Toen David Foster Wallace in 2008 overleed, volgde eerst een heiligverklaring. Later werd hij een giftig geval. Hoe hangt de vlag erbij nu Eindeloos vertier verschijnt?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
De eerste keer dat duidelijk werd dat je het leven – of eigenlijk: de dood – van David Foster Wallace als iets anders kon zien dan alleen als tragisch, was waarschijnlijk in het essay van zijn beste vriend: Jonathan Franzen.
In het voorjaar van 2011 beschreef Franzen in The New Yorker hoe hij naar een onbewoond eiland vertrok, op 800 kilometer van de kust van Chili. De Chilenen noemden het blijkbaar ‘Masafuera’ – verder weg. Bij zich had hij Wallace’ as.
Reputaties veranderen continu. In deze rubriek kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
Hoe ga je om met niet alleen de dood, maar ook nog eens de zelfgekozen dood van een oude vriend? Franzen had dat mannelijke mannending gedaan en zich op zijn werk gestort.
Maar dat werk was af, zijn roman voltooid, en nu richtte hij zich verdrietig en liefdevol en boos op de dood. Franzen wilde zich niet verzetten tegen het narratief dat sinds Wallace’ dood door het literaire establishment was opgetuigd: dat Wallace een national treasure was, de stem van een generatie (hetzelfde literaire establishment dat hem nooit op shortlist zette, voegde Franzen toe).
Maar Wallace (1962 -2008) was complexer dan dat, dacht Franzen. Grappiger, liefhebbender, minder zelfserieus, meer behoeftig, meer verloren. Niet alleen zijn verslaving aan drank brak Wallace op, maar ook zijn verslaving aan complimenten, aan bewondering. Hij zocht liefde en als hij het kreeg overtuigde hij zichzelf dat hij het niet waard was.
En zo kon Franzen meerdere manieren verzinnen om de dood van zijn beste vriend te interpreteren. Als een laatste daad om te bewijzen dat hij die liefde niet verdiende. Maar ook: als een ijdele poging – want zo gaat dat met kunstenaars die zelfmoord plegen – tot iconisering, tot ‘suicide as a career move’.
Toen het nieuws van David Foster Wallace’ overlijden bekend werd, in september 2008, kraakte de literaire wereld van verdriet. En daaropvolgend: van bewondering.
Zo’n beetje elke essayist essayeerde boekenbijlagen vol over de betekenis van zijn werk, over zijn spitsvondigheid, zijn idiote woordenschat, zijn analyses van de entertainmentverslaving van Amerika, van het narcisme en de oppervlakkigheid van de politieke en culturele klasse, over ironie en het zelfbewustzijn dat als een molensteen om de nek van jongeren hangt en ze weerhoudt van het leven te genieten.
En over tennis, trouwens. God, wat schreef Wallace mooi over tennis. Journalisten gingen naar Roger Federer toe om te vragen of hij wel eens Wallace’ essay over hem had gelezen (‘Federer als religieuze ervaring’) en Federer werd er verlegen van.
Dood werd hij een nog grotere schrijver dan levend. Zijn nooit helemaal voltooide maar toch gepubliceerde roman The Pale King, over een medewerker van de belastingdienst, haalde nu wel de shortlist van de Pulitzerprijs. Aan Wallace’ lezing ‘This is water’ voegde zijn uitgever zo veel witregels toe dat het als boekje kon worden uitgegeven.
Die lezing, voor de studenten van Kenyon College in 2005, had sowieso een goeroe-achtige lading: een vis zwemt voorbij twee jongere vissen en zegt: ‘Morning, boys, how’s the water?’ Waarop de twee jongere vissen tegen elkaar zeggen: ‘What the hell is water?’
Wallace bedoelde te zeggen dat het moeilijk genoeg is in het leven, druk en vol als het is, om aandacht te geven aan dat leven, om te zien wat belangrijk is, wat eerlijk is, wat waardevol is. ‘This is water’ was zo’n zin die je opeens getatoeëerd op polsen zag voorbijkomen. Wallace werd een heilige.
En, want zo is onze cultuur, heiligen worden ontheiligd. Het was niet zo dat Franzens essay de eerste steen was. Daarvoor was het te liefhebbend. Maar het liet wel zien dat Wallace niet alleen een tragische, meelijwekkende heilige was.
Daarna kwamen er ex-geliefden en mensen die met Wallace gewerkt hadden tevoorschijn, en het lijdend voorwerp van zijn obsessieve persoonlijkheid waren geweest. In hun memoires was hij kleinzerig, ijdel, opdringerig op het stalkerige af. Rode vlag.
De reputatie van Wallace sloeg om; van iemand die schreef over narcisme, tot iemand die zelf het grootste voorbeeld van een narcist was. Alleen al het gegeven van Eindeloos vertier kon tegen hem worden gebruikt: Wallace wil dat je zijn boek van bijna 1.200 pagina’s leest? Wat? Denkt hij dat we niks beters te doen hebben? Was zijn notoire intelligentie geen showing off?
In de London Review of Books schreef Patricia Lockwood in 2023 over Eindeloos vertier: ‘Het is alsof je iemand op het laatst mogelijke moment door de puberteit ziet gaan. Het leest alsof hij nog nooit seks heeft gehad. Je krijgt het gevoel dat hij niet alleen geen drugs zou mogen nemen, maar dat hij niet eens Diet Pepsi zou mogen drinken.’
Patricia Lockwood is vaak een van de slimste en grappigste essayisten om te lezen, maar hier besprak ze niet zijn boek. Ze besprak zijn imago.
Nu is er een nieuw David Foster Wallace-moment. De heiligheid is voorbij. De backlash is ook uitgebrand. De eerste Nederlandse vertaling door Robbert-Jan Henkes, jaren in the making, is een moment om de waarde opnieuw te peilen.
The New Yorker had eerder deze maand een stuk over de dertigste verjaardag van Infinite Jest. Als medicijn tegen onze verslaving aan plat vermaak diende het boek zich aan als tegenverslaving, schreef de recensent: een mogelijkheid onze diepere aandacht te verleggen naar iets langs, iets ingewikkelds, iets intelligents. Niet een dik boek om opschepperig in het openbaar te lezen, maar een dik boek om weer eens onze discipline te testen.
Vijftig euro kost het boek. Dat lijkt veel. Maar met 1.176 pagina’s onvergelijkbaar proza ga je dat geld dubbel en dwars terugverdienen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant