Van Gogh en geel Het was misschien wel zijn lievelingskleur. Vincent van Gogh hield van geel, zozeer dat het Van Gogh Museum er nu een tentoonstelling aan wijdt. Maar het geel dat hij zag en schilderde, is anders dan het geel dat wij nu zien.
Vincent van Gogh, Zonnebloemen, 1889.
„Bleekzwavelgeel, bleekcitroengeel, goud”, dat is het zonlicht in Arles. In zijn brieven blinkt Vincent van Gogh altijd al uit in het noemen van kleuren, en zeker bij geel gaat hij regelmatig all the way. Zoals in deze opsomming, over een schilderij van een verwaarloosd tarweveldje: „Groengoud, geelgoud, rosgoud, dito brons, koper, enfin, van citroengeel af tot de dofgele kleur van bijvoorbeeld een hoop gedorst graan.” Met het schilderij ernaast kun je gaan turen. Het bosje rechts, is dat Van Goghs rosgoud? Daarboven groengoud, citroengeel? Zie ik wat Vincent zag?
Het gele huis, de zonnebloemen, de tarwevelden. Kunstenaarsvriend Émile Bernard (1868-1941) vermoedde wel te weten wat de lievelingskleur was van Vincent van Gogh (1853-1890). Over diens uitvaart schreef hij: „Over de doodskist lag een eenvoudige witte doek en heel veel bloemen, de zonnebloemen waar hij zo van hield, gele dahlia’s, overal gele bloemen. Het was zijn lievelingskleur zoals u misschien nog weet, het symbool van het licht dat hij in de harten en in kunstwerken zocht.”
Geel en Van Gogh zijn zo innig met elkaar verstrengeld dat het Van Gogh Museum in Amsterdam er nu een expositie aan wijdt. Maar zien wij wel hetzelfde geel als Van Gogh zag?
Het is een vraag die raakt aan het onoplosbare filosofische probleem van het solipsisme: zien we überhaupt dezelfde dingen? Maar ook om andere redenen kun je eraan twijfelen: schilderijen verouderen en veranderen van kleur, kleuren veranderen van betekenis en er zijn speculaties dat Van Gogh leed aan xanthopsie, een visuele afwijking waardoor de omgeving een gele waas krijgt.
„Het geel dat wij zien, is sowieso anders dan het geel van Van Gogh”, zegt Ann Blokland, educatiemedewerker bij het museum en initiatiefnemer van de tentoonstelling. „Al is het maar omdat we allemaal subtiel andere kleurnuances waarnemen.” De theorie over xanthopsie veegt Blokland wel gelijk van tafel: „Dat is tamelijk onzin, dan had hij andere kleuren ook heel anders waargenomen. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor. Maar het idee is wel heel hardnekkig aan hem blijven kleven, omdat zijn kleurgebruik zo eigenzinnig en intens is.”
Vincent van Gogh, Korenveld met maaier, 1889.
Hilma af Klint, Parsifal-serie, nummer 85; 1916, Aquarel en grafiet op papier, 27 × 25 cm. Met dank aan de Hilma af Klint Foundation, Stockholm.
Wat Van Gogh en andere kunstenaars tussen 1850 en 1920 met hun gelen wilden zeggen, deelt de expositie op in drie thema’s: zonlicht en warmte, modern en gedurfd, goddelijk en gevoelig. Bij ‘zonlicht’ hangt naast een korenveld van Van Gogh onder andere een prachtig diffuus schilderij van William Turner (1775-1851), die de lagune van Venetië schilderde onder een sluier van geel licht. Critici zeiden dat hij met mosterd schilderde. Bij het goddelijke licht hangt van Van Gogh De opwekking van Lazarus (1890), met de zon in plaats van Christus. Daarnaast hangt een serie gele kleurvlakken van Hilma af Klint (1862-1944) met de titel Parsifal, de ridder die op zoek ging naar de heilige graal (vaak goudgeel afgebeeld). Af Klint baseerde zich op de theosofie, waar geel ‘sterk inzicht’ betekent.
Geel als de kleur van de zon en de goddelijke associatie vanwege het licht en de goddelijke energie kennen we nog steeds. Bij het thema ‘modern’ komt een andere, minder bekende betekenis van geel aan het licht. In de tijd van Van Gogh verschenen knalgele paperbacks, van schrijvers als Émile Zola, die een realistisch beeld van het moderne leven gaven. Inclusief rauwe thema’s als prostitutie en alcoholisme. Wij zien op Stapels Franse romans (1887) een stapel gele boeken, Van Gogh zag waarschijnlijk een ode aan het moderne, vrije leven.
Of zien we gele boeken? Het is eerder bronsbruin.
Vincent van Gogh, Stapels Franse romans, Parijs, oktober-november 1887, olieverf op doek, 54.4 cm x 73.6 cm.
Dat is misschien wel de belangrijkste reden dat Van Goghs geel anders is dan ons geel. Sommige kleuren verouderen. „Van Gogh schilderde veel met het toen nieuwe, synthetische pigment chroomgeel, een kleur waarvan in zijn tijd al bekend was dat die snel veroudert”, licht Ann Blokland toe. Chroomgeel wordt donkerder, bruinig. Als je het potje chroomgeel in de tentoonstelling ziet, zie je wat een gillend geel het oorspronkelijk is. Dat gebruik van chroomgeel maakt Van Gogh ook zo dapper, zegt Blokland: „Hoe zorg je ervoor dat een schilderij niet gewoon een soort schreeuwend ding wordt? Hoe zorg je dat je het goed inzet? Geel moet je durven. Daar zit lef en moderniteit in.”
Pigmentpotjes. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) | Rijkserfgoed laboratorium, Amsterdam.
Van Gogh was zich overigens bewust van de manier waarop kleuren veranderen: over schilderijen van Delacroix (1798-1863) schreef hij in een brief aan zijn broer Theo: „De kleuren verwelken als bloemen”. En, in een andere brief, over zijn eigen kleuren: „Alle kleuren die het impressionisme in de mode heeft gebracht, zijn instabiel, des te meer reden om ze gedurfd en rauw te gebruiken, want de tijd zal te veel verzachten.”
Er zijn wel reconstructies gemaakt (niet in deze tentoonstelling) van hoe fel die schilderijen oorspronkelijk moeten zijn geweest. Het Veld met irissen bij Arles (1888) bijvoorbeeld is dan hyper, tierend geel – meer de kleur van een wegrestaurant of tankstation, dan van een veld bloemen.
Een reconstructie is, hoe knap ook, ook altijd maar een benadering. Hoe Van Gogh het geel echt zelf heeft ervaren, daar blijven we naar gissen.
Geel. Meer dan Van Goghs lievelingskleur. T/m 17/5, Van Gogh Museum, Amsterdam. Info: Vangoghmuseum.nl
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden