Veel van wat Leïla Slimani in Het land van de anderen schrijft heeft raakvlakken met haar eigen geschiedenis. Maar vraag haar niet wat waar is en wat niet. ‘Ik hou niet van romans die je bij de hand nemen en alles uitleggen. Dan hou je de lezer voor een imbeciel.’
Interviews moeten voor Leïla Slimani paradoxale ervaringen zijn. Als gevierd schrijver reist ze over de hele wereld de vertalingen van haar jongste boek achterna, ervaring heeft ze te over. Tegelijk is er een stijlkenmerk dat in al haar boeken terugkeert: Slimani (1981) laat graag veel ongenoemd. Ze schrijft met sprongen naar voor, naar achter en opzij. Personages duiken op, verdwijnen, komen terug of worden voorgoed onzichtbaar.
In de trilogie Het land van de anderen, waarvan onlangs het derde deel, Neem het vuur mee, verscheen, vertelt ze het verhaal van drie generaties familie Belhaj. Daarin gebeurt dat aan de lopende band. Hoe grootvader Amine erin slaagt zijn armetierige boerderij in de buurt van Meknes in Marokko uit te bouwen tot het welvarende Domein Belhaj, we weten het niet. Hoe oom Selim in New York belandt en een bekend fotograaf wordt, geen idee. Hoe oudoom Omar, die bij de geheime dienst is, aan zijn einde komt, hoe het verder gaat met Dragan Pelosi, die zorgzame huisvriend van de familie Belhaj, of met Monette, de hartsvriendin van Aïcha, ze vertelt het niet.
‘Ik wil niet alles klaarleggen voor de lezer’, zegt Slimani als daarnaar wordt gevraagd. ‘Ik hou ervan als die zelf in zijn hoofd het verhaal afmaakt.’ Voor wie zo schrijft, moeten al die om opheldering vragende gesprekken een mijnenveld zijn. Tegelijk is Slimani inmiddels zeer ervaren als geïnterviewde. Ze antwoordt snel, zonder enige aarzeling en in compacte blokken tekst.
Ze was gast op het Haagse festival Writers Unlimited. Op een salontafeltje in een zaaltje van haar hotel ligt de Nederlandse vertaling van deel drie van die werkelijk magistrale trilogie. De omslag daarvan roept meteen al twee vragen op. Allereerst de titel. In het Nederlands werd dat Neem het vuur mee. Klinkt logisch, het is wat vader Mehdi zijn dochter Mia opdraagt als die Marokko wil verlaten: neem het vuur mee, het vuur van je brandende ambitie.
In het Frans, de taal waarin Slimani schrijft, heet het boek J’emporterai le feu. Letterlijk: ik zal het vuur meenemen. Hier belooft de dochter alvast de opdracht uit te voeren, wat bijna letterlijk het motto van het boek is, ontleend aan de kunstenaar Jean Cocteau. Op de vraag ‘Als uw huis in brand stond, wat zou u meenemen’, gaf hij als antwoord: ‘Ik zou het vuur meenemen.’ Opdracht of vraag, wat vindt ze beter?
‘Het is een prachtige daad dat de vader de vrijheid van zijn dochter belangrijker vindt dan dat zij bij hem blijft’, zegt Slimani. ‘Het ouderschap heeft iets tegenstrijdigs. Je voedt je kinderen op zodat ze je kunnen verlaten om het vuur naar elders te brengen. Die opdracht schuilt in het hart van alle gezinnen. Je wilt dat je kinderen uitvliegen, tegelijk zijn het de mensen van wie je het meest houdt. In de Franse titel zit een uitnodiging, een programma voor de toekomst en het verlangen niet opgesloten te blijven in het verleden. Verandering is het wezen van de condition humaine. Dus denk ik dat beide titels passen bij wat ik wilde vertellen.’
Veel van wat Slimani in de trilogie vertelt heeft raakvlakken met haar eigen geschiedenis en die van haar familie. Met die autobiografische elementen speelt ze een verwarrend spel. Er is een grootmoeder uit de Elzas, Mathilde, die in de Tweede Wereldoorlog valt voor Amine, een Marokkaanse soldaat uit het Franse leger, en met hem naar Marokko gaat, waar ze een boerderij beginnen. Er is een moeder, Aïcha, die arts is in Rabat, en een vader, Mehdi, die zich van marxist tot hoge bankier ontwikkelt, later op grond van vage verdenkingen wordt opgesloten en postuum wordt gerehabiliteerd. Dat zit heel dicht tegen haar eigen familiegeschiedenis aan. Zo is Mia, de belangrijkste vertelstem, net als Slimani schrijver, al zijn er ook wezenlijke verschillen tussen hen. Om de verwarring te vergroten staat er een foto van Slimani als jong meisje op de omslag.
‘Ik hou van die verwarring’, zegt Slimani. ‘Het is alsof het over mij gaat, terwijl dat in feite niet zo is. Mia valt niet samen met mij, maar ik had Mia kunnen worden. Literatuur biedt ruimte voor vervalsing. Het is deels mijn eigen geschiedenis, maar het is ook een roman. Voor de omslag van de andere delen heb ik ook eigen foto’s gebruikt, al valt dat misschien minder op. Omdat mijn moeder mopperde dat ze op het eerste deel staat, vond ik het redelijk ook mezelf zo’n plek te geven. Die foto is gemaakt op Montmartre, bij de Sacre Coeur. Ik was 18, net in Parijs aangekomen om te gaan studeren.’
Uw moeder figureert niet graag in uw boeken, zo lijkt het. Of zoals Aïcha het op zeker moment tegen haar dochter zegt: nu moet het afgelopen zijn met die roman, ik verbied je om in mijn hoofd te kruipen!
‘Ze houdt er niet van. Maar ze begrijpt en accepteert het. Als ik het nodig had dit te schrijven, en het tot iets moois leidt, vindt ze dat ze het moet accepteren. Omdat literatuur boven haar persoonlijke voorkeuren moet gaan.’
Laat u haar de passages lezen waarin ze voorkomt?
‘Ik laat haar het manuscript lezen en zeg: laat maar horen als ik iets moet veranderen. Ze neemt altijd veel tijd om te lezen en dat maakt me enorm zenuwachtig. Dan geeft ze het manuscript terug met allerlei onbegrijpelijke aantekeningen. Toch hoef ik van haar nooit iets te veranderen. Haar verhouding met mijn boeken is vreemd, het is blijkbaar moeilijk uit te leggen wat ze ervan vindt. Ze wil niet de moeder zijn die dingen verbiedt en ik geloof dat ze respect heeft voor mijn werk. Ik zou haar er graag over ondervragen en daar dan over schrijven. Wat haar vooral stoort is de reactie van mensen die op straat naar haar toekomen en willen weten wat waar is en wat niet.’
Wist u vanaf het begin dat het een trilogie zou worden?
‘Er is iets met het getal drie waardoor het perfect lijkt. Ik kan dat niet uitleggen. Dat het om drie generaties gaat, maakt het organisch. Een kind leeft met zijn ouders en kent doorgaans zijn grootouders. Die maken deel uit van elkaars bestaan. Toen ik begon had ik scènes in mijn hoofd waarvan ik wist dat die in de trilogie zouden komen. Zoals de scène met Mehdi in de gevangenis, waar zijn medegevangenen hem als een heer zien. Maar de structuur is geleidelijk ontstaan, ik wist niet welke bijfiguren zouden opduiken.
‘Om plezier in het schrijven te hebben, wil ik elke schrijfdag verrast worden: ah, dus dat gaat hij doen, oh, dan wordt hij verliefd en raakt in de war...’
Grootmoeder Mathilde zegt op een zeker moment: een schrijver moet niet in de spiegel kijken, hij moet er doorheen stappen. Heeft ze gelijk?
‘Dat staat voor een bepaalde visie op de literatuur. Of ze gelijk heeft, betwijfel ik, omdat literatuur aan alle definities moet ontsnappen. Mathilde heeft een beperkte verstandhouding met literatuur. Voor haar is het niet iets waarmee je naar jezelf kijkt. Tegelijk is die metafoor van de spiegel treffend. Dat idee van in een gat tuimelen om in een andere wereld terecht te komen, vind je bij Alice in Wonderland, of in De tovenaar van Oz. Je passeert een grens en belandt in een andere dimensie, die niet minder waar is. Als je leest kun je ook door die spiegel gaan. Dan ben je in het Rusland van de 19de eeuw, zit je naast graaf Vronski of zijn geliefde Anna Karenina.
‘Mathilde maakte de oorlog mee, ze is van de generatie die niet van narcisme houdt, van grote sentimenten. Voor haar was over jezelf en je problemen praten onbeleefd. Marguerite Duras of James Baldwin bevallen haar niet, omdat die altijd over zichzelf en hun gevoelens schreven. Ik ben daar juist gek op.’
In de proloog vertelt hoofdpersoon Mia over een door corona veroorzaakte grote vermoeidheid, die geheugenverlies teweegbrengt. Waarom begint u het boek met die zijsprong?
‘Het is een boek over herinneringen, over iemand die wil weten waar ze vandaan komt, zich een beeld wil vormen van de generaties voor haar. Wat herinneren we ons, wat zijn de grenzen van herinnering? Moet je niet ook kunnen vergeten? Ik heb het gevoel dat we in een crisis van de herinnering verkeren, dat er te veel verleden is en te weinig toekomst. We zijn geobsedeerd door een verhouding tot een verleden vol leugens en illusies. In die toestand moest het personage verkeren, als metafoor voor de instabiele tijd waarin we leven. Het gevoel van in een mist rond te dwalen, niet meer weten waar je vandaan komt of waar je heen gaat.’
Was die vermoeidheid ook autobiografisch?
'Ik ben heel vermoeid geweest door corona, maar niet zoals Mia. Mijn geheugen is sowieso slecht, ik vergat zoveel dat ik me zorgen ging maken. Een uitzonderlijke arts heeft me de werking van de hersenen uitgelegd, ongeveer zoals ik dat in het boek beschrijf. Hij zei: u bent niet alles vergeten, maar u leest zo veel en er wordt zo veel van u gevraagd dat uw herinneringen bedolven zijn.’
‘Om te herinneren, moet je capaciteit beschikbaar hebben. Als je elke ochtend wakker wordt met de radio, dan een boek leest, een film kijkt, dan legt dat een groot beslag op het geheugen. Het geheugen is van zichzelf al een romancier. Het maakt keuzes, vergeet het een en onthoudt het ander. Onze herinneringen, en dus onze identiteit, zijn als een vertelling.’
Is het daarom dat uw trilogie zo springerig is, met grote stappen in de tijd, met personages die verschijnen en verdwijnen?
‘Als lezer hou ik van ellipsen, omdat ik dan actief kan zijn. Mijn verbeelding wil de roman in om verhalen af te maken, die wil zich de omgeving voorstellen, de kleren en het gezicht van een personage. Ik hou niet van romans die je bij de hand nemen en alles uitleggen. Dan hou je de lezer voor een imbeciel. Er moet ruimte zijn voor twijfel en onbegrip, in het leven weet je ook nooit precies wat de ander denkt, waar hij geweest is. Literatuur is allergisch voor totalitarisme. Ik hou van de gedachte dat de lezer een deel van mijn boek schrijft.’
De zussen Mia en Inès zijn in hun jeugd water en vuur. Later krijgen ze een heel goede verstandhouding. Is dat een voorbeeld van zo’n ontwikkeling die u niet uitlegt?
’Ze hebben samen beproevingen doorstaan, hun vader in de gevangenis zien belanden. Als je klein bent, trek je elkaars haren uit, je verafschuwt elkaar, je bent jaloers. Iedereen die een broer of zus heeft, weet dat die relatie later heel anders kan worden. Dan begrijp je dat het de beste vriend of vriendin is die je ooit zult vinden. Ook daarin moet je op de intelligentie van de lezer vertrouwen om het verhaal af te maken.’
Wat was het vertrekpunt voor uw trilogie: wilde u schrijven over het naoorlogse Marokko, of vooral over de familie?
'Uiteindelijk toch vooral over de familie. Maar met de gedachte dat die familie een verankering in Marokko heeft en dat het een beetje outcasts zijn, een familie die niet in een vakje past. Het zijn geen goede Fransen en ook geen goede Marokkanen.’
Hebt u door deze boeken uw eigen familie beter leren kennen?
‘Uiteindelijk lijken alle families op elkaar. Ze komen voor vergelijkbare vragen te staan. Ik ben de familie als instituut beter gaan begrijpen, maar niet per se mijn eigen familie. En begrijp beter waarom ik me soms op een bepaalde manier gedraag. Ik heb bijvoorbeeld een heel beschermende moeder, wat vaak lastig was. Maar als moeder van jonge kinderen doe ik precies hetzelfde.’
Het is geen gewone familie die u beschrijft. Grootvaders boerderij wordt een landgoed, vader is topambtenaar, moeder is arts als er nog amper vrouwelijke artsen in Marokko zijn. Gewone mensen, landarbeiders, middenstanders, schoonmakers, komen alleen in de marge aan het woord.
‘Ik vertel over de familie van Fatima, de hulp in de huishouding, En over Mouilala, de moeder van Amine. Bovendien: Amine en Mathilde, de grootouders, zijn aan het begin van de trilogie arme mensen die op een vijandige aarde een bestaan moeten veroveren. De volgende generatie krijgt door studie een beter leven en ook de grootouders worden bourgeois. Hoe je bourgeois wordt, dat interesseert me. Als je van de ene klasse naar de andere gaat, is dat als een emigratie. Je manier van spreken verandert, de sociale codes – je wordt een vreemdeling. Zoals de moeder van Mehdi, die zelf nooit leerde schrijven, voelt dat haar zoon haar ontsnapt als hij carrière maakt.’
De grootouders veranderen van klasse, maar houden een sterke identiteit, de een als Française, de andere als Marokkaan. Hoe is dat voor u?
‘Ik leef als een nomade tussen Lissabon, waar ik woon omdat ik behoefte aan meer rust had, en Parijs, waar mijn zussen wonen. Ook ga ik vaak naar Rabat om mijn moeder te zien. Ik voel me nergens echt geworteld, maar identiteit heeft voor mij niet zoveel met vaderland of etniciteit te maken. Ik ben dochter van mijn moeder, moeder van mijn kinderen, schrijver en nog veel meer. Mijn identiteit is steeds in beweging en moeilijk te grijpen. Misschien is het daarom dat ik schrijf.’
Seks, liefde en sensualiteit spelen een grote rol in de trilogie. Al in de derde zin brengt Mia haar gezicht naar de vulva van haar bedpartner om uit te vinden of haar reuk nog werkt.
‘Mia heeft een angstaanval, vertrouwt niet op haar zintuigen en gaat op zoek naar iets om te ruiken. Voor mij is een personage eerst en vooral een lichaam, dat eet en drinkt en kotst en de liefde bedrijft en het koud heeft. Personages zijn niet onstoffelijk, het zijn geen geesten. Voor mij is dat een natuurlijke daad. Als vrouw, als Arabier of als zwart persoon vraag je je af: waarom wordt er zo op mijn lichaam gereageerd?’
Mia is schrijver, net als u. Maar haar geaardheid is anders: ze valt op vrouwen. Wilde u laten zien hoe het is om in Marokko als lesbienne op te groeien?
‘Ik wil helemaal niets laten zien, zo komen mijn personages niet tot stand. Sommige figuren gaan al lang met me mee. Ik kende Mia voordat ik aan de trilogie begon. Toen was ze al zo. Ze bestaat echt voor me, ik zie haar lichaam, haar hoofd. Ik heb altijd veel homoseksuelen in m’n omgeving gehad. Als jong heteroseksueel meisje in Marokko dat behoefte had aan seks waren dat de mensen met wie ik me het meest verwant voelde, omdat je het gevoel deelde van een verboden en onmogelijke seksualiteit. Misschien is Mia daaruit voortgekomen. Nu voer ik met het collectief #Hors-la-loi actie voor het uit het strafboek halen van homoseksualiteit.
‘Natuurlijk bestaat er homoseksualiteit in Marokko. Dat is altijd zo geweest, in de muziek, de literatuur, in alle milieus. Er is zoiets als homoseksuele erotiek voor jonge mannen voordat ze seks met een vrouw kunnen hebben. Sonia Noor, een beroemde zangeres, was soldaat en is van geslacht veranderd. Er zijn koppels van vrouwen of mannen die min of meer geaccepteerd samenleven. Maar werk je ooit iemand op de zenuwen, dan kan je geaardheid tegen je worden gebruikt. Moslimsamenlevingen zijn niet minder complex dan het Westen.
’Marokko laat wel als een van de weinige landen in de regio vooruitgang zien, ook op cultureel gebied. Er ontstaat een nieuwe generatie die wat te vertellen heeft. Ik zag een klassement van de studenten per land op Harvard, op de Universiteit van Shanghai. Dat zijn veel Marokkanen, en vooral vrouwen. Het probleem van Marokko is de kloof tussen de middenklasse en de grote armoede. Het opleidingsniveau stijgt, maar de werkloosheid is groot. Maar er is veel hoop, en veel energie.’
Leïla Slimani: Neem het vuur mee. Uit het Frans vertaald door Gertrud Maes. Wereldbibliotheek; 368 pagina’s; € 24,99.
1981 Op 3 oktober geboren in Rabat, als dochter van Othman Slimani, die bankier is, en Béatrice-Najat Dhobb Slimani, arts.
1999-2004 Studeert politicologie in Parijs.
2008 Journalist voor tijdschrift Jeune Afrique.
2014 Debuteert als schrijver met In de tuin van het beest.
2016 Wint Prix Goncourt met Een zachte hand.
2017 Ambassadeur francofonie (Franstalige wereld) namens president Macron.
2017 Essay Sexe et Mensonges over seksualiteit in Marokko.
2020 Mathilde, het eerste deel van de trilogie Het land van de anderen.
2020 Prix Simone de Beauvoir voor haar strijd voor vrouwenrechten.
2022 Deel II van de trilogie: Kijk ons dansen.
2023 Voorzitter jury International Booker Prize.
2025 Deel III: Neem het vuur mee.
Slimani is getrouwd, heeft een zoon en een dochter en woont in Lissabon.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant