Richard Osinga Een groep mensen sluit zich op in een ondergrondse bunker, om alvast proef te draaien voordat de wereld vergaat. Met zijn nieuwe roman weet Richard Osinga een overtuigend en dramatisch verhaal te vertellen over het einde van de beschaving.
Richard Osinga: Bunker. Wereldbibliotheek, 286 blz. € 26,99
De vraag is in de nieuwe roman Bunker van Richard Osinga niet meer óf het einde van de wereld aanstaande is, maar wanneer precies.
Het eindtijddenken is weer in de mode. 54 procent van de Nederlanders meent dat de westerse beschaving in zijn voortbestaan wordt bedreigd, zo bleek deze week uit een representatieve peiling van Instituut Clingendael. En hoewel de oorzaak voor die gevreesde ondergang niet gespecificeerd werd, neemt deze roman dat sluimerende losseschroevengevoel serieus. Stel dát het gebeurt, wat staat er dan op het spel? Wat verliezen we? En hoe redden we ons?
Om die vragen draait Bunker – en voor ze beantwoord zijn, lees je een smakelijk en meeslepend verteld verhaal, met evenveel grote vragen als verrassende wendingen. Laat dat maar aan Richard Osinga (1971) over. Hij schreef zich de afgelopen jaren in de literaire schijnwerpers met zijn speculatieve sciencefiction-met-spirituele-ambitie, gestoken in een aantrekkelijk realistisch jasje – op het literaire spectrum bevindt hij zich ergens tussen Hanna Bervoets en Dave Eggers. Munt (2023), dat de shortlists van twee van onze grote literatuurprijzen haalde, ging over een archeologische vondst die wetenschappelijke paradigma’s onder hoogspanning zette – er ontstond nieuwe betovering in een geglobaliseerde, (schijnbaar) onttoverde wereld. En Arc (2021), over een virus dat ons herinneringen kon inplanten, was zo pakkend en overtuigend verteld dat je toch even ging googelen of dit nog wel fictie was.
En nu dus het einde van de beschaving; de voorbereidingen worden al getroffen. Heel praktisch: een baas vraagt zijn trouwste werkneemster uit te zoeken waar je als werkgever het minste gedoe hebt met wetten. En een architect van een bureau dat volledig zelfvoorzienende woningen ontwerpt, wordt gevraagd een plan voor een „ondergrondse stad” te pitchen. En wel aan die eerdergenoemde baas, de Indiaas-Canadese techmiljardair Nadir, die „de wereld [wil] redden”. Maar niet door de aanstaande klimaat-, kern-, of weet-ik-veel-wat-voor-ramp af te wenden, dat acht hij zinloos, maar door zich te richten op het daarna. „De Reboot.”
Hij laat een bunker bouwen, ergens onder een berg in Kazachstan, voor een mannetje of dertig. Als de wereld vergaat, kunnen zij overleven. Dat is de theorie – maar de praktijk is weerbarstiger, uiteraard, daarom lezen we er een roman over. Om te testen of die mensen zich wel redden in die ondergrondse ministad, gaan ze „proefdraaien”, een jaar lang. „De deur op slot en kijken of het geen bloedbad wordt”, aldus Cindy, de assistent van Nadir, als zij haar aanstaande opsluiting schoorvoetend opbiecht aan haar partner, die daar nogal geschokt en verbolgen op reageert. Daar botst de theorie dus al op de praktijk. Want Cindy kan er nog zo simpel over denken, haar geliefde vindt het „gestoord”, en tja, daar zit ook wat in.
Het tekent de manier waarop Osinga zijn verhaal vertelt, namelijk in die botsingen, in scènes in levens van mensen, waar ideeën geconfronteerd worden met de concrete gevolgen ervan. Net als in zijn vorige boeken vervlecht Osinga drie afwisselende verhaallijnen. Over drie bunker-uitverkorenen: Cindy dus, architect Jonas en Inaya, de oude moeder van Nadir. Dat is de eerste vraag die Bunker voortstuwt: wat bezielt hen om aan dit experiment mee te doen? „Wie is er gestoord, zou Nadir vragen”, weet Cindy. Is dat degene die „mompelt dat het binnenkort helemaal misgaat, maar intussen zijn leven verder leeft alsof er niets aan de hand is, of de persoon die zich echt voorbereidt op het einde?” De andere twee hebben ook zo redenen om hun dagelijkse levens achter zich te willen laten: Jonas rouwt nog om zijn aan ziekte overleden vrouw, Inaya om haar man. Die achtergronden tekent Osinga in doeltreffende details – Jonas heeft „de laatste bakjes uit de vriezer gehaald met eten dat zij nog had gekookt, en hij heeft het opgegeten”. Inaya liet zich gedwee meetronen naar „een ideale plek om rustig oud te zijn en toch onder de mensen”, zoals haar zoon Nadir het noemt.
Over hem, de aanstichter, gaat het dus ook – met een omweg, zoals bij dit soort bad guys past. We horen over hem via de ideeën waarmee hij zijn omgeving indoctrineert, over het ineenstorten van beschavingen die aan complexiteit ten onder gaan. Want een overheid „heeft maar één instrument en dat is het beperken van de vrijheid van het individu”, dus met elke nieuwe maatregel wordt het systeem complexer, onvrijer en instabieler. Tot het wel móét instorten – waarbij die laatste stap, schijnbaar onvermijdelijk maar feitelijk onbewijsbaar, natuurlijk de cynische crux is.
Zo bouwt Osinga zijn verhaal overtuigend op – je moet Bunker bewonderen om de geloofwaardigheid, niet alleen van de ideeënachtergrond en de vormgeving van de ondergrondse stad (de lucht heeft er „net genoeg aroma om de illusie in stand te houden dat de buitenwereld zich vlakbij bevindt”), maar tegelijk ook van de knullige menselijkheid van de bewoners (ernstige gesprekken vinden plaats bij een ontbijt van koffie, pap en „geprakte banaan”), wat hen aards en levendig maakt.
Daarmee brengt Osinga alles in stelling voor de tweede kwestie van zijn roman: hoe vergaat het de bunkerbewoners? Dat wordt des te relevanter als Nadir en Cindy met de boodschap komen dat de afsluiting van de bunker niet meer „uit voorzorg” is. De wereld is echt vergaan. Dat is trouwens geen spoiler, doordat Osinga door de roman heen al minihoofdstukjes strooide waarin de overige bunkerbewoners worden geportretteerd op het moment „na de eerste schok”. Steevast voelen ze na die ‘schok’ een steek van gemis over iets in de buitenwereld („het eerste waar Tristan aan denkt is zijn volkstuin in San Diego. Alle bloemen en groenten die tevergeefs wachten op de mensen met hun onkruidkrabbers”).
Dat ze pas voelen dat ze de wereld missen als-ie er niet meer is – tja, een beetje simpel en voorspelbaar is dat natuurlijk wel, zoals Osinga ook niet wars is van wat effectbejag en een hoge dosis letterlijkheid. Veelvuldig gebruikt hij de stijlfiguur van de enter: korte zinnetjes op steeds nieuwe regels, ronkend als de voice-over in een filmtrailer („Hij heeft niemand./ Hij is hier omdat hij niemand heeft./ Niemand hier heeft iemand”).
Maar waarom vergeef je Osinga dat dramatische gedoe toch zo gemakkelijk? Ten eerste omdat het niet écht stoort, niet kitscherig voelt – dit ís immers een dramatisch verhaal. En misschien omdat je de moraal van zijn verhaal (dat zo’n bunker geen oplossing is, want de essentie van ons menszijn is toch de wereld waarin we leven, met anderen) toch verdraaid moeilijk kunt onderuithalen, hij raakt domweg aan een universele waarheid. En ook: omdat hij die waarheid op een literaire manier weet waar te maken, fris en zonder uitgekauwde of simpele clichés, maar met verfijnd-menselijk neergezette personages, die met grote zeggingskracht belichamen wat Osinga wil tonen. En dat is: een onverwoestbare levenslust, die de cynische eindtijdverslagenheid blijft bevechten.
Het leven heeft geen zin meer als er niets te redden is, dus zullen we altijd iets te redden blijven zoeken. Het diepmenselijke verlangen om aan de duisternis te willen ontsnappen, dat in de slothoofdstukken van Bunker even letterlijk als symbolisch voor het voetlicht komt – het is fijn om daar iets genuanceerds en overtuigends over te lezen, misschien is het gewoon zo simpel.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews