Nooit eerder was Maarten Asscher (68) zó open en kwetsbaar in een boek als in Elke dag, waarin hij over zijn omgang met sterfelijkheid schrijft. „Zoals wij hier nu zitten, dat had ik een paar jaar geleden niet gekund.”
Maarten Asscher: "Ik wilde een boek over het leven schrijven, niet alleen over mijn omgang met kanker."
Op een doordeweekse ochtend opent Maarten Asscher (68) de deur van zijn nieuwe „schrijfappartement” in Nederhorst den Berg. „Sorry, ik heb nog geen kapstok”, verontschuldigt hij zich. „Neem je jas maar mee naar de woonkamer.”
Lang huurde hij een appartement in Drenthe voor het schrijven van romans, verhalenbundels, essays en non-fictie, en het vertalen van poëzie. Maar sinds enkele weken werkt hij vanuit een studio in een veertiende-eeuws kasteel. Zijn vrouw en dochter hielpen hem met inrichten. Als hij aan de houten eetkamertafel met uitzicht op de bloemetjesbank en het antieke bureau zit, voelt het als een nieuwe start.
De verhuizing zegt veel over zijn veranderde kijk op werken, vertelt Asscher, die directeur van uitgeverij Meulenhoff en Athenaeum Boekhandel was voordat hij in 2017 fulltime schrijver werd. Lang voelde schrijven voor hem als „een soort verplichting”. De rit vanuit zijn woonplaats Amsterdam naar de voormalige werkplek in Drenthe duurde anderhalf uur. Na aankomst móest hij aan het werk, want „anders maak je jezelf belachelijk met je schrijfappartement”.
Maarten Asscher: Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid. De Bezige Bij, 168 blz. €23,99
In zijn gerieflijke nieuwe onderkomen wil hij ook vrienden gaan ontvangen en schrijversbijeenkomsten organiseren. „Kijk die geweldige isolatieramen”, zegt Asscher. „Die zijn A+++. Heel anders dan in Drenthe, waar het zó koud en vochtig was dat ik beestjes zag lopen.”
Zijn behoefte aan warmte en contact heeft alles te maken met de zware tijd die achter hem ligt. In 2014 kreeg hij de diagnose blaaskanker. Die werd met succes behandeld, maar negen jaar later bleek de kanker tijdens een controle in alle hevigheid te zijn teruggekeerd. Hij onderging immuuntherapie en kreeg te maken met een zeldzame bijwerking. Zijn spiersysteem werd door zijn lichaam aangevallen. Daardoor raakte zijn onderlichaam tijdelijk verlamd en werd zijn hartspier aangetast. Op 15 februari vorig jaar balanceerde hij op het randje van de dood.
In het ziekenhuis sprak hij niet lang daarna op zijn iPhone in hoe hij die bijna-doodervaring had beleefd. Net als de andere overpeinzingen die hij later in een zorghotel zou dicteren. Ze vormen de basis voor het boek dat deze week verschijnt: Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid.
In deze „autobiografisch essay-cum-memoir”, zoals Asscher het noemt, worden meerdere mensen geëerd die belangrijk voor hem waren, zoals uitgever Johan Polak en schrijver Frans Kellendonk. Daarnaast citeert hij uit (vaak door hem vertaalde) filosofie en literatuur. Wat schreven Thomas Gray, Paul Valéry, Emily Dickinson, Fernando Pessoa, William Shakespeare en Elias Canetti over de dood? Wat kunnen we daarvan leren?
Het boek mag dan in de winkel liggen, dat betekent niet dat Asscher weer de oude is. Hij oogt breekbaar in zijn ruim vallende pak. Wijzend naar zijn bepleisterde vingertoppen: „Ik heb een ontsteking aan mijn bloedvaten, mogelijk een na-effect van een prednisonkuur. Dat levert wondjes op. Morgen moet ik naar het ziekenhuis.”
„Ik wilde een boek over het leven schrijven, niet alleen over mijn omgang met kanker. Want leren sterven is misschien wel hetzelfde als leren leven – een sleutelgedachte in het boek. En wat is er nou mooier dan literatuur? Die doet voor mij niet onder voor ademen, eten en drinken. Dus daar leg ik in het boek ook getuigenis van af.”
„De titel verwijst naar meerdere dingen. De Perzische legende is daar één van. Maar ook een gedicht van Horatius, die elke dag als een beloning zag. Hij schreef: ‘Vraag niet naar wat de toekomst zijn zal morgen/ Beschouw als winst elke gegeven dag/ jongen, wat ook het lot je zal bezorgen/ Sla in de liefde en de dans je slag.’ En dan is er nog een derde verwijzing: een ongelooflijk knap gedicht van Philip Larkin. In Days stelt hij zich de dag voor als een plaats. Er is geen andere plaats die we hebben om te leven, zegt hij. ‘Days are where we live/ They come, they wake us/ Time and time over.’”
„Die legende is tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog door dichter Albrecht Haushofer in een Duitse gevangeniscel tot een sonnet bewerkt. Ik heb veel gevangenissonetten van hem vertaald, dus dat kwam meteen bij me op. En Oscar Wilde? In een lugubere werkelijkheid zag ik die positieve associatie met een van mijn lievelingsschrijvers als een aanknopingspunt om mijn optimisme te handhaven.”
„Er zit een paar uur aan poëzie in zijn hoofd.”
Er zit een paar uur aan poëzie in zijn hoofd, legt Asscher uit. Als hij ‘s nachts wakker lag in zijn ziekenhuisbed, met piepende apparaten links en rechts, kon hij daaruit putten. Hij recht zijn rug en draagt zonder hapering Elegie van Maurice Gilliams voor, die in gedachten door een prachtig landschap trekt, maar in werkelijkheid door het venster van een boerenkamer kijkt, „waar een stoel de stilte tekent/ en de bloemen bruin verwelken/in een glas groen water.”
Hij zucht. „Dan hapte ik naar adem. Het gaf extra zuurstof. Ik raakte iets aan waarvan ik het gevoel had: dat kan mij redden.”
Asscher buigt over tafel, bijna samenzweerderig. „Je wil het weten, hè?”
Hij noemt het percentage dat de arts hem vanaf een computerscherm liet zien. „Maar noem dat alsjeblieft niet in het artikel.”
„Ik ben daar wat bang voor. Alsof ik de goden verzoek. Dat percentage is een sleutel voor de rest van mijn leven, en die rest van mijn leven duurt misschien helemaal niet zo lang meer. Tegelijkertijd wilde ik mijn verbijstering overbrengen op de lezer. Ik moest die zien mee te trekken in mijn onzekerheid. Het is een beetje effectbejag. Als ik het zo hoor ben ik daarin geslaagd.”
„Ik heb de neiging te verbloemen. Niet liegen, maar wel de waarheid regisseren. Zo heb ik eerder over mijn grootvader in Londen geschreven, maar nooit zo scherp als in dit boek. Ik heb veel van hem geleerd en gehouden, maar hij had ook eigenschappen die niet door de beugel konden. Zo sloeg hij ongelooflijk racistische taal uit, echt verschrikkelijk. Voor een half-jood die tot in Westerbork vervolgd werd, vind ik dat onbegrijpelijk. Het voelde goed om dat eerlijk te vermelden, want als je iemand wil karakteriseren, de complexiteit van een sterfgeval wil overbrengen, moet je ook de minder mooie kanten beschrijven.”
„De confrontatie met de dood werpt een schel licht op dingen. De nuances vallen weg. Sommige mensen zullen zo’n formulering over mijn grootvader hard vinden, maar als je een oprecht boek schrijft heeft het geen zin alleen maar goede dingen over mensen te vermelden, mezelf incluis. In een van de hoofdstukken spreek ik mezelf bestraffend toe over een aantal zaken.”
„Ook in dat opzicht wil ik de goden niet verzoeken. Zo van: ik ben klaar, met dank aan de literatuur. De geestelijke effecten van dit soort intense belevenissen dienen zich soms pas op termijn aan.” Met tranen in zijn ogen beschrijft hij hoe hij na een chemogift ernstige bloedingen kreeg, die verpleegkundigen met grote tampons moesten stelpen. „Waar heb ik dit aan verdíend”, riep hij, terwijl zijn dochter in een hoek van de kamer zat. Die herinnering vervult hem met schaamte, hij vindt het „een karakterologisch zwak moment”, maar hij kan er ook „sardonisch om lachen”.
„Ik vind het een schitterende en wijze fantasie van Canetti, die de dood faliekant afwees. Het is luguber en speels tegelijk. Canetti maakte de dood tot een amusant experiment. Dat hielp me om de bloedige ernst van mijn situatie wat te relativeren. Ik heb Die Befristeten nooit op toneel gezien, maar ik stel me voor dat het goed werkt. Een kind met de naam Zeventig dat vrolijk over het podium dartelt. Als hij zijn moeder met Tweeëndertig aanspreekt, weet je dat ze niet lang meer heeft. Huiveringwekkend, toch? Als twintiger en dertiger kon ik me goed verplaatsen in Canetti’s vijandigheid jegens de dood. Nu denk ik: zinloos, dat verzet. Je kan de dood beter te vriend houden, zodat je nog wat kan marchanderen.”
Hij zwijgt even. „Een wat literair antwoord, van afstand geformuleerd. Toen had ik nog niet zo veel zicht op de dood. Ik heb die angst niet meer. Ik heb een beetje leren sterven misschien.”
„Ja. Die ervaring hakte er net zo in als die mededeling over mijn overlevingspercentage.”
„Ik zie dat als misplaatste zorgzaamheid. Ze moest die dag tweehonderd mensen toespreken. Om dan een medewerker op je te zien afstormen, telefoon in de hand… dat kon ik haar niet aandoen.”
„Sommige mensen zullen over dit boek zeggen: hij is wel érg persoonlijk en emotioneel. Maar als medici zo ingrijpend op je lichaam oefenen, raakt je incasseringsvermogen beschadigd. Het schrijven en praten erover helpt een nieuw evenwicht te vinden. Zoals wij hier nu zitten, dat had ik een paar jaar geleden niet gekund. Ik informeer nu vaker hoe het met mensen gaat, ook degenen die verder van me afstaan. De overweldigende steun die ik van mijn vrouw, drie dochters en vrienden heb ervaren, heeft daar erg bij geholpen. Ik besef dat ik anderen nodig heb, maar zij mij óók. En als je dat eenmaal beseft, moet je daar ook consequenties aan verbinden.”
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews