Eindelijk verschijnt het ultieme jarennegentigboek Infinite Jest van David Foster Wallace in een Nederlandse vertaling – bijna 1.200 pagina’s en 1,68 kilo schoon aan de haak. Nina Polak ziet hoe overrompelend dit cultboek onze verslaving aan vermaak en succes fileert.
is schrijver en redacteur van katern Zondag
Zomaar enkele randverschijnselen, perifere manifestaties, zo je wilt, al te makkelijk bewandelbare en welhaast onweerstaanbare zijpaden, die zich via mijn persoonlijke amusementsapparaat (dat wil zeggen: iPad) opdringen, terwijl ik anno 2026 – het Jaar van ICE – op voornoemd apparaat een oprechte poging onderneem om diepgaande aandacht op te brengen voor een dertig jaar oude Amerikaans roman, tellende 1.168 pagina’s, waarvan ruim honderd eindnoten beslaand (en meer dan enkele voetnoten bij eindnoten), in willekeurige, maar daarmee tegelijk veelzeggende, want simulerende de willekeur inherent aan digitale contentconsumptie, volgorde:
1. Beelden van straatrellen in Minneapolis, in een algoritme dat video’s uitbraakt die ik langer dan een minuut voor echt (dat wil zeggen: niet nep) aanzie, maar die gegenereerd blijken door een niet-traceerbaar account, mogelijk in zijn totaliteit gegenereerd door vijandige kunstmatige intelligentie uit een of andere vijandige natie.
2. Via datzelfde medium: een bro (gen Z) met halflang haar en een jezusbaard, in een tiedyeshirt, die welgemeende schrijf- en levenslessen declameert, geheel geënt op het nagelaten werk van wijlen David Foster Wallace (1962-2008), schrijver van voornoemd 1.168 pagina’s tellend boek.
3. Eindeloze, maar dan ook echt eindeloze subreddits over voornoemde dode schrijver en zijn voornoemde dikke boek, voornamelijk – om niet te zeggen uitsluitend – geschreven door mannelijke adolescenten, in numerieke, dan wel emotionele zin. Vaak dweperig, maar even vaak oprecht enthousiast en enthousiasmerend.
4. Ontelbare recepten om reeds van mononatriumglutamaat verzadigde instantnoedels nog zouter en vetter (dat wil zeggen: nog lekkerder) te maken.
5. Flarden levensgevaarlijke Winterspelen.
6. Een schattige en onwaarschijnlijk snelle hond die voornoemde Winterspelen verstoort door over de skipiste te racen.
7. Twee appjes van Mama.
8. Reclame voor een negentien eenvoudige stappen tellende skincareroutine, zonder schadelijke toevoegingen, waarmee je ook nog een verwaarloosbare bijdrage levert aan een stichting voor varkens in ondraaglijke verveling en pijn.
Nog wakker, lezer? Heb ik je aandacht? Apparaat nog in je broek? Gefeliciteerd, er is een kans dat je oplettend, geduldig en bestand genoeg bent tegen pedanterie – waarvan het bovenstaande een inferieure, doch illustratieve stijlparodie betreft – om het einde te halen van het 1.168 pagina’s tellende Eindeloos vertier, de eerste Nederlandse vertaling van Infinite Jest, het knotsgekke meesterwerk uit 1996 van David Foster Wallace.
Bij die Nederlandse vertaling levert uitgeverij Koppernik speciaal voor iemand als jij een dubbele boekenlegger – een voor het verhaal, een ander voor de noten – en een button met de tekst: ‘Ik heb Eindeloos vertier gelezen.’
Een motiverende badge of honor. Dit is duidelijk voor iedereen een prestatie: voor de kleine, onafhankelijke uitgeverij die zo dapper was ervoor te gaan; voor de vertaler Robbert-Jan Henkes, om vanzelfsprekende redenen, en natuurlijk voor die uitverkoren lezer die het boek niet alleen koopt voor de gravitas van zijn boekenkast, maar het ook daadwerkelijk leest.
Een prestatie van formaat (1,68 kilo schoon aan de haak).
Bijna niemand zou het aandurven die button zonder ironie te dragen, zo weten we mede door Wallace, die met Eindeloos vertier het lijfboek schreef van een door postmoderne ironie gekooide generatie, klauwend naar oprechtheid, verbinding en overgave.
Een gesteldheid die nieuwere generaties nog steeds niet geheel hebben afgeschud – de belegenheid, inmiddels, van die diagnose ten spijt.
De kooi is trouwens een van de centrale metaforen in dit boek. Bijna alle personages die we ontmoeten (dat zijn er nogal wat) zitten op de een of andere manier opgesloten: in middelenverslaving, in academische of atletische ambitie, in kafkaësk ambtelijk taalgebruik, in dwangneuroses, suïcidale depressies, psychoses, en in zichzelf.
We beginnen in het fictieve Enfield, een voorstadje van Boston dat bijna geheel lijkt te bestaan uit instituten. Er zijn onder meer een militair ziekenhuis te vinden, een psychiatrische kliniek, een dure tennisacademie met internaat en een herstelhuis voor verslaafden. Die laatste twee instellingen vormen het voornaamste decor.
Op de Enfield Tennis Academy (E.T.A.) volgen we het 16-jarige, hoogbegaafde tennistalent Hal Incandenza, jongste zoon van wijlen de geniale oprichter van de academie en maker van obscure cultfilms James O. Incandenza, die onlangs zijn leven beëindigde door zijn hoofd in de magnetron te steken.
In het Ennet House Drug and Alcohol Recovery House, op een steenworp afstand van de tennisacademie, werkt de ex-drugverslaafde, ex-footballspeler Don Gately, die zijn gewelddadige verleden achter zich probeert te laten door als begeleider een begripvolle, wijze rots in de branding te zijn voor de getormenteerde, afkickende bewoners van het tehuis, in hun respectievelijke Kooien.
Hal en Don ontmoeten elkaar nooit, maar hun verhalen verstrengelen zich via allerlei figuranten en via een politiek spionage-subplot rond een in omloop geraakte staatsgevaarlijke video.
Het verhaal gaat dat deze video zo vermakelijk is, dat wie ernaar kijkt, zal sterven in katatonie.
We schrijven een fictieve en (voor 1996) nabije toekomst, waarin de Verenigde Staten onder presidentieel bewind van een volkszanger gefuseerd zijn met Canada in de Organisation of North American Nations. Binnen deze dystopische O.N.A.N. zijn delen van het Canadese grondgebied tot vuilnisbelt gedegradeerd en geldt een nieuwe, gesponsorde jaartelling, zodat we kunnen spreken van het Jaar van de Whopper, of het Jaar van het Depend Incontinentie Ondergoed (J.D.I.O.), waarin de hoofdverhaallijn zich afspeelt.
Het perspectief wisselt tussen Hal, Don en talloze grote en kleine bijfiguren. De overwegend klassieke derde persoon verleden tijd maakt geregeld plaats voor flarden uit dossiers, emails, dialogen en transcripten. Hele familiegeschiedenissen (zoals die van de Incandenza’s) van het soort dat doorgaans het vlees vormt van een traditionele realistische roman, worden bovendien naar de eindnoten verplaatst, waar ze soms pagina’s doorgaan.
Schijnbaar futiele uitwijdingen over, bijvoorbeeld, expressionistische cinema, tennispedagogiek, of extensieve, niet bestaande wiskundig-geopolitieke kinderspelletjes krijgen we in de lopende tekst te verstouwen.
Ik ben het niet bepaald aan het verkopen, realiseer ik me, maar je zult van me moeten aannemen dat een van de vele merites van dit boek de grandioze, zeg maar gerust verslavende vermakelijkheid is.
Als je er lekker in zit, winnen zelfs de vermoeiend encyclopedische delen het van, noem eens iets, de gladde, geile HBO-bom Heated Rivalry, waar iedereen nu kwijlend naar zit te kijken – ik heb het uitgetest met een tweede scherm.
Dertig jaar na dato liggen de interpretatieve invalshoeken voor het oprapen.
Die entertainer als president, die gevaarlijke video, het steeds gehaaider op de persoon toegesneden vermaak, de geestelijke gezondheidscrisis die het hele boek doordrenkt: het ligt voor de hand erop te wijzen dat Wallace de gezombificeerde smartphonejeugd al in zijn glazen bol zag opdoemen. Net als het Netflix-infuus dat de meeste volwassenen elke avond wacht.
Met je media- en cultuurklasje kun je aan dit boek kortom, je hart ophalen als een visionair cultuurkritisch werk, een voortzetting van Neil Postmans Amusing Ourselves to Death, dat verscheen in 1985, een jaar voordat Wallace aan zijn boek begon.
Na dertig jaar vol emancipatiegolven kun je, over een andere boeg, ook je eigen kritiek loslaten (dat is al vaak gedaan) op de gebrekkige representatie van vrouwen, homo’s en mensen van kleur.
Verder kun je een dissertatie of 22 wijden aan Wallace’ behandeling van depressie en zelfdoding. (Ik ken geen boek waarin zoveel mensen zichzelf doden.) Een zwaarmoedig karwei in de wetenschap dat de auteur, die zijn leven lang aan depressie leed, op 46-jarige leeftijd een einde aan dat leven maakte.
Met een beetje goede wil kun je er desalniettemin een stoïcijns zelfhulpboek uit destilleren. Al heeft Wallace dat eigenlijk al voor je gedaan met zijn, o ironie, meestgelezen werk, de toegankelijke motivatiespeech ‘This is Water’, met daarin onder meer de suggestie dat ‘in de dagelijkse loopgraven van het volwassen bestaan, banale platitudes je leven kunnen redden’. Wat zeker geldt voor de verslaafden in Eindeloos vertier, die zich moeten overgeven aan de effectieve clichés van de AA – One day at a time.
Over klasse gaat het ook, marxisten. Kijk alleen al naar die tennisacademie bovenaan de heuvel, en het Ennet House, met zijn verschoppelingen, in het dal. (De inwoners van beide zijn allemaal even verslaafd, zou een observatie kunnen zijn, aan crack ga je alleen net iets sneller ten onder dan aan ambitie.)
Ik zie daarnaast een vruchtbare freudiaanse lezing voor me van het fascinerende moederpersonage Avril Incandenza, ‘The Moms’ van Hal, die iedereen de stuipen op het lijf jaagt terwijl ze akelig dicht in de buurt komt van perfect moederschap – een creepy momfluencer avant la lettre.
Tennis, natuurlijk! Als je van dat spel houdt, ongetwijfeld een onuitputtelijke bron van betekenis. (Kan ik je niet bij helpen.)
Voor nerds: alle verwijzingen naar Hamlet opsporen, beginnend bij de titel, wat gegarandeerd een interessantere blik op het stuk der stukken oplevert dan de op Shakespeares leven gebaseerde rouwporno die we anno 2026 in de bioscoop aantreffen (Sorry, Hamnet).
Zal ik verdergaan? Heb je door dat ik wil dat je begrijpt hoe veelomvattend dit boek is?
Het punt is dat geen van de voorgestelde analyses op zichzelf recht zullen doen aan de leeservaring, wat een mogelijke definitie is van een geslaagde roman. Het werk van Wallace lezen, schreef Zadie Smith in een bewonderend essay, levert ‘het intens bevredigende genoegen van iets wat je alleen maar kunt kennen door het te ondergaan’.
Niet de vergaarbak aan onderwerpen, maar de ervaren samenhang tussen die onderwerpen is wat Eindeloos vertier lezen overweldigend maakt. Het volstaat niet om te zeggen: dit is een boek is over (vul maar in).
Het geldt voor veel werk van Wallace dat het een demonstratie of een simulatie wil zijn van hoe taal, cultuur, media, bureaucratie, het school- en kennissysteem, het kerngezin, trauma en de farmaceutische industrie allemaal samenwerken om onze geesten te vormen en misvormen.
Dat klinkt als een cerebrale bedoening. Maar het is de intentie van deze schrijver om je behalve te laten denken, ook te laten voelen, en je iets te laten begrijpen van de relatie tussen beide. Het was zijn doel, zo beloofde hij zijn redacteur, dat Infinite Jest ‘het hoofd zou doen kloppen als een hart’.
Want ondanks zijn torenhoge ambitie en zijn grote aanleg voor abstractie – Wallace had een wiskundeknobbel en studeerde in de filosofie af op modale logica – ging het hem uiteindelijk om ordinaire menselijkheid.
‘Het heeft iets met liefde te maken’, zei hij in een interview over het onderscheid tussen goede kunst en zozo-kunst. ‘Met over de nodige discipline beschikken om vanuit dat deel van jezelf te spreken dat kan liefhebben, in plaats van het deel dat alleen maar bemind wil worden.’
De enige legitieme agenda achter dat hele schrijfgedoe, voor Wallace, was het streven om een menselijker mens te worden en weerstand te bieden aan de verslavende verleidingen van narcisme, hedonisme, escapisme en cynisme. Verleidingen waar hij zelf uitermate gevoelig voor was, en die in Eindeloos vertier in allerlei vormen de kop opsteken als de pijnstillers waaraan de moderne wereld ten onder gaat – roem, drugs en dom vermaak.
Deze literatuuropvatting maakte hem de belangrijkste exponent van de New Sincerity, een culturele trend in de jaren tachtig en negentig die ook als post-postmodernisme bekendstond vanwege de afkeer van het cynisme en de ironie die het postmodernisme kenmerkten, de moed om echte gevoelens te omarmen en daarmee te riskeren wat nu ‘cringe’ heet.
Het was Wallace zelf, in zijn programmatische essay ‘E Unibus Pluram’ (1993), die zijn generatie aanspoorde niet bang te zijn om te worden weggezet als te oprecht, naïef en sentimenteel. Want juist daarin schuilde rebellie, in cynische tijden.
Het is zijn tragiek dat hij de theorie van hoe te leven kende en ongelooflijk goed kon verwoorden, maar niet in de praktijk kon brengen.
De tegenstrijdigheden waaronder de schrijver leed komen in Eindeloos vertier het best tot uiting in de psychologie van het wonderkind Hal. Hoewel hij bij uitstek een New Sincerity-personage is, concentreert zich in hem ook de literatuurgeschiedenis.
Hal is Hamlet, rouwend om de dood van zijn vader, wiens plaats naast Hals moeder is ingenomen door zijn schijnheilige oom. Hamlet, die over het randje van de afgrond kijkt. Die dreigt zijn verstand te verliezen.
Een deel van het bastion van dure woorden en verfijnde argumenten dat Eindeloos vertier is, weerspiegelt het intellect van Hal, een jongen die de sterren van de hemel tennist en die zich bij de universiteit meldt met niet de vereiste twee, maar negen aanmeldingsessays, met titels als ‘Neoklassieke vooronderstellingen in hedendaagse prescriptieve taalwetenschap’ en ‘De implicaties van post-Fourier Transformaties voor een holografisch mimetische taalkunst’.
Een karikaturaal genie, mag je wel zeggen, een kind voor wie onderwijs als zuurstof is. Hal is de meritocratie in eigen persoon.
Ook is Hal sociaal onhandig, weinig communicatief, stiekem altijd stoned, en wanneer hij stopt met blowen kneiterdepressief. Zijn balgevoel en zijn woekerende kennis en woordenschat zijn stellages rondom een gapend gat.
De simpele conclusie: de mythologie van uitverkorenheid, van wat de kids dezer dagen main character energy noemen, brengt eenzame zieltjes voort.
De essentie van zijn onvermogen toont zich in een hilarische scène, waarin Hal stuiptrekkend van de ontwenningsverschijnselen een NA-bijeenkomst probeert bij te wonen. Per ongeluk komt hij terecht in een zaaltje met systeemplafond, waar volwassen mannen met teddyberen op schoot worden aangemoedigd om grienend hun ‘innerlijke kind’ te omhelzen.
‘Misschien kunnen we allemaal op dit moment onze gevoelens voor Kevin benoemen en delen hoeveel we om hem geven en zijn Innerlijke Kind, in zijn pijn,’ zegt de gespreksleider, terwijl een van de bebaarde aanwezigen snotterend zijn beer vastklampt. ‘Ik hou van je, Kevin’, klinkt het. ‘Ik veroordeel je niet, Kevin.’ ‘Ik heb niet het gevoel dat huilen ook maar voor een cent zielig of onmannelijk is, gast.’
Hal trekt deze eruptie van oprechtheid zo slecht dat hij begint te dissociëren. Terwijl de volwassen Kevin kwijlend over zijn teddybeer zijn afwezige mammie en pappie smeekt om hem alsjeblieft te komen vasthouden, ontsnapt het wonderkind in zijn fantasie. Hij ‘kuiert denkbeeldig langs de Via Appia, eet een cannoli, draait zijn Dunlops rond als six-shooters, geniet van zon en stilte in zijn hoofd.’
Geef, Geef, Geef, Geef, Geef het Hem, roepen de baardige mannen ondertussen sektarisch, en Kevin huilt om wat hem nooit gegeven is.
Het is typisch Wallace om zich allerlei soorten jargon eigen te maken en die vervolgens tot het uiterste te drijven. Maar hoe ver hij het armzalige zelfhulptaaltje van de AA en de NA. de absurditeit ook in trekt, er blijft respect uitgaan voor de koeien van waarheden die daarin worden uitgedrukt.
In die bijna 1.200 pagina’s virtuositeit zit dan ook een dun maar wezenlijk verhaaltje verstopt over een zoon die snakt naar de goedkeuring van zijn vader.
Wallace leek er rekenschap van te willen geven dat grote delen van de wereldliteratuur zijn ontsproten aan het gemis van de woorden ‘goed gedaan, jochie, jij verdient een button’.
Om dat deel dat bemind wil worden te overstijgen, zoals Wallace’ ambitie hem voorschreef, moet dat deel eerst erkend worden. De scène met de teddyberen dramatiseert wat er voor Hal in de weg staat van die erkenning: ironie, een afkeer van rauwe emotie en de ongeraffineerde taal waarin die wordt uitgedrukt, het cliché.
Wat is er precies zo weerzinwekkend aan het cliché? Het verwijst naar gevoelens die niet alleen overweldigend dreigen te zijn, maar ook – de horror – banaal. Gevoelens die de uitverkorene gelijkstellen aan andere stervelingen. En net als alle anderen zijn, kan onverdraaglijk lijken in een wereld die in veel opzichten is als een potje tennis: er kan er maar een de winnaar, de held, de hoofdpersoon zijn.
De angst is om als voetnoot te eindigen. Dat geldt natuurlijk vooral voor de adolescent, maar er zijn er genoeg die deze fase nooit ontstijgen.
Wie bovenaan de meritocratie alles investeert in verfijning en distinctie, komt verder af te staan van de kern waarin de christelijke AA de verlossing vermoedt: we zijn gelijk in ons lijden. Alles wat een genotzuchtige beschaving verkoopt om die pijn te vermijden kan je te gronde richten.
Je zult er aandacht voor moeten opbrengen, de pijn. In de woorden van de leidsman bij de teddyberen: ‘Accepteer hiermee in aanraking te komen!’
Ondanks de gebreken van de meritocratie zag Wallace het onderwijs nog altijd als de plek waar je leert om uit de kooien van je automatismen te breken en je aandacht bewust te vestigen. Het lezen en schrijven van dikke, moeilijke boeken maakt deel uit van dit project, dat misschien banaal is, maar ook met de dag hondsmoeilijker, nu het eindeloos vertier niet alleen geproduceerd wordt, maar ook gegenereerd.
David Foster Wallace: Eindeloos vertier. Uit het Engels vertaald door Robert-Jan Henkes. Koppernik; 1.176 pagina’s; € 50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant