Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant.
Bij de dood van Cees Nooteboom stond in deze krant een mooie foto van wijlen Eddy Posthuma de Boer. Voor kasteel Haarzuilens zie je Morriën en Mulisch tegenover elkaar staan met paraplu’s in de hand, alsof zij aan het schermen zijn. Op de achtergrond, met de handen op de rug, kijkt Nooteboom toe alsof hij bij het duel de scheidsrechter is.
Aan de foto viel mij een aantal dingen op. In de eerste plaats dat Harry Mulisch een messscherpe vouw in zijn broek heeft en verder ook impeccable gekleed gaat, waarmee hij zijn faam als ‘de best gekapte schrijver van Nederland’ eer aandoet. Tevens viel het me op hoe vergankelijk roem is, want de voornaam van Morriën is volgens het fotobijschrift Adrien, terwijl hij gewoon Adriaan heet. Ergens moet een klepel hebben gehangen, want Adriaan had wel een dochter Adrienne, met wie hij naar eigen zeggen een min of meer incestueuze verhouding had. Het is maar goed dat Rudy Kousbroek niet meer leeft, want die kon zich om dit soort slordigheden enorm opwinden.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Daarnaast viel het me op dat Nooteboom en Mulisch een sigaret in de mond hebben. De foto is van 1964, toen heel Nederland – dus ook heel literair Nederland – nog rookte. Nooteboom is later gestopt en Mulisch rookte voornamelijk pijp. Het moet lastig zijn om te schermen met een pijp in je mond. Alleen Morriën rookte niet en dat is vreemd, want hij schreef een jaar voordat de foto werd genomen een adembenemend gedicht met de titel Een enkele sigaret. Dit is de eerste strofe:
Later wanneer ik opzie van mijn boek
heeft zich de rook tot ijle wolk verspreid
alsof mijn adem, zichtbaar uit mijn borst geleid,
naar zon en hemel van een eigen wereld zoekt.
Iedere zichzelf respecterende kunstenaar deed in die tijd Jean-Paul Sartre na, die het roken had omschreven als een transcendente, welhaast heilige gebeurtenis, waarmee de mens iets van buiten zijn lichaam naar binnenzuigt. Kortom, de overgang van het zichtbare naar het onzichtbare, van het zijn naar het niet-zijn, want Sartre hield erg van zijn Martin Heidegger, terwijl hij niet eens goed Duits kon lezen. Inmiddels weten we dat dat iets van buiten erg slecht is voor je binnenste en dat veel mensen er dood aan gaan.
Dat alles had ik misschien onvermeld gelaten als deze krant niet onlangs had bericht over een in The Lancet gepubliceerde studie naar de ziekte van Parkinson, zoals die zich tot dusver heeft ontwikkeld in Nederland. Daaruit komt naar voren dat luchtvervuiling en pesticiden nauwelijks van invloed zijn op het ontstaan van deze ziekte. Wel bleek dat rokers gemiddeld minder ontvankelijk zijn voor Parkinson dan niet-rokers, een zeer eigenaardig feit dat maar weinigen hadden vermoed.
Zou roken dan toch nog ergens goed voor zijn?
Als ik Simon Rozendaal in EW goed begrijp, is roken vooral slecht door de hoge verbrandingsgraad van tabak, waardoor je teer en allerlei andere kankerverwekkende stoffen in je longen krijgt. De nicotine, die je ook inademt, werkt weliswaar verslavend, maar kan een gunstig effect hebben op het syndroom van Gilles de la Tourette, schizofrenie, alzheimer en mogelijk ook op parkinson. Nicotine is geen geneesmiddel, maar zij dempt de verschijnselen waarmee deze ziekten gepaard gaan. Daarbij kan nicotine de cognitieve functies een zetje geven. Niet-rokers die computertestjes moesten uitvoeren, reageerden sneller en maakten minder fouten met een nicotinepleister. Als leek lijkt het me daarom zaak een niet-verslavend soort nicotine te ontdekken. Of bestaat die al?
Zelf rook ik al jaren niet meer. Ik gruw tegenwoordig van een volle asbak met peuken en ik ben zelfs in staat een rokend iemand in mijn buurt te vragen om daarmee op te houden, iets wat ik vroeger overgevoelig en aanstellerig zou hebben gevonden. Maar ik herinner mij wel hoe je, ’s nachts aan het werk, enorm kon opknappen van een sigaret. De druk om iets af te maken, stond er vol op. Je moest helder blijven en niet inzakken. Dan kon een sigaret wonderen doen. Bij de tweede en de derde sigaret werd het al minder, maar zonder dat je het in de gaten had liep je ineens ’s nachts over straat, wanhopig op zoek naar een sigarettenautomaat. Die is, net als de telefooncel, helemaal uit het straatbeeld verdwenen. Er kwam tenslotte altijd een moment dat je te veel had gerookt en je met hoofdpijn rusten moest. Dan was je dus verslaafd geraakt.
Velen leven steeds gezonder en dat is op zichzelf toe te juichen, maar ik rijd weleens langs een fitnessruimte, waar mensen als hamsters voorthollen in en op allerlei toestellen. En dan verlang ik, misschien niet naar een sigaret, maar wel naar de geur van tabak. Of was het toch de nicotine?
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.