Nu de oorlog in Oekraïne zijn vijfde jaar ingaat, verdiep ik me in de filosofie achter dat geweld. Oorlog lijkt tenslotte onlosmakelijk met de mensheid verbonden te zijn. Alsof we niet zonder kunnen, terwijl de menselijke waardigheid er door wordt aangetast. Ik lees erover in Strijden voor de mens. Oorlogsgeschriften 1936-1944, een door Stefan Waanders bezorgde verzameling artikelen, redes en brieven van de Franse schrijver Antoine de Saint-Exupéry, die behalve oorlogsvlieger in de Tweede Wereldoorlog ook oorlogscorrespondent in de Spaanse Burgeroorlog was.
Spanje confronteerde Saint-Exupéry met de absurdistische waanzin van een oorlog, waarin de ene Spanjaard de andere genadeloos afmaakte, ook al betrof het onschuldige mannen, vrouwen en kinderen. „Een burgeroorlog is geen oorlog, maar een ziekte…”, schrijft hij. En: „Niet vanuit een veroveringsdrang nemen deze mannen deel aan een aanval, maar zwijgend vechten ze tegen een besmetting. En in het andere kamp gaat het ongetwijfeld net zo.” Dat ideologische fanatisme ervaart hij in een dorp waar de republikeinen zojuist zeventien ‘fascisten’ hebben gefusilleerd: „de pastoor, de huishoudster, de koster en veertien kleine notabelen.”
Haat en wraakzucht, zo benadrukt Saint-Exupéry, mogen nooit tot het doden van een ander leiden. Ieder mensenleven is heilig en dient gerespecteerd te worden. Maar juist die haat en wraakzucht ziet hij zowel bij Franco’s opstandige fascisten als bij de verdedigers van de republiek. Elk kamp strijdt voor zíjn eigen Spanje. „Men knalt hier af, zoals men bossen ontbost”, schrijft Saint-Exupéry over generaal Franco, die zijn tegenstanders massaal ter dood veroordeelt.
Lopend door de verlaten straten in oorlogsgebied zoekt hij naar de ‘onzichtbare grens’ van het geweld. Hij vindt die uiteindelijk op de Rambla in Barcelona, waar mensen flaneren als in vredestijd. Pas als er een ‘fascist’ wordt aangehouden, krijgt de oorlog een gezicht.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vraagt Saint-Exupéry zich af waarom mensen oorlog voeren, terwijl ze weten dat dit absurd en verschrikkelijk is. „Waar vindt de waarheid van de oorlog een waarheid, die zo dwingend is dat zij ontzetting en dood overwint.” En om die waarheid is het hem te doen. Zeker nu de mensheid welvarender is dan ooit tevoren, schrijft hij, „ontbreekt ons iets essentieels dat wij niet eens kunnen benoemen.”
Dat essentiële is een gemeenschappelijk doel „dat zich buiten onszelf bevindt en ons kan laten herademen”. In dat doel staan de mens en de vrijheid voorop. Alleen door bewust te leven, en niet door eindeloos te consumeren en feest te vieren, kun je volgens Saint-Exupéry iets bijdragen aan de gemeenschap, zonder daar iets voor terug te verlangen. Alleen dan kun je echt vrij zijn.
In het essay ‘Brief aan een gijzelaar’ uit 1943 geeft Saint-Exupéry ook een trefzeker beeld van wat het betekent om vluchteling te zijn. Als hij schrijft best een reiziger te willen zijn, maar geen emigrant, doelt hij erop dat een emigrant niet alleen zijn land achter zich laat maar ook al zijn vrienden en zijn opgedane kennis waarmee hij in het buitenland meestal niets kan. Zoiets maakt het lot van al die Oekraïense vluchtelingen die Europa sinds 2022 overstromen alleen maar wranger. Bovendien confronteert het je met het feit dat sinds 1945 sommige wereldleiders niets over menselijkheid hebben geleerd.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews