Oorlog In 1991 reisde Caroline de Gruyter als jonge buitenlandredacteur naar Slovenië om de onafhankelijkheidsoorlog te verslaan. Teruglezend in haar aantekeningen vergelijkt ze haar eigen naïviteit van toen met die van Europa nu.
Caroline de Gruyter bij de frontlinie bij Karlovac, Kroatië, april 1993.
Het is januari 2025. Buiten vriest het. Ik ga op zolder door mijn oude notitieblokken over de oorlog in Joegoslavië.
Ik vind vrij snel wat ik zoek: ‘Slovenië, zomer 1991’. In 1991 begon Joegoslavië af te brokkelen, met op 25 juni de onafhankelijkheidsverklaring van de rijkste, meest noordelijke deelrepubliek. Eerst maakte ik in dit blok een hoop aantekeningen over nieuwsfeiten – het Joegoslavische leger dat uit zijn kazernes kwam en probeerde de onafhankelijkheid te verhinderen, een ultimatum, Sloveense soldaten die uit het Joegoslavische leger deserteerden, en drie Europese ministers die als ‘trojka’ naar Washington reisden voor overleg met hun Amerikaanse collega Lawrence Eagleburger. Ik noteerde: „Volgende week opnieuw overleg in Wenen en Praag. Stellen verdere stappen uit.” Europese buitenlandpolitiek, comme ça change.
Verder lezend vind ik die ene passage. Een passage die sinds de Russische invasie van Oekraïne in 2022 vaak door mijn hoofd spookt.
Ik zit in een taxi van de Sloveense hoofdstad Ljubljana richting de Sloveens-Kroatische grens. Mijn handschrift wordt een beetje onregelmatig door het gehobbel. Ik wil naar het grensgebied, want het gerucht gaat dat het Joegoslavische leger van plan is daar een Sloveense kerncentrale te bombarderen. Uit wraak, omdat Slovenië weg wil uit Joegoslavië en alle verzoeken van de federale republiek negeert om daarop terug te komen. Als we vlak bij de grens zijn, stopt de chauffeur plotseling. Hij weigert verder te gaan. De man is nerveus. Waarom, wil ik weten. Zie je dan niet wat daar op de weg ligt, roept hij, en wijst naar het asfalt verderop.
Nee, zeg ik, wat dan?
„Landmijnen!”
Ik was 27. Ik had nog nooit een oorlog van dichtbij gezien. Ik was jongste bediende op de buitenlandredactie van het opinieweekblad Elsevier. Oorlogen werden meestal verslagen door mijn oudere mannelijke collega’s. Prima donna’s, allemaal. Tijdens de Eerste Golfoorlog (1990-1991) zaten ze weken achtereen in Sheraton- of Marriott-hotels in Koeweit, Caïro of Tel Aviv en stuurden ze elke week via de steno (niemand gebruikte nog e-mail) veel te lange verslagen die ik, als enige achtergebleven redacteur in Amsterdam, op maat moest trimmen. Maar de oorlog in Joegoslavië, die vonden mijn collega’s minder sexy. De Golfoorlog zagen ze als een mondiaal conflict: Irak had Koeweit bezet, dat vervolgens bevrijd werd door de Amerikanen en hun bondgenoten. Joegoslavië beschouwden ze eerder als een interne twist, een burgeroorlog met religieuze componenten waarin eeuwenlange vetes werden beslecht – de laatste stuiptrekking van een oude wereldorde.
Dat de oorlog in Joegoslavië in juni begon, speelde ook mee. De ene collega had een zomervakantie in Zuid-Frankrijk geboekt. De andere wilde niet ontbreken op het afstuderen van zijn dochter. De derde zei dat dit zijn portefeuille niet was. Dus stuurden ze mij. Ik had kinderen noch vakantieplannen. Dat ik nog nooit in Joegoslavië was geweest en niets van het achterliggende conflict wist, bleek achteraf geen probleem: ik leerde in Joegoslavië veel, en een van de lessen was dat wie zich goed in een onderwerp verdiept al na twee weken meer weet dan 99 procent van zijn landgenoten.
Bij nader inzien denk ik dat ik tijdens die taxirit, ergens halverwege Ljubljana en Zagreb, mijn onschuld ben verloren. Hoe haal je het in je botte hoofd om – amper vijf jaar na de ramp in Tsjernobyl – in een taxi te springen naar een kerncentrale waarvan iedereen zegt dat hij gaat worden platgebombardeerd? En wat als die taxichauffeur net als ik geen flauw idee had gehad hoe een landmijn eruitzag, en gewoon was doorgereden?
Ik heb decennialang niet aan dat moment gedacht. Maar de laatste tijd wel steeds vaker. Daarom ga ik nu door mijn oude notities. Op de een of andere manier staat mijn naïviteit op die Sloveense weg symbool voor het onvermogen van naoorlogse generaties Europeanen om te begrijpen wat oorlog is. Preciezer nog: het onvermogen om oorlog zelfs maar te herkénnen. Dat is een probleem, want als je niet weet wat je voor je hebt, kun je verkeerd reageren en jezelf in gevaar brengen. Soms reageer je te soft, soms te hard. Alles is improvisatie.
Nadat we elkaar op industriële schaal hadden uitgemoord in twee wereldoorlogen, zijn wij Europeanen zo goed geworden in het uitbannen van oorlog op eigen grondgebied dat we de grootste pacifisten ter wereld zijn geworden. In dat opzicht is de Europese Unie goed geslaagd. Uitzonderlijk goed: zoals ik mezelf in 1991 in gevaar bracht met mijn bijna komische onbevangenheid, zo deed het grootste deel van Europa dat afgelopen jaren door niet te begrijpen wat er zo problematisch was aan het gedrag van Vladimir Poetin en stug de andere kant op te kijken – alsof het onbelangrijk was, alsof het ons niet aanging.
Terug naar mijn notities van 1991. De taxi keert om en probeert via een andere route dichter bij de kerncentrale te komen. Op een bepaald moment rijden we op een verlaten stuk snelweg. In de verte doemen wegversperringen op, en weer wordt de chauffeur zenuwachtig. Hij wil dat ik afreken en uitstap. Ik geef hem Duitse marken, hét betaalmiddel in dat land. Hij rijdt keihard in zijn achteruit terug. Ik loop verder. Uit mijn aantekeningen blijkt geen spoor van angst. Ik herinner me ook niet dat ik bang was.
Vlakbij heeft net een bombardement plaatsgevonden: ik loop over het asfalt, en ineens kruipen er soldaten uit de bosjes. Jonge jongens, sommige met de acne nog op de wangen. (Dat staat wel in de aantekeningen.) Een paar Slovenen, ook wat Serviërs. Ze dragen uniformen van het Joegoslavische leger en hebben een holle blik in hun ogen. Ik zie verderop een uitgebrande tank, waar rook uit kringelt. Iets wat op een lichaam lijkt. De soldaten vertellen wat er gebeurd is. Tanks van het Joegoslavische leger probeerden terug te keren naar de federale kazernes in Kroatië, zoals was afgesproken bij vredesbesprekingen tussen Joegoslavië en deelstaat Slovenië, maar vlak bij de grens met Kroatië hadden Slovenen hun de weg versperd. Die eisten dat de federale soldaten alle materieel – tanks, vrachtwagens, wapens – achterlieten. Pas daarna mochten ze door naar de kazernes in Kroatië. Die blokkade was uit de hand gelopen, iemand was gaan schieten, en toen was er een bommenwerper van het leger gekomen om ‘zijn’ jongens te bevrijden. Het bombardement had kort geduurd, maar de soldaten zijn nog daas van de schrik. Ze zeggen dat ze nooit hadden gedacht dat het echt oorlog kon worden.
Uit het niets, meldt mijn notitieblok vervolgens, komen er autootjes aanrijden met kratten bier. Je verzint het niet: Slovenen uit omringende dorpen komen de soldaten iets te drinken brengen. Ze hebben klapstoeltjes bij zich. De Servische militairen krijgen eveneens bier. Iedereen is geschrokken en een beetje giechelig. Ineens duikt een verslaggever op van The Observer, de Britse zondagskrant. Die man, John Sweeney (die nogal een karakter was en later furore zou maken in Kosovo en de oorlog in Oekraïne), vraagt alsmaar waar de actie is. Waar het front is. Waar er geschoten wordt. „Ik kan het niet vinden. Waar is de actie?” Het is al voorbij, zeggen de Slovenen met de kratten bier. „Shit!” roept Sweeney.
Mijn notitieblokken over de oorlog in Joegoslavië staan vol met zulke anekdotes. Ik vond het allemaal hoogst interessant, maar ik schreef erover alsof het op Mars plaatsvond. Ik beschreef bijvoorbeeld een voorruit die in zijn geheel uit een vrachtwagen was geblazen en door de hitte van de explosie „mooi over de brugleuning was gebogen”. Ik logeerde net als alle andere journalisten in Ljubljana in het enige hotel dat open was, een hoge betonnen doos van een keten waarvan ik de naam ben vergeten. Elke dag luisterde ik met onbegrensd vertrouwen naar de nieuwsbulletins van de BBC World Service, totdat ik er op een dag achter kwam dat die werden gemaakt in de kamer naast me. De kamer naast me! Ik kon er niet over uit.
Ik interviewde ook een dichter in de schrijversclub van Ljubljana, die zijn naam (zoals zoveel anderen) in de kantlijn schreef omdat ik de spelling niet goed kreeg, en die zijn laatste strofes voor me declameerde: „Ich spreche die Worte des Herzens und des Gewissens.” Ik ging met Sweeney naar de dierentuin. We wilden weten wat er met dierentuinen gebeurt tijdens een oorlog, ook al duurt die maar tien dagen en vallen er ‘slechts’ zestig doden. Alsof het bijzaak is, lees ik in mijn aantekeningen over een kapotgeschoten tank die ik tijdens een van die dagen tegenkom. Persoonlijke bezittingen van omgekomen soldaten zijn om het wrak heen gestrooid, in een plas benzine: „Toilettasje met rode bloemetjes, een scheermes, een tube tandpasta. Lege cellofaan verpakking van de droge crackers die ze vijf dagen aten bij gebrek aan ander voedsel/proviand. Een legergroene onderbroek in de berm, een klein maatje. En de bebloede deken waar de laatste dode op de weg onder heeft gelegen.”
Als ik het nu doorlees, voor het eerst sinds 1991, herinner ik me weer hoe ik me voelde: als een toerist op een tamelijk avontuurlijke vakantie. Ik kan me niet herinneren dat ik me van veel gevaar bewust was, alsof het mij allemaal niet aanging. Ik heb de Joegoslavië-oorlog, die daarna oversloeg naar andere delen van het land – Kroatië, dan Bosnië – tot 1995 verslagen. Ik woonde er nooit, ging altijd heen en weer. Het liefst reisde ik alleen, zodat ik zelf kon bepalen welke risico’s ik wel en niet wilde nemen; sommige journalisten scheurden plankgas door militaire checkpoints met soldaten die stomdronken waren van de slivovitsj, een soort Balkanjenever. Dergelijke bravoure maakte me bijna banger voor mijn collega’s dan voor de soldaten zelf. Ik had duidelijk voor ogen, dat weet ik nog wel, dat ik niet dood wilde in andermans oorlog.
De strijd werd steeds ellendiger en bloediger. Maar ik kwam altijd thuis in Amsterdam met één overheersend gevoel: als deze mensen nu even ophouden met vechten, zien ze zelf ook hoe absurd het is. Dan komen ze bij zinnen en pakken ze de wapens nooit meer op. Dan zoeken ze compromissen. Ofwel: dan worden ze net zoals wij.
Ik heb nooit, helemaal nooit, het idee gehad dat ons in het aangeharkte West-Europa hetzelfde kon overkomen. Wij staan daarboven, dacht ik. Nu zij nog.
Met de oorlog in Oekraïne is Europa in zekere zin full circle gekomen. De Europese integratie is begin jaren vijftig begonnen opdat we elkaar op dit continent – dat Milan Kundera eens omschreef als ‘een maximum aan diversiteit op een minimum aan grondgebied’ – nooit meer naar de strot zouden vliegen. We zouden alleen nog met woorden vechten, in Brussel, dat daarvoor uitgevonden is, en niet meer met wapens. Dat is gelukt. En hoe. Nogmaals: we zijn de grootste pacifisten van de wereld geworden. We ruziën elke dag in Europese kantoren, maar EU-landen hebben de wapens nooit meer tegen elkaar opgenomen. Europa’s moderne voetsoldaten zijn de nationale diplomaten en ambtenaren die in Brusselse kantoren vechten over hoeveel gram suiker of noten een kilo muesli op de Europese interne markt mag bevatten – het ene land produceert suiker en strijdt voor meer suiker, het andere vecht voor meer noten, graan of rozijnen. Dát zijn onze oorlogen geworden: oorlogen om visquota, om chemische richtlijnen. Er staan miljarden op het spel, en vaak werkgelegenheid, maar goddank geen mensenlevens meer. Onze wapens zijn diplomatiek, monetair en juridisch van aard.
Omdat dit de wapens van Europa zijn geworden, hebben we onszelf militair grotendeels ontwapend. Het werd toch nooit meer oorlog. Zelfs als we het wilden, zouden we binnen de EU amper nog met elkaar kunnen vechten. Een Franse militaire historicus vertelde me dat Frankrijk, met een van de grotere legers van Europa, genoeg bataljons heeft om tachtig kilometer frontlijn te verdedigen.
Wij Europeanen zijn zo goed geworden in het voorkomen van oorlog tussen EU-lidstaten dat we vergeten zijn onszelf één belangrijke vraag te stellen: wat als iemand ánders ons bedreigt of aanvalt? Dat is de situatie waarin we ons nu bevinden. Sinds Vladimir Poetin in februari 2022 Oekraïne binnenviel, is de oorlog terug op het continent. Precies op het moment waarop de Europeanen er, materieel maar vooral ook psychologisch, het minst op zijn voorbereid.
Dit is een bewerkte tekst uit het boek Zondagskinderen. Europeanen, oorlog en vrede van Caroline de Gruyter. Het verschijnt op 24 februari bij uitgeverij De Geus.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU