Lezersbrieven U schreef ons over de drukte van een violist, reageert op de kracht van de dialoog en neemt het op voor de vertalers.
Noa Wildschut klinkt in haar cultuurdagboek een tikje bezorgd (11/2). Begrijpelijk. Haar agenda leest als een ontplofte intercity: Berlijn, Enschede, Hilversum, Someren, het Concertgebouw Amsterdam, zoom-vergaderingen, repetities, koffers, jeugdherbergen zonder wc-papier, en tussendoor even dochter zijn bij haar ouders. Slaap: optioneel.
En dat is alleen de voorkant. De achterkant is onderhoud. Altijd onderhoud. Speelconditie, repertoire-onderhoud, zielsonderhoud. Stukken warmhouden als restjes die nooit op mogen. Tegelijkertijd nieuw repertoire bouwen. Want het publiek wil nieuw èn bekend èn perfect. Met een ziel.
Het „jeugdige enthousiasme” van studenten werkt „aanstekelijk”, zegt ze. Dat klinkt als iemand die eindelijk even mag uitrusten in andermans energie. Splendid isolation, maar met applaus.
Waarom moet Noa Wildschut logistieke rampen oplossen en is er geen organisatie die dit regelt? Of die zorgt voor het vervoer van haar en haar medemuzikanten? Bij popartiesten is zoiets ondenkbaar.
Zelfs een Stradivarius moet af en toe worden gestemd, in weldadige stilte.
Ellen van Lelyveld Amsterdam
Het pleidooi van Alexander Rinnooy Kan (De productieve dialoog verdient eerherstel, 13/2) is mij uit het hart gegrepen. Maar wat hij voorstelt is lang niet genoeg. Om een cultuur van dialoog te ontwikkelen is heel wat meer nodig dan „effectief spreken en luisteren” of „inhoudelijke gesprekken die de vrijblijvendheid vermijden”. Ook „jongeren zo vroeg en breed mogelijk betrekken bij discussies”” is onvoldoende.
Het voeren van een dialoog is een kunst. Socrates was er een meester in. Maar er zijn er niet veel die deze kunst van nature in huis hebben. Je moet er langdurig en systematisch voor oefenen. Dat is wat we nodig hebben, mensen die Socrates’ kunst tot hun vak, hun ambacht hebben gemaakt. Pas dan verandert het ideaal van Rinnooy Kan van een vrome wens in een realiseerbaar doel.
Jos Kessels Amsterdam
In de rubriek Teruglezen staat naast de foto van de teruglezer altijd een plaatje van het teruggelezen boek. De foto bij het interview met Christien Brinkgreve (‘In Heathcliff zie ik nu steeds JD Vance’, 12/2) suggereert dat Brinkgreve het boek Woeste Hoogte in de – meesterlijke – vertaling van Frans Kellendonk heeft gelezen. Als 14-jarige heeft zij deze vertaling niet kunnen lezen: die was er toen nog niet. Welke vertaling las zij toen? (Het moeilijke en bijzondere Engels van het origineel maakt dat ik aanneem dat Brinkgreve toentertijd een vertaling las.)
Graag zou ik in deze rubriek naast de naam van de schrijver de naam van de vertaler(s) vermeld zien.
Johanna Wentholt Groningen
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden