nieuwsbriefMachtige Tijden
Machtige Tijden Wat blijkt als je de recente formatie-afspraken van D66, VVD en CDA legt naast de drie eerdere coalitieakkoorden die deze partijen sloten? Waar vinden ze elkaar, waarin veranderden ze, wanneer overschatten ze zichzelf?
Rob Jetten na afloop van gesprekken met beoogde bewindspersonen.
Voor de vierde keer deze eeuw krijgt het land een kabinet met D66, VVD en CDA. Hun vorige kabinetten sneuvelden allemaal vroegtijdig. Slechte verhoudingen, vooral tussen VVD en D66, speelden vaak mee. Dus ik dacht: laat ik het eens puur inhoudelijk bekijken. Ik legde hun coalitieakkoord, Aan de slag (kabinet-Jetten, 2026), naast de drie eerdere formatie-akkoorden die ze sloten: in 2003 (Balkenende II), 2017 (Rutte III, aangevuld met de CU), en 2021 (Rutte IV, idem).
Ik vond veel consistentie. Altijd kiezen ze voor streng begrotingsbeleid. Altijd ontzien ze het onderwijs, bezuinigen ze op zorg en uitkeringen, en stellen ze strenge eisen aan nieuwkomers. En – dat springt eruit – altijd tonen deze partijen diep ontzag voor ondernemers.
In hun zienswijze wordt de ondernemer vaak bedreigd. De drie willen hun „concurrentiekracht herstellen” (2003), hun „verdienvermogen” (2026) en het „vestigingsklimaat” verbeteren (2017, 2021, 2026), ze willen beginnende ondernemers actief steunen (2021, 2026).
En tegen de trend in – kritiek op globalisering, Trumps handelstarieven – blijven ze zich inzetten voor „vrijhandel” (2017, 2021, 2026). Vrijhandel „versterkt onze economie en helpt ons minder afhankelijk te zijn van één specifieke regio” (2026).
Want „ondernemers zijn van onschatbare waarde” (2017) en „onmisbaar voor Nederland” (2021). Dit land dankt de zorg, uitkeringen, scholen en agenten aan „ondernemers die met creativiteit, vakmanschap en lef onze samenleving vooruithelpen” (2026).
Tegelijk weten die ondernemers ook dat grote woorden geen garantie voor Haagse daden zijn.
In alle vier formatie-akkoorden beloven de drie minder regels. 2003: „De overheid heeft te lang gedacht” dat het land beter wordt „door steeds meer regels”. 2017: „Nog te vaak verzanden we […] in gedetailleerdere regelgeving.” 2026: „Jaarlijks schrappen of vereenvoudigen we minimaal 500 regels.” Feit is: sinds 2003 kwamen er méér regels.
De drie gaan in 2003 voor het eerst samen regeren nadat CDA en VVD een populistisch experiment hebben zien mislukken: hun kabinet met de LPF sneuvelt in 2002 na 87 dagen. Maar ook met hun nieuwe coalitie kiezen de drie de kant van de ontevreden kiezer. Ze zien „een te grote afstand tussen overheid en burger”: wachtlijsten in de zorg, onveiligheid op straat, slechte scholen. In 2017, na de Syrische vluchtelingencrisis, noteren ze dat „niet iedereen […] de eigen buurt” ervaart als „een veilig thuis”.
In 2026 vinden de drie elkaar opnieuw na een populistisch experiment: het mislukte kabinet met de PVV. Nu lopen ze niet langer over van begrip voor de ontevreden kiezer. De drie perken het demonstratierecht in en „vergroten mogelijkheden om [online] desinformatie te verwijderen”. Het belang van vrijheid van meningsuiting, in de jaren nul een groot thema, is gaandeweg verflauwd. Nederland is „een land waarin schelden op X niet de norm is, omdat de grote meerderheid dat niet normaal vindt”.
Die betrokkenheid bij de ontevreden kiezer is al in 2003 ambivalent. Ze kondigen dat jaar voor de zorg „eigen risico’s en verkleining van het verplicht verzekerde pakket” aan. In hun denken domineert dat de zorgkosten onverantwoord stijgen en „gereguleerde marktwerking” een uitweg biedt.
In 2017 bevriezen ze het eigen risico op 385 euro per jaar. In 2021 houden ze eraan vast. Het is voor de PVV een winnend thema. Nadat het kabinet-Schoof (2024-26) op initiatief van Geert Wilders vergeefs halvering van het eigen risico heeft beloofd, besluiten de drie in 2026 dat ze het eigen risico juist verder verhogen. Ook introduceren ze eigen bijdragen voor wijkverpleging en huishoudelijke hulp. Met hetzelfde argument als in 2003: „Door nu in te grijpen en keuzes te maken, blijven we goede zorg ook in de toekomst garanderen.”
Bij sociale uitkeringen vergelijkbare consistentie. Al in 2003 grijpen de drie in bij de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid (toen WAO, nu WIA) en werkloosheid (WW). In 2026 stellen ze opnieuw bezuinigingen op de WIA en WW voor, zij het drastischer. Daar komt de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2033 bij. Immense bezuinigingen, aldus collega Christiaan Pelgrim in NRC.
Ik hoorde een kenner voorrekenen dat iemand straks bijna 25 jaar moet werken voor het recht op één jaar WW: is het land dan nog een verzorgingsstaat?
In het coalitieakkoord maken de drie partijen het sterke argument dat een goede relatie van het kabinet met sociale partners een manier is om ook op te komen voor burgers die geen D66, VVD of CDA hebben gestemd. Ook kunnen polderakkoorden de oppositie verleiden tot steun. Maar deze ingrepen in de sociale zekerheid zijn zo onevenwichtig dat het de vraag is of er straks wel iets te polderen valt.
Elke zaterdag ontleedt Tom-Jan Meeus in zijn nieuwsbrief de politieke week - en laat zien wat bijna niemand ziet
Bij al deze kortingen speelt natuurlijk mee dat de drie geld voor de onvermijdelijke verhoging van de defensie-uitgaven nodig hebben. Maar zoals de drie in Balkenende II (2003-2006) driftig meededen aan veel te zware kortingen die defensie in 1990-2020 teisterden, zo dreigen ze die fout nu met de sociale zekerheid te maken.
Voor defensie introduceren de drie ook de zogenoemde Vrijheidsbijdrage. Een lastenverzwaring die voor twee derde door burgers wordt betaald en mogelijk voor één derde door bedrijven. Tegelijk blijft de vennootschapsbelasting onaangetast.
Toch zou het logisch zijn dat ondernemers, die het meeste waardeverlies riskeren door oorlog, juist méér dan burgers bijdragen aan hogere defensie-uitgaven. Uit CBS-cijfers blijkt dat de lastendruk voor ondernemers deze eeuw fors daalde, terwijl die voor burgers daarbij ver achterbleef. Dus waardering voor ondernemers is prima, maar ze decennia beter beschermen dan burgers is vermoedelijk geen gezonde basis om een samenleving bij elkaar te houden.
En het zou niet voor het eerst zijn dat deze drie een vraagstuk onderschatten. Begin deze eeuw is er nog volop nieuwbouw op de woningmarkt. Daar komt mede door de kredietcrisis de klad in. Toch streeft Rutte III (vanaf 2017) bescheiden naar „meer nieuwe koop- en huurwoningen”.
Het resultaat is even mager. In Rutte IV (vanaf 2021) beloven de drie jaarlijks 100.000 nieuwe woningen. Lukt niet. In 2025 daalt het aantal nieuwbouwwoningen naar 69.000 bij een slordige 350.000 woningzoekenden. Toch formuleren ze in 2026 geen concrete ambitie voor het aantal nieuwbouwwoningen.
Nog zo’n dossier: stikstof. Al in 1998 verbiedt de Europese Commissie de Haagse stikstofaanpak. Toch bevat het coalitieakkoord van de drie in 2003 geen concrete maatregelen omdat de staat een kansloze beroepsprocedure in Brussel voert.
In 2017 voorziet het coalitieakkoord een mogelijk verbod van „het Europees Hof” van de dan bestaande stikstofregeling, het PAS (Programma Aanpak Stikstof) uit 2015. En inderdaad: op voorspraak van het Hof besluit de Raad van State ook het PAS in 2019 te verbieden omdat de Europese natuurrichtlijn wordt geschonden. Allerlei bedrijvigheid stagneert. Weer happen de drie naar adem. Jaren stilstand volgen.
Het kabinet-Balkenende II op het bordes van Huis ten Bosch in 2003.
In 2021 besluiten ze tot een ambitieuze aanpak, die vastloopt op boerenprotesten. Het kabinet valt in 2023. In 2026 hervatten de drie hun aanpak uit 2021.
Aan netcongestie, de overbelasting van het stroomnet waardoor nieuwbouw en bedrijvigheid stagneert, kennen de drie in 2026 de „hoogste prioriteit” toe. Net als het kabinet-Schoof in 2024; als minister van Economische Zaken (2022-2024) heeft Rob Jetten met het probleem kennisgemaakt. Maar feit is: in hun eerdere coalitieakkoorden wijdden de drie er geen woord aan.
Het laat zien: deze partijen zijn zo bedreven in streng begroten en risicomijding, dat ze ongemakkelijke keuzes te vaak vooruit schuiven, ook als dit ondernemers schaadt.
Wel herzien ze op sommige thema’s hun opvattingen. In 2003 willen ze de kerncentrale in Borssele sluiten. In 2021 wordt dit dat Borssele, nog steeds in bedrijf, „langer open” blijft. Ook gaan ze in 2021 de bouw van twee nieuwe kerncentrales voorbereiden. In 2026 worden dat er „tenminste vier”, mede betaald „uit het Klimaatfonds”.
In 2003 vinden zij het „niet aanvaardbaar” dat sommige inkomens in de publieke sector „uitgaan boven het inkomensniveau van een minister”. In 2026 besluiten ze dit toch weer toe te staan „voor IT-specialisten”, al verwoorden ze de verhoging zo omfloerst mogelijk: „concurrerend salarispad”.
Ziehier de ontwikkeling van de inhoudelijke oriëntatie van deze drie partijen. Hun begrip voor de ontevreden burger verflauwde deze eeuw, hun aandacht voor de ontevreden ondernemer groeide. Ze hielden de begroting consistent op orde, al leidde dat ook tot kortzichtige en soms onevenwichtige keuzes. Moed voor riskant beleid toonden ze zelden, al beloven de drie vanaf nu beterschap.
Scepsis over de kansen van dit minderheidskabinet in de Kamers ligt voor de hand. Maar de minderheidsstatus levert hier ook kansen op: deze partijen kunnen inhoudelijk wel wat inzichten van buiten het eigen wereldje gebruiken. Om met steun van de oppositie, van welke partijen ook, meer evenwicht aan te brengen in de lastenverdeling tussen burgers en bedrijven. En om (meer) ongeduld en moed te verzamelen voor verdergaande keuzes op drie elementaire thema’s, voor nu en later: woningbouw, stikstof en netcongestie.
Vorige week citeerde ik een ‘EO-onderzoeksjournalist’. Hij is ‘hoofd publieksonderzoek en data’. Excuses.
Opmerkingen, aanmerkingen, observaties, tips? Elke reactie is van harte welkom. Mail me – t.meeus@nrc.nl – of stuur een persoonlijk bericht op mijn LinkedIn.