Hygiëne Pas als een rat zijn intrek neemt in haar huis, ontwaakt in Brigit Kooijman een drang tot schoonmaken. Waarom, vraagt ze zich af, werd ze zo’n sloddervos terwijl bij haar moeder altijd alles spic en span was?
Het begon met een aangevroten pot satésaus in de kelderkast. De knaagsporen waren grof, een muis kon het niet geweest zijn. Aan muizen in huis zijn we gewend. We vinden het niet leuk als ze aan ons eten komen of overal poepen, dus als het er te veel worden, laten we wat minder vuile borden slingeren en stofzuigen we vaker. Alleen die keer dat er ’s nachts eentje over mijn hoofdkussen liep, voelde als grensoverschrijdend gedrag.
Maar dit moest een rat zijn. Na de pot satésaus ontdekten we nog meer aangeknaagde verpakkingen, en keutels. ’s Avonds klonk er getrippel en geritsel achter de verwarming in de woonkamer. En in de keuken zag echtgenoot H. een keer langzaam, met kleine schokjes, een houten lepel achter de koelkast verdwijnen waarna er minutenlang een luid geknaag te horen was. Ik hou van dieren, maar deze grote, lawaaiige en onvoorspelbare indringer maakte me bang.
Op een nacht hoorde ik de rat scharrelen in de slaapkamer. Hij was bezig in de stellingkast met boeken en paperassen, en daarna hoorde ik hem met een flinke plof op de schoorsteenmantel springen. Toen het weer stil was, het was vijf uur ’s ochtends, pakte ik mijn telefoon en ging googelen. Het moest een eerlijk gevecht zijn, zonder vallen of gif, laat staan Rentokil. Ik bestelde een spuitbus met anti-rattengeur en ultrasone apparaatjes voor de auditieve afweer. Later op de dag kocht ik staalwol en ducttape om gaten en kieren te dichten.
En ik ging huishouden. Ik maakte alles schoon waar zich nog microscopische etensresten zouden kunnen bevinden, of zelfs maar een geur van voedsel. Plekken waar de rat zich kon verschuilen maakte ik leeg, spullen ruimde ik zoveel mogelijk op in afgesloten dozen. Om te beginnen in de slaapkamer. Behalve wijzelf komt daar nooit iemand, daarom had ik eerder nooit behoefte gevoeld om er op te ruimen of schoon te maken. H. evenmin, want de eerste etage is mijn afdeling, hij houdt de begane grond bij – dat is in de loop van de jaren zo gegroeid. Waarbij ik sinds de kinderen het huis uit zijn, en daarvoor ook al eerlijk gezegd, mijn deel vrijwel volledig laat versloffen.
Hoe anders is de huishoudmentaliteit van mijn moeder, Netty, negentig jaar nu. Niet dat ze plezier beleefde aan ‘poetsen’, zoals zij het noemt. Nooit heb ik haar horen zeggen dat de ramen weer mooi blonken of dat het zo lekker naar boenwas rook. En toch was ze uiterst fanatiek. In mijn herinnering zie ik haar dagelijks met een roodverhit hoofd door het huis trekken met de stofzuiger. Wanneer mijn broer en ik aan tafel een boterham gegeten hadden, stond ze, terwijl we onze laatste hap wegkauwden, klaar met een vochtig doekje om onze handen af te nemen, bang dat we de meubels plakkerig zouden maken. Nog steeds wast ze koffiekoppen en ontbijtbordjes na gebruik meteen af. Niet tegen de vliegen, maar omdat vuile afwas op het aanrecht ‘ongezellig’ oogt. Er zou eens onverwacht bezoek kunnen komen.
Hoe iets oogt, en dan vooral voor de buitenwereld, heeft Netty altijd erg belangrijk gevonden. Soms had ik medelijden met haar, zoals die keer dat ze, hoogbejaard al, een half uur op haar knieën het gootje van de wc-pot in de badkamer had zitten schuren. Haar zus had bij haar gelogeerd en haar misprijzend gewezen op de ‘urinesteen’. Ik wist niet eens wat het was.
Het lukte mijn moeder lang niet altijd om mijn vader, Cees, tevreden te stellen. Hij mopperde als hij ’s ochtends geen gestreken overhemd kon vinden of als er bij zijn thuiskomst ’s avonds nog speelgoed op de grond lag. Ze verzuchtte vaak dat ze een ‘slechte huisvrouw’ was. Ook omdat ze niet graag in de keuken stond, zoals haar eigen moeder, die op haar oude dag nog zelf brood bakte en zure zult maakte. Maar vooral omdat ze naar haar eigen idee in gebreke bleef (het kon altijd schoner, opgeruimder, ‘gezelliger’), terwijl ze maar twee kinderen had. Haar moeder had er acht.
Het idee een ‘goede huisvrouw’ te willen zijn, heeft Netty’s leven gedomineerd op een manier die mij al jong deed verlangen naar een volledig ander bestaan. Dat verlangen is uitgekomen, het huishouden – schoonmaken, vooral – is in mijn leven vrijwel altijd de allerlaatste sluitpost geweest. In zekere zin een bewuste keuze, maar ondertussen kon ik mijn opvoeding en de bekrompen maatschappelijke normen op huishoudelijk gebied nooit écht van me afschudden, een full-fledged non-conformist ben ik nooit geworden. Ergens diep van binnen zat altijd nog een klein Hollands huisvrouwtje. Bij tijd en wijle eiste zij haar plaats op.
Kort voor de geboorte van ons tweede kind hielden H. en ik grote schoonmaak. Daar zat wellicht wat nesteldrang bij, maar we dachten toch vooral aan het kraambezoek dat we een beetje fatsoenlijk wilden ontvangen. En daarbij doel ik misschien wel in de eerste plaats op Netty. Want hoezeer ik ook niet wilde worden zoals zij, ik stelde toch prijs op haar goedkeuring.
Zodra ik bevallen was van onze zoon, stond zij als eerste voor de deur. Ik was in mijn nachthemd en op blote voeten de trap af gekomen, nog wat wankel zo kort na de bevalling, en hoorde haar in de keuken zachtjes praten met de kraamverzorgster, een lief meisje van een jaar of twintig. „Ja, zo is mijn dochter nu eenmaal”, zuchtte Netty. „Ik vind het heel vervelend, ook voor u, eigenlijk kan het natuurlijk niet zo, zeker niet met een baby in huis…” De kraamverzorgster mompelde iets instemmends.
We hádden opgeruimd en schoongemaakt, dagenlang, maar we hadden niet alles opgeruimd en schoongemaakt. Naar onze maatstaven was het keurig, maar het huis was niet volkomen vrij van stof en wie goed keek, zag nog vlekken en vegen. Er lagen krantenstapels in de woonkamer en op het aanrecht, het heilige aanrecht, stonden lege potjes voor de glasbak.
Mijn jongere broer, Jan, is wel netjes volgens Netty-normen. Als we wandelen en er komt wat modder op zijn schoenen, veegt hij die onmiddellijk met een zorgelijk gezicht weg. Zijn huis is ordelijk, al weet ik niet wat zijn aandeel daarin is; hij werkt fulltime en mijn schoonzus is veel thuis. Beslist geen ideologische keuze volgens hen, maar iets wat door omstandigheden zo is gegroeid. Waar ik benieuwd naar ben, is of Netty’s omgang met het huishouden bij hem ook op een of andere manier heeft doorgewerkt in zijn leven. Zonder er nu meteen een therapiesessie van te willen maken, moeten we het daar toch eens over hebben, zeg ik, en stuur hem een lijstje vragen. Of hij ook gemerkt had in onze jeugd dat Netty het heel belangrijk vond om ‘een goede huisvrouw’ te zijn, terwijl ze tegelijk een hekel had aan dat ‘poetsen’. Hoe hij aankijkt tegen de rolverdeling vroeger tussen Netty en Cees, en in hoeverre die hem heeft beïnvloed. Waarom hij denkt dat ik een sloddervos ben geworden en hij niet.
Aan het incident met de kraamverzorgster heb ik nog vaak teruggedacht. Netty schaamde zich voor mij, maar het was geen plaatsvervangende schaamte: het meisje mocht eens denken dat haar dochter zo’n smeerpoets was omdat zijzelf niet het goede voorbeeld had gegeven! Opruimen en schoonmaken voor ‘het bezoek’ stond me hierna meer tegen dan ooit. Maar ik deed het wel. De boel een beetje netjes houden voor mezelf, voor onszelf, dat lukte niet.
Maar nu was daar de rat, die schobbejak, die ervoor zorgde dat ik slecht sliep, gespitst op ieder ritseltje. Oordoppen hielpen niet, die vervormden de geluiden die H. en ik zelf maakten, zodat ik me een keer lam schrok van mijn eigen wimpers op het matras.
Hoe handig en slim het beest was, en hoe ongelijk de strijd als je die met faire middelen wilde voeren, bleek toen ik op een avond vergeten was om wat etenswaren op te bergen. Op tafel in de woonkamer had ik voor het slapengaan een boterham gesmeerd met boter, vegetarische worst en mosterd. Omdat ik ’s avonds de keuken meed – daar zat de rat dan steevast achter de koelkast hoorbaar zijn omineuze ding te doen – had ik lopen dralen en de spullen alleen opgestapeld. Het schaaltje boter had ik bedekt met het pakje vegavlees, en daarbovenop had ik de pot mosterd gezet. De volgende dag was het vegavlees weg, met verpakking en al (we hebben het nooit meer teruggevonden), en het schaaltje boter was leeggegeten. Eerst dacht ik dat het mijn door stress en slaapgebrek aangetaste vermogens waren. Want hoe kon een rat in ’s hemelsnaam die zware pot mosterd van zijn plaats krijgen? Totdat ik in het boterschaaltje pootafdrukken zag, twee maal vier parallelle streepjes, onmiskenbaar de nageltjes van zijn brutale rattenhandjes.
Ik ging door met opruimen en schoonmaken. Uit afkeer voor het duistere, angstaanjagende wezen, maar ook wel uit een primitief gevoel voor reinheid, dat, lang verstopt, in mij was ontwaakt. Zoals H. het formuleerde: in het verleden zijn hele steden door ratten gedecimeerd. Toen de netheid me begon te bevallen, haalde ik ook de schimmel weg in de douche, de aanslag in de wastafel en de vlekken op het raamkozijn in de slaapkamer. Ik boende het aangekoekte stof van de plinten van de slaapkamer, zodat de vrolijke gele verf weer tevoorschijn kwam.
Niet veel later volgde mijn beloning: een muis trippelde langs de frisgepoetste plint. Ik kon mijn geluk niet op. Uit mijn ratten-research had ik begrepen dat muizen door ratten uit hun territorium verjaagd worden. Met andere woorden: waar muizen zijn, zijn geen ratten. Deze slag had ik gewonnen.
Het wáre gevecht zal natuurlijk zijn om mezelf ook zonder rat in huis gemotiveerd te houden voor het huishouden. En om, als dat niet blijkt te lukken, voor eens en voor altijd niet alleen schijt te hebben aan de buitenwereld maar ook aan rommel en ranzigheid.
Ik zie een beetje op tegen het gesprek met mijn broer, bang dat hij me hysterisch vindt met mijn gemekker over het huishouden en de rol van onze opvoeding daarbij. Maar hij blijkt precies dezelfde herinneringen te hebben als ik aan Netty’s „dagelijkse struggle”, zoals hij het noemt. Je kon zien dat ze een goede huisvrouw wilde zijn, zegt hij, maar zelf voortdurend het gevoel had dat ze tekortschoot. „Ze wilde alles perfect doen, volgens de regels in de handboeken voor de huisvrouw, en volgens de normen die ze in de jaren vijftig geleerd had op de vormingsklas. Als Cees thuiskwam van zijn werk en vroeg hoe haar dag was geweest, voelde ze dat als kritiek, omdat ze bang was dat ze niet genoeg gedaan had.”
Dat ik óók een nogal moeizame relatie heb met het huishouden, vindt Jan bijna vanzelfsprekend. „Netty was jouw rolmodel toen je jong was. Als zij er meer ontspannen mee was omgegaan, zou jij je niet zo hebben hoeven afzetten.” Dat klinkt als een open deur, en ik wist het ook eigenlijk wel, maar ik begrijp het beter nu ik me realiseer hóe zwaar de last van dat huishouden voor haar was, en dat ik dus onmogelijk haar voorbeeld kon volgen. Hoe het dan wél zou moeten, heb ik nooit geleerd.
Zelf heeft Jan, niet verbazend, last gehad van de verwachtingen waaraan hij als man dacht te moeten voldoen: een ‘goede baan’ krijgen om later een gezin te kunnen onderhouden. „Ik had toen geen idee dat het ook anders kon, en van het concept ‘huisman’ had ik al helemaal nooit gehoord. Nu denk ik absoluut niet meer zo, en dat ik nu kostwinner ben is eigenlijk gewoon toeval, maar toch is dat oude gedachtenpatroon nog niet uit mijn systeem. Tegelijk voel ik me schuldig dat ik niet meer in het huishouden doe.”
Zo zal het bij mij misschien ook zijn, vermoedt hij, dat botsen van oude en nieuwe waarden in mijzelf.
Misschien is het wishful thinking, maar in de dagen na het telefoongesprek met mijn broer lijkt het alsof de bijna fysieke weerstand die ik voel als er huishoudelijk werk gedaan moet worden minder is. Ik ruim een doos met spullen op uit de slaapkamerkast, hij staat al weken in een vergeten hoek. En ik geloof dat ik het doe niet omdat het moet, maar omdat ik het wil.