Home

Eduards vrouw overleed 20 jaar geleden: ‘Veel te snel kreeg ik alweer een nieuwe relatie’

Zijn vrouw Heleen is twintig jaar geleden overleden en nog elke dag komt ze voor in de gedachten van haar man Eduard.‘Jij blijft niet lang alleen’, had ze gezegd. En dat klopte.

interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine

Eduard Mesritz (67, gepensioneerd reclameman): ‘Op 26 november 2005 om tien voor een ’s middags overleed mijn grote liefde Heleen op 44-jarige leeftijd na veertien maanden vechten tegen acute leukemie. Ze liet mij achter met onze twee dochters van toen 11 en 13, voor wie ik tot dan toe vooral ‘de man die op zondag het vlees snijdt’ was geweest. Nog elke dag komt ze voor in mijn gedachten, verhalen en herinneringen. Mensen zeggen wel tegen me: het is nu twintig jaar na dato, waarom heb je het er nog steeds over? Het antwoord is simpel: omdat het zo’n onderdeel van mij is. We hebben die twee meiden samen gekregen, ze samen opgevoed zo lang het duurde, ons leven is zo mooi geweest. Ik mis haar nog steeds.

‘In 2012 heb ik een boek geschreven over hoe wij als gezin de ziekteperiode en het overlijden van Heleen hebben beleefd. Ik, die al veel te snel een nieuwe relatie kreeg en daarbij mijn kinderen deels uit het oog verloor. En mijn dochters, die ieder op hun eigen manier het leven weer hebben opgepakt, maar die elkaar niet zoveel meer zien. Ze zijn nu 34 en 31, ik heb met hen allebei goed contact. Maar met ons drieën samen eten, hier, bij mij thuis in Velp? Nee, dat komt er eigenlijk niet van, dat is... ingewikkeld.

‘Heleen was een erg bijzondere vrouw. Niet omdat ze dood is, maar als je haar eenmaal had gezien, vergat je haar nooit meer. Ze was warm, gastvrij, had een natuurlijke uitstraling. Vanaf het moment dat ik haar zag, was ik tot over m’n oren verliefd en dat is altijd zo gebleven. Ik leerde haar in 1988 kennen aan boord van een Air Holland-vliegtuig toen ik terugreisde uit Israël, waar mijn zus was getrouwd. Heleen was stewardess. Ik vond haar bloedmooi en paaide haar met een weddenschap – iets met hoeveel bussen er bij de tussenstop zouden staan – waarbij ik altijd zou winnen: ik zou een drankje voor haar maken als ik zou verliezen, en anders zij voor mij. Ik heb het een week volgehouden om haar niet te bellen, maar daarna was er geen houden meer aan.

Foute boel

‘We streken neer in Bronkhorst. Mooi huis, allebei een leuke baan, we kregen twee dochters. En een grote, gezellige sociale kring; aan de jaarlijkse kermis, waarbij de mannen met oude wapens schieten en zo, deden we altijd actief mee. Het was op zo’n kermisdag dat Heleen zei: ik voel me niet lekker. De rest van de dag bleef ze binnen, een beetje grieperig, dachten we. Maar een paar dagen later lag ze als een dood vogeltje in bed. Ze had 41,5 graden koorts; naar het ziekenhuis, zei onze huisarts. Daar hoorde ik op de gang iemand in een witte jas zeggen: ‘het bloed is helemaal niet goed.’ Dat had op iedereen kunnen slaan, maar ik dacht meteen: Heleen. Het was inderdaad foute boel: acute leukemie, 96 procent blasten, dat betekent dat ze totaal geen weerstand meer had. Voor mij was vanaf dat moment duidelijk dat ze niet beter zou worden, noem het intuïtie. Toen vrienden een paar dagen later in het voorbijgaan vroegen: ‘Hoe gaat het met Heleen?’, ik stond in de voortuin, antwoordde ik: ‘Die gaat dood.’ Ik schrok er zelf van.

‘Ze heeft nog veertien maanden geleefd. Over haar einde hebben we het nauwelijks gehad, zij hield het op afstand. Pas op de donderdag voor de zaterdag dat ze zou overlijden, zei ze: ‘Ik moet de kinderen vertellen dat ik doodga’ – dat was de eerste keer dat ze het uitsprak. Ze had wel voor hen allebei een boekje gemaakt met verhalen en boodschappen. Een daarvan was: ‘Als papa een nieuwe vriendin tegenkomt, moet je hem dat gunnen.’ En tegen mij zei ze: ‘Jij blijft niet lang alleen.’ Ik ontkende dat bij hoog en bij laag, maar binnen drie maanden had ik weer een relatie, ze had gelijk, ik kon het niet alleen.

‘Het was de secretaresse van een bedrijf waar ik een klus deed, ik had vanaf dag één mot met haar. Zij droeg een korte rok, ik zei plagerig: breng jij de koffie rond? Nú kun je dat niet meer zeggen, maar tóén ook al niet, het was flirtgedrag natuurlijk. En zij beantwoordde dat, ze vond het leuk. Ze is al heel snel met haar drie kinderen bij ons ingetrokken – dat is een grote fout geweest. Zo’n samengesteld gezin is ontzettend ingewikkeld, zeker met twee rouwende kinderen. En mijn vriendin, die uit de buurt van Utrecht kwam, keek neer op Bronkhorst, zij vond ons maar boeren. Ik ben in de tijd van die relatie ontzettend veel sociale contacten kwijtgeraakt. De begrafenis van Heleen was bomvol, twee scholen waren dicht die dag, er was voor zeshonderd man suikerbrood – Heleen was een Friezin – en nog was het te weinig. Van al die vrienden en kennissen is nu nog hooguit een handvol over. Zo gaat dat als je niet meer dat succesvolle gezin bent, maar een man alleen. Want lang heeft het niet geduurd met mijn nieuwe vriendin: we pasten niet bij elkaar. Maar ik kon niet alleen zijn, ik liep tegen de muren op en had geen idee hoe ik in mijn eentje twee puberdochters moest opvoeden. En dan ben je bevattelijk voor iemand die lief en aardig is – in het begin, tenminste.

Steken laten vallen

‘Na drie jaar zijn we gescheiden. Financieel was het allemaal ook ongunstig, ik heb zelfs een tijdje aan de grond gezeten. En met mijn dochters is het niet altijd goed gegaan. De jongste heeft nog contact met haar stiefmoeder, de oudste niet, dat heeft ook tot verwijdering geleid. Ik reken het mezelf aan dat ik steken heb laten vallen. Ik had het allemaal zo graag veel beter gedaan.

In de tijd met Heleen was alles goed, harmonieus, daar kan ik goed op terugkijken. Al is zelfs dat beeld gaan wankelen, doordat mijn schoonmoeder, die me nooit heeft gemogen, eens zei: ‘Als Heleen beter was geworden, dan was ze van Eduard gescheiden, dat heeft ze mij verteld.’ Ik weet honderd procent zeker dat Heleen dat nooit gezegd kan hebben, maar toch, zo’n opmerking blijft hangen.

‘Sinds 2015 woon ik hier in Velp. Alleen, tenminste, met de poes, die echt een huisgenoot voor me is. Ik haal mijn geluk er nu uit dat ik iets voor een ander mag doen. Ik doe vrijwilligerswerk, ben voorzitter van een buurthuis en van een noodhulpbureau en ik coördineer bij een organisatie voor terminale mantelzorg. Plus, het allerleukste: voorlezen op vrijdagochtend voor peuters van 2, 3 jaar, die zijn zo open en spontaan. Ik doe niks bijzonders, geen gekke stemmetjes, en toch hebben we allemaal plezier.

‘Ik heb een slecht lijf: vijf nekhernia’s, een rughernia, artrose, veel pijnmedicatie. Ik moet tijdig rust nemen, dus om een uur of vijf, zes ’s middags is het mooi geweest. Dan plof ik op de bank, neem ik een sigaartje en ga ik televisie kijken. Ik verveel me nooit, al zou ik het af en toe wel fijn vinden om iemand te spreken. Maar toch, zo met de poes op schoot, na een dag vrijwilligerswerk, ben ik wel alleen, maar niet eenzaam. Heleen is nog altijd een stukje van mij.’

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next