Als Johanna zich wat verloren voelt na haar relatiebreuk, besluit ze een vorm van intensieve therapie op zichzelf toe te passen. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Johanna (60, eindredacteur): ‘Aan het eind van de middelbare school, zo rond mijn 18de, kreeg ik anorexia. Ik was een stevige tiener, absoluut niet dik, maar toch vond ik dat er wel wat vanaf kon. Het lijnen ging me zo goed af dat ik veel complimenten kreeg dat ik er zo goed uitzag. Daardoor kreeg ik het echt te pakken. Het werd een verslaving, een houvast in mijn leven. Al snel durfde ik nauwelijks meer te eten. Na alles wat ik at, al was het een sinaasappel, werd ik boos op mezelf.
‘Toen ik op kamers woonde en een studie jeugdwelzijnswerk deed, ging het steeds slechter met me. Ik was voortdurend moe, had nergens energie voor en had het continu koud. Ik kreeg extra haarvorming, dat gebeurt als je lijf zich niet meer goed warm kan houden. Vel over been was ik. Mijn vriendje en ouders zagen dat het niet goed met me ging, maar ik ontkende het in alle toonaarden. Ik gebruikte allemaal foefjes om bijna niets te eten, zoals het stiekem weggooien als mijn vriend naar de wc was. Op een gegeven moment heeft hij een afspraak gemaakt bij de huisarts en mij ernaartoe gesleept.
‘Ik werd doorverwezen naar een psycholoog met wie ik het verrassend goed kon vinden. We spraken elkaar wekelijks waardoor ik tot inzichten kwam. Ik had helemaal geen identiteit ontwikkeld. Ik kom uit een heel liefdevol gezin met twee zussen en een broer, maar ik deed altijd zonder nadenken wat de rest deed. Als puber kopieerde ik vooral mijn oudste zus, die ik als mijn grote voorbeeld beschouwde. Ik ging dezelfde studie doen, terwijl die totaal niet bij mij paste. Ik was een soort lege huls. Niet-eten was het enige waaraan ik houvast ontleende, wat mijn identiteit vormde. Hoewel ik door die psycholoog veel over mezelf leerde, loste het mijn eetprobleem niet op. Ze adviseerde een opname op de paaz, de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis.
‘Hoewel ik aanvankelijk tegensputterde – wat moest ik tussen al die gekken? – was ik inmiddels wel doordrongen van de ernst van mijn anorexia en stemde ik alsnog in met een opname. Al snel bleek dat de therapie niet werkte doordat ik uitvluchten bleef zoeken. Tijdens de gezamenlijke maaltijden verstopte ik mijn eten, ik douchte koud want dat kostte extra energie en ik liep heel veel om calorieën te verbranden. Na een paar weken wilden ze een intensievere therapie toepassen: ik moest vier weken in mijn eentje op een kamer in een bed liggen. Geen bezoek, alleen therapeuten aan het bed. De afspraak was dat ik drie keer per dag eten kreeg, en dat ik dat ook móést opeten. Ik ging akkoord.
‘Het was superzwaar. Veel eten en in bed liggen zonder te bewegen, voor mij was dat horror. Er waren geen uitvluchten. Maar het bleek een gouden greep omdat ik volkomen werd teruggeworpen op mezelf. Van de psychotherapeuten die elke dag een paar keer langskwamen moest ik opschrijven wat ik allemaal van mezelf moest. Op de lijst die ik bijhield stonden wel honderdvijftig dingen: ik moet aardig zijn, ik moet sterk zijn, ik moet zijn zoals mijn zus, ik moet geïnteresseerd zijn, ik moet altijd vrolijk zijn. Ik bleek totaal geen mildheid ten opzichte van mezelf te hebben, maar ook geen realiteitsbesef. Vijf maanden ben ik op die paaz geweest, erg lang, maar ik ben er fantastisch uitgekomen.
‘Hello world, here I come!, was het gevoel waarmee ik de wereld daarna instapte. Ik voelde me als herboren. Met mijn studie stopte ik, want die paste helemaal niet bij mij, en ik maakte het uit met mijn vriendje. Ik wilde het leven gaan ontdekken, het avontuur lonkte. Ik nam de trein naar Spanje om vrijwilligerswerk te doen, het jaar daarna liftte ik in mijn eentje naar Tsjechoslowakije. Ik at weer, het werd zelfs een gewoonte om gezond en op tijd te eten. Ik kreeg een nieuwe vriend en begon een nieuwe studie, maatschappijgeschiedenis, die wél bij me paste. Ik was heel gelukkig met wie ik was geworden.
‘Op het moment dat mijn vriend het onverwacht uitmaakte, raakte ik in paniek. Ik wist niet wat ik met dat verdriet moest doen. Dat ik moest blijven eten, stond buiten kijf. Ik wilde niet kwijtraken wie ik was geworden, maar wist niet hoe ik om moest gaan met gekwetstheid. Ik klopte aan bij de voormalige therapeut. Ze gaf me de opdracht om elke dag een piekerhalfuurtje in te lassen. Tijdens dat halfuurtje mocht ik piekeren of huilen, daarna zou ik de dag weer aankunnen. Het werkte averechts. Ik ging me alleen maar wanhopiger voelen, wist niet waar ik het zoeken moest.
‘Ik kwam op het idee om de therapie die me zo goed had geholpen op de paaz zelf na te gaan doen. In bed liggen en niemand meer zien of spreken. Dat was de slechtste beslissing ooit. Ik ben volkomen doorgedraaid. Een psychose kreeg ik niet, daar heb ik kennelijk geen aanleg voor, maar ik kon niet meer normaal nadenken. Ik was in een continue staat van paniek, trilde de hele dag. Een pikzwarte tijd was het, diep eenzaam, echt afschuwelijk. Ik verloor mijn vrienden, mijn studie, mijn leven. Ondertussen probeerde ik op te krabbelen en zocht nieuwe therapeuten. Ik kwam erachter dat ze niet allemaal zo goed zijn, ik heb er veel versleten. Het was een enorm geworstel. Alsof ik in een moeras zat en elke keer dat ik er voorzichtig een stukje uitkroop, ging ik toch weer kopje onder.
‘Toen het iets beter met me ging – ik had weer werk en mijn dagen zagen er enigszins normaal uit – kreeg ik enorme spijt. Ik zag dat iedereen verder was gegaan met zijn leven. De mensen om me heen hadden carrières, partners en kinderen. Mijn god, wat had ik gedaan? De beslissing om in bed te gaan liggen omdat ik zo graag mijn nieuwe persoonlijkheid wilde behouden, had tot gevolg dat ik alles was kwijtgeraakt. Ik was een wrak, een trillend zwak wezen, bang voor alles. De spijt was allesverzengend. Ik stond er letterlijk mee op en ging ermee naar bed. Elke ochtend viel de spijt als een loodzware deken over me heen. Zelfverwijt was het hoofdthema in mijn leven, dat me compleet verteerde. Ik was zo ontzettend boos dat ik mezelf dit had aangedaan.
‘Tien jaar heeft het hele proces geduurd. Tot ik op een mooie lentedag naar mijn werk fietste, ik weet het nog precies. Het was alsof zich een wonder voltrok: plotseling kon ik de spijt loslaten. Jarenlang hadden therapeuten, mijn vriend en mijn moeder gezegd dat spijt geen enkele zin had en dat ik me op de toekomst moest richten. Dat snapte ik wel, maar het lukte gewoon niet. Maar kennelijk is er toch voldoende in mijn hoofd gebeurd dat op die ene ochtend de knop opeens kon worden omgezet. Door de energie die vrijkwam, kon ik eindelijk mijn studie maatschappijgeschiedenis oppakken. Op mijn 38ste ben ik afgestudeerd.
‘Ik heb een leuk leven; een fijne relatie, een aantal leuke vrienden en goede relaties met mijn familie. Ik maak mooie reizen en ik heb leuk werk, dus het is prima. Maar het had veel beter kunnen zijn. Als ik niet in bed was gaan liggen, was ik een ander persoon geweest. Avontuurlijker, lichtvoetiger, zelfverzekerder. Wellicht had ik kinderen gehad. Die periode heeft van alles in mij aangetast en ik ben mijn leven lang bezig dat te repareren. Waarschijnlijk lukt dat nooit helemaal. Dat is eeuwig zonde.’
Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Johanna gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant