Politieke deugden Hoop is geen irrationeel optimisme dat afleidt van het heden, zeggen Beatrice de Graaf en Rik Peels. Het is een opdracht die bovendien alle andere deugden nodig heeft.
Hoop is een omstreden deugd. Dat klinkt raar, want ‘hoop’ en ‘hoopvol’ zijn toch positief geladen begrippen. Desalniettemin wordt juist in tijden van crisis en onzekerheid kritiek geuit op het vastklampen aan hoop. Onlangs brak Tommy Wieringa nog een lans voor „optimisme zonder hoop„, want als je de hoop laat varen, hoef je je ook niet meer druk te maken over hopeloosheid, en kun je de toekomst laten voor wat die is en je op het heden richten. Daaruit blijkt dus al wel dat hoop een temporeel begrip is. Het kijkt vooruit, sterker nog het verlangt en strekt zich uit naar de toekomst. Maar volgens sommigen geeft het ons daarmee juist te weinig commitment en toewijding aan het heden. En het maakt nogal uit hoe het zich op de toekomst richt.
Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar en bekleedt de leerstoel Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.
Rik Peels is hoogleraar en bekleedt een onderzoeksleerstoel godsdienstfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Ze werken samen bij onderzoeksconsortium Adapt!
De Amsterdamse psychiater Andries van Dantzig zat samen met veel van de mannen die in 1944 uit Putten waren gedeporteerd in concentratiekamp Neuengamme. Hij overleefde het, de meeste mannen uit Putten niet. In 1946 schreef hij een geruchtmakend artikel De tragedie der Puttenaren. Volgens hem waren relatief veel van de zeer gelovige Puttenaren aan het kampleven bezweken omdat ze te veel hadden gehoopt op goddelijke redding, dan wel te veel hadden terugverlangd naar hun Puttense heimat, en hoe dan ook te weinig verankerd waren geweest in het heden en daardoor te weinig weerbaar. NIOD-historicus Madelon de Keizer maakte later gehakt van dat „randstedelijk-arrogante” argument (het sterftecijfer onder de Puttenaren was helemaal niet hoger dan dat van de andere kampslachtoffers, en Van Dantzig had met het artikel op quasi-wetenschappelijke wijze zijn survivor’s guilt over de rug van de Puttense boerenbevolking van zich afgeschreven). Maar het stigma van de christelijke hoop als een zijig, passief ‘stil maar wacht maar alles wordt nieuw’, dat bleef.
Is er anno 2026 nog ruimte en reden voor hoop? Of is hoop een misplaatst irrationeel optimisme, en leidt het af van inzet in het heden? Spes (hoop) is de derde theologale deugd, de laatste van de zeven klassieke deugden. De vraag is dan ook: biedt die deugdtraditie ons nog een uitweg, en zo ja hoe dan?
We beginnen maar meteen bij de kernvraag: wat is hoop eigenlijk? Opnieuw is het waardevol om misverstanden en mythes van de hoop af te pellen en te kijken hoe de deugd spes door de klassieke denkers altijd als een uiterst gelaagd en complex begrip beschreven werd. Een eerste wijdverbreid misverstand is dat hoop verwachting zou impliceren. Dat wil zeggen: dat je alleen iets hoopt als je het ook verwacht. Maar dat hoeft helemaal niet. Je kunt prima iets hopen terwijl je verwacht dat het niet zal gebeuren, bijvoorbeeld omdat de kansen gewoon heel klein zijn. Maar wat is hoop dan wel?
De analytische filosofie leert ons dat hoop meerdere componenten heeft. Ten eerste verlang je een bepaalde stand van zaken, je hebt er een positief affect bij, je wenst het. Ten tweede gaat het, zoals Thomas van Aquino al opmerkte in zijn Summa Theologiae, inderdaad meestal om een stand van zaken in de toekomst. Heel af en toe gaat het over het verleden, zoals wanneer je hoopt dat iemand bij een onverwacht overlijden niet te veel geleden heeft. Dat hangt samen met het derde element: onzekerheid. Als je iets hoopt, acht je het niet onmogelijk maar ook weer niet volkomen zeker. Want, zoals Augustinus van Hippo al opmerkte in zijn Enchiridion, laat volkomen zekerheid geen ruimte meer voor hoop. Het is een deugd die door ons onzekere bestaan mogelijk wordt gemaakt. Ten vierde vergt het wel degelijk inzet voor een waarde. Je maakt je er sterk voor en je maakt je er emotioneel afhankelijk van. Iets wensen, zoals wishful thinking, vraagt geen commitment, hoop wel.
Zoals we al eerder zeiden houden de deugden altijd het midden tussen twee uitersten. Het ene uiterste is duidelijk: wanhoop, hopeloosheid, cynisme ook. Aan Nietzsche wordt vaak de uitspraak toegeschreven „Hoop is uitgestelde teleurstelling”. Maar eigenlijk zei hij het nog scherper: „Hoop is het kwaadste van het kwaadste omdat het de kwellingen van de mens verlengt”. De echo daarvan hoorden we al terug bij Van Dantzig en Wieringa. Ze hebben in die zin gelijk dat hoop het lijden van de mens kan vergroten en de status quo eigenlijk bevestigen. Dat is de reden dat sommige mensen een houding van cynisme eerlijker vinden.
Maar wat is officieel het andere uiterste? Dat is inderdaad een te veel aan hoop. Je kunt op iets hopen dat onmogelijk is of onze hoop niet waard is. Je kunt ook hopen op de verkeerde gronden, zoals Aristoteles al opmerkte in de Ethica Nicomachea. Je kunt bijvoorbeeld hopen dat iets je gaat lukken, louter omdat je tot nu toe veel geluk hebt gehad in het leven. In Prometheus geboeid, een van de Attische tragedies van de beroemde Griekse dichter Aischylos, zegt Prometheus al dat hij de „blinde hoop in het hart van de mens heeft geplant”. Wanneer Nietzsche cs. dus wijzen op de gevaren van hoop, doelen ze eigenlijk op dat kwade uiterste van hoop: het ongefundeerde, ongewortelde en opgeblazen idee van hoop.
Nu duidelijk is hoe ook de deugd van hoop een gebalanceerd midden is tussen twee uitersten, kunnen we nader verkennen waarom hoop wel degelijk de slotsteen van de deugden is. En waarom het ook zo’n moeilijke deugd is om goed te beoefenen.
Dat geldt voor ons persoonlijke leven, bijvoorbeeld wanneer je relatie in zwaar weer terecht is gekomen of je getroffen wordt door een ernstige ziekte. Hoop kan je dan gaande houden, maar kost wel inspanning. Maar spes is minstens zo relevant als publieke, politieke emotie. Waarom? Omdat hoop misschien wel de belangrijkste bron van alle verbeelding is. De Amerikaanse psycholoog Barbara Frederickson onderzocht hoe hoop juist ontluikt en bloeit in tijden van crisis. In crisistijd is sprake van onzekerheid en verlies van controle. Dan is hoop de enige faciliteit die ons via de weg van de creatieve verbeelding nieuwe mogelijkheden voorspiegelt.
Hoop is de motor die ons gaande houdt in duistere tijden. Je kunt wel waarde hechten aan de democratie, mensenrechten en het internationaal recht – en de meeste Europese politici doen dat ongetwijfeld ook. Maar pas als je hoop hebt, vertaalt zich dat via verbeelding naar concrete actie. Neem de situatie van Europa in een wereld vol dreiging. We hebben onze militaire capaciteiten verwaarloosd, we lopen ernstig achter in de AI-race, de Europese economie kwakkelt en radicaal- en extreem-rechtse partijen zijn in opkomst. Het is daarom heel makkelijk om alleen maar kritisch en cynisch te zijn. Hoop leert ons dat er evenwel een visie, een creatief plan nodig is om als Europa de samenwerking en innovatie weer op gang te krijgen.
Hoopvolle verbeelding kan putten uit eerdere voorbeelden: het is eerder gelukt, in de tijd van de financiële crisis, de vluchtelingencrisis en de COVID-crisis. Hoop kan ook – zeker als meer mensen het gezamenlijk doen – tot nieuwe vergezichten en voorstellingen leiden. De hoop dat we er samen, met behoud van democratie en rechtsstatelijkheid uit kunnen komen gaf politici zoals Angela Merkel, Sanna Marin en Yanis Varoufakis in 2008, 2011, 2015 en 2020-2023 de kracht om zeer heterodoxe plannen te maken, waarmee ze de crisis ook daadwerkelijk te boven kwamen.
Maar nu het complexe. Hoop als motor van verbeelding is een krachtige, misschien wel de meest krachtige ‘tool’ in handen van politieke leiders. Maar die leiders kunnen dat instrument ten goede of juist ten kwade aanwenden, zoals de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza in zijn Tractatus theologico-politicus reeds betoogde. Barack Obama’s ‘Yes we can’ was in 2008 een voorbeeld van goede hoop voor een deel van de bevolking. Trumps ‘Make America Great Again’ was dat voor een ander. Maar in die laatste versie van hoop zat veel meer dystopie en duisternis. De verbeelding van MAGA was ‘American carnage’. Dat was een voorgespiegelde, verbeelde desastreuze toekomst. Hoop brengt mensen in beweging, maar angst en rancune doet dat ook.
Het gevaar en de complexiteit van hoop is, dat als het niet goed de balans houdt (zie boven), en als het niet gevuld is met de waarden die de andere klassieke deugden ons aanreiken (zie eerdere afleveringen in deze reeks), hoop kan omslaan in apathie, cynisme, hubris, of zelfs radeloze angst. Want hoop is geen rustig bezig zijn. De klassieke Griekse mythologie vertelt ons dat Pandora haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en de door de goden gegeven kruik opende, waarop alle rampen, ziekten en zorgen de wereld in vlogen. Ze deed ’m snel weer dicht en zo bleef alleen de hoop in de kruik zitten.
De mens, zo was de mythe, blijft altijd enige hoop koesteren. De 18e eeuwse Engelse Schrijver Alexander Pope dichtte ook al: „Hope springs eternal in the human breast, Man never is, but always to be blest”. Maar helaas. De mythe blijft een mythe. De idee dat de mens van nature een hopend wezen is, dat is echt ongegrond optimisme. Hoop kan vervliegen, en kan juist het slechtste in de mens naar boven brengen.
Het gaat er dus om hoe je hoopvol bent, hoe je naar de toekomst reikt, en hoe je die hoop verankert. Van de drie klassieke symbolen voor hoop – de zwaluw, de duif en het anker – is die laatste daarom het beste. De zwaluw komt en gaat met het weer, de duif is niet in onze handen maar wordt in het verhaal van de ark van Noach door God gezonden, maar hoe we en waar we het anker uitgooien, dat is aan ons. En daarom is hoop geen waarde, geen constante, maar iets waarvoor we kunnen kiezen, een verantwoordelijkheid.
Hoe doen we dat dan, zo hopen dat we niet in een van de uitersten vervallen? De Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas geeft daarvoor een belangrijke clue als hij in zijn boekje The Character of Virtue schrijft: „Cynicism is the form that hopelessness takes among a people who no longer believe they’re part of a story that gives them hope.” En dat is precies wat bij Van Dantzig en Nietzsche gebeurde (van Wieringa weten we het niet en die is ook niet cynisch maar ‘alleen’ maar optimistisch). Ze zetten zich af tegen de verhalen van anderen. Achtten zichzelf superieur. En bedachten een verhaal dat om hun eigen overleven, of om de eigen ‘Wille zur Macht’ draaide. Maar dat soort verhalen kunnen een samenleving of een gemeenschap als geheel geen hoop geven.
En dat brengt ons terug bij de andere klassieke deugden. We hebben in deze reeks er steeds weer op gewezen dat de deugden niet los te verkrijgen zijn. Je kunt niet moedig zijn zonder wijs, niet vol geloof zonder vertrouwen, en niet rechtvaardig zonder bedachtzaam, en zo kun je ook niet hoopvol zijn als je een of meer van die andere deugden aan je laars lapt. Dan zit je niet op het midden van die klassieke as. Dan ben je te vol van jezelf (overdreven hoop op eigen kunnen), of te liefdeloos en te negatief over anderen. Er zijn tegenwoordig talloze verhalen, overtuigingen en theorieën die in de publieke en politieke ruimte de ronde doen en die ons naar de toekomst wijzen. Maar in hoeverre zijn die verhalen geënt op álle klassieke deugden?
Sciëntistische verhalen zeggen dat we simpelweg evolutionaire wegwerpproducten zijn. Neoliberale verhalen reduceren de mens tot producent, koper of verkoper. Complotverhalen maken onszelf tot slachtoffer en de ander tot duistere dader. Radicale woke-verhalen zetten mensen in het verdomhoekje op basis van hun kleur of gender. In Dante Alighieri’s De goddelijke komedie staat boven de port van de hel: „Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.” Een van de ergste dingen die je kunt doen, is mensen hun hoop ontnemen, de hoop op een ander, beter leven. En dat is precies wat veel van die verhalen doen: ze bieden slechts een bepaald soort mensen een betere toekomst, maar sluiten minstens zovele andere uit.
Het is dus de kunst om, in samenhang met de andere deugden, verhalen te vertellen die hoop geven aan de gemeenschap als geheel. Dat hoeft niet één verhaal te zijn, het kunnen er ook meerdere zijn. Maar ze delen wel een paar kenmerken. Ze laten ruimte voor onze morele en intellectuele verantwoordelijkheid. Ze benoemen goed en kwaad, maar stimuleren ook de verbeelding om het beste te zoeken. Ze doen recht aan de metafysische veelzijdigheid van de werkelijkheid. Ze laten een vorm van bescheidenheid en nederigheid richting ons verleden doorschemeren, alsook richting onze voorouders, omdat wij niet het wiel hoeven uit te vinden, en omdat wij in onze tijd net zo goed fouten maken als zij in hun tijd. Ze combineren het grote (de geopolitiek) met het kleine (de lokale bushalte). Ze wakkeren in ons de amor mundi aan, om te vragen: wat kan ik concreet doen? Wat moet ik voor de toekomst verlangen voor mijn gemeenschap?
In haar boek Het kleine meisje van de hoop vertelt de Nederlandse theoloog Margriet van der Kooi hoe de Franse schrijver Charles Péguy zich verbeeldde dat hij op de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog een klein meisje aan zag komen wandelen, hand in hand met haar grote zussen Geloof en Liefde. Eerst leek het erop dat de zussen het kleintje voorthielpen. Maar feitelijk was zij het die Geloof en Liefde richting wees.
Nog even over de Puttenaren van Van Dantzig. Omdat zij een verhaal hadden dat zij deelden met de inwoners van het Duitse dorp waar de Puttense mannen in het kamp waren omgekomen, waren de weduwen en wezen van Putten in staat meteen al na 1945 die Duitsers de hand te reiken. En daarom kwam al in de jaren vijftig, ver voor alle Wiedergutmachungen en gezamenlijke herdenkingen, op kleine schaal een toenadering tot stand die in het teken stond van de gezamenlijke hoop en opdracht om aan vrede te werken. En aan een toekomst waarin „alle tranen van de ogen zouden zijn afgewist” (Openbaringen 21:4), zoals op een gedenksteen in Putten en in Duitsland werd gebeiteld.
Dit is de laatste aflevering in de serie over politieke deugden van Beatrice de Graaf en Rik Peels
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet