verwerkte.

Met een beetje goede wil zou je in de woorden van Yesilgöz het concept van ‘negatieve vrijheid’ kunnen ontdekken, door de Britse filosoof Isaiah Berlin ooit beschreven als de ruimte waarin je kunt handelen zonder belemmerd te worden door anderen, de staat incluis. Sitalsing heeft er niks mee, met deze „vrijheidsopvatting zonder invulling”; met dit „You do you, I do me-liberalisme”, zoals zij het noemt. Ze is niet de enige. In een recent essay noemt haar Volkskrantcollega Joost de Vries vrijheidszucht „een gevaar als je niet weet wat je met die vrijheid wilt doen”. Ook van academische denkers krijgt het negatieve vrijheidsbegrip de laatste jaren bad rap: Alicja Gescinska, Annelien de Dijn en Timothy Snyder wijzen allemaal op de tekortkomingen ervan.

Veel van de kritiek op het idee van negatieve vrijheid snijdt hout: vrijheid kent ook positieve voorwaarden, en om die te creëren is overheidsingrijpen vaak juist nodig. En toch zou ik net als Isaiah Berlin willen waarschuwen tegen veronachtzaming van de negatieve vrijheid, juist in de spannende politieke tijden waarin we mondiaal verkeren.

In het kader van ‘ken uw vijand’, en ook een beetje om hem een eerlijke kans te geven mij te overtuigen, want zo ben ik ook wel weer, las ik laatst het boek Regime Change van de Amerikaanse conservatief Patrick Deneen, een van de belangrijkste inspirators voor de Amerikaanse MAGA-beweging; ook buiten de VS wordt zijn werk veel gelezen. Hij pleit voor een ‘post-liberale toekomst’, waarin we afscheid nemen van de vrijheid van het individu om diens leven naar eigen inzicht vorm te geven; in plaats daarvan moet de samenleving zo worden geschikt dat mensen zich richten op gezin, gemeenschap, kerk en traditie. Voor vrijheid is hij ook, zegt Deneen, maar dan wel „a liberty for that only which is just and good”.

Ik lees het en ik verlang spontaan naar het zo verguisde liberalisme van You do you, I do me. We gaan die negatieve vrijheid nog hard nodig hebben, me dunkt. Laat mijn vrijheidsbijdrage er maar uit bestaan dat ik u daar op gezette tijden aan herinner.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next