Home

Cees Nooteboom en de kunstgeschiedenis: alleen kunst die steeds opnieuw geïnterpreteerd wordt, doet er toe

Cees Nooteboom Meer dan bij welke andere Nederlandse schrijver ook weerklinkt in het werk van de onlangs overleden Cees Nooteboom (1933-2026) een diepgaande omgang met beeldende kunst en architectuur. In boeken als Rituelen (1980), In de bergen van Nederland (1984) en De omweg naar Santiago (1992) is ook de kunstgeschiedenis op intrigerende manieren verweven.

Correggio, Jupiter en Io, Kunsthistorisches Museum, Wenen

„De man die kon vrijen als een wolk”. Met deze karakteristiek van een personage in de roman In de bergen van Nederland (1984) lijkt Cees Nooteboom te verwijzen naar de oppergod Jupiter, die volgens Ovidius’ Metamorfosen immers „in een brede nevelstrook” verscheen aan de nimf Io. Maar meer nog dan door de mythe wordt de associatie opgeroepen door een beroemd schilderij van de Italiaanse renaissancemeester Correggio (ca. 1530). Het werk toont de naakte Io op de rug gezien, in een bevallige pose en omhuld door een donkere wolk, waarin zich nog juist een hand en, vlak bij het hare, het gezicht van een man laten onderscheiden.

Of Nooteboom werkelijk Correggio’s schilderij voor ogen had, blijft in het midden. Zeker is dat de beeldende kunsten in zijn oeuvre een belangrijke rol spelen. Als metafoor van de schoonheid van Lucia, een van de hoofdpersonen van In de bergen van Nederland, noemt de verteller de klassieke sculptuur Venus van Milo (ca. 130 v. Chr.) en Leonardo da Vinci’s tekening van de Vitruviaanse man (ca. 1490), „die wel op een kruis (van schoonheid) geslagen lijkt”. Lucia’s metgezel Kai was „gespierd zoals die twee bronzen beelden die in de jaren zeventig van deze bijna voorbije eeuw zijn opgedoken bij Riace in Calabrië”. Deze levensgrote naakte krijgers (440-460 v.Chr.) zijn slanke, fraai onnadrukkelijk gespierde mannen. Hier heten ze „de mooiste beelden ooit van mensen gemaakt”.

Bronzen beeld opgedoken bij Riace, IItalië in het Archaeologisch Museum van Reggio Calabria.

In zijn roman Rituelen (1980) voert Nooteboom op minder terloopse wijze een kunstvoorwerp op. Over de manier waarop de Japanse auteur Yasunari Kawabata in zijn boek Duizend kraanvogels (1949) een theeceremonie verweeft, merkt een van de personages op: „Dat zie je eigenlijk weinig, dat een ding ook de hoofdpersoon van een verhaal is”. Iets dergelijk doet zich voor in Rituelen zelf: hier steelt een kostbare, mysterieuze, Japanse theekom de show, met „de kleur van dode bladeren, van alle dode bladeren ineen, de glans van geconfijte gember, zoet en bitter, hard en zacht, de luxueuze brand van het vergaan. Hij was breed, bijna lomp, niet door mensen gemaakt, maar ontstaan in een onbenoembare voortijd”.

Rituelen etaleert ook kennis van de kunstgeschiedenis. Zo toont hoofdpersoon Inni Wintrop aan de met hem bevriende kunsthandelaar Bernard Roozenboom een prent van de Lybische Sibille door de 15de-eeuwse Florentijnse graveur Baccio Baldini. Roozenboom zegt daarover: „Van Baldini weten we eigenlijk niets […]. Het is eigenlijk een moeizame, houterige ets. […] Onbeholpen. Vriend Baldini was geen meester. Maar hij was wel vroeg, dat wel. […] Denk maar aan een schaduw van de schaduw van Botticelli”. Gedetailleerd wordt beschreven hoe Wintrop en Roozenboom de prent terugvinden in de tentoonstellingscatalogus Early Italian Engravings van de National Gallery of Art in Washington (1975) en het verzamelaarsmerk op dit specifieke exemplaar natrekken in het befaamde naslagwerk Marques de Collections van Frits Lugt uit 1921.

De middeleeuwse canon

Een hoge kunstdichtheid kenmerkt Nootebooms bundel reisverhalen De omweg naar Santiago (1992), met beschouwingen over middeleeuwse kunstwerken en vaak ook hun verhouding tot de kunsthistorische canon. Zo observeert Nooteboom: „Waarom heeft iedereen het over Autun en Poitiers, en hoor je nooit iets over Soria, terwijl daar toch een van de mooiste en ontroerendste portalen te zien is van het hele Middeleeuwse christenheid? Elke werkelijke liefhebber van romaanse kunst hoort de gevel van de Santo Domingo en het claustrum van de San Pedro gezien te hebben”.

In de gevel van het trappistenklooster van La Oliva in Navarra meent de schrijver zelfs iets te ontdekken wat de kunstgeschiedenis steevast in het Noord-Frankrijk van de 12de eeuw plaatst: „Ik durf het haast niet te zeggen, maar ik dacht dat ik de geboorte van de gotiek zag […] het gaat om de bogen: in de volmaakte romaanse boog zit op het hoogste punt de aller-allerkleinste knik, iets bijna per ongeluks, een opwaartse beweging die in zijn allereerste vlucht is versteend en zo stil staat als een raket die vlak na de lancering even boven de grond is gefotografeerd, maar hoe klein de knik ook is, het is tegelijk een breuk met al het voorgaande, nooit meer kan de gebogen lijn hierna volmaakt zijn, van nu af kan die knik alleen nog maar de lijn ontvluchten, hoger en hoger wegvliegen tot hij de gotische boog van Amiens of Chartres geworden is”.

Ook het hedendaagse onvermogen om betekenissen te begrijpen die vroeger zonder meer duidelijk waren, houdt Nooteboom bezig. Bij reliëfs op middeleeuwse kapitelen ergert hij zich als hij de thematiek niet precies begrijpt, hetgeen leidt tot bespiegelingen over de aard van kunstwerken die ooit religieuze gebruiksvoorwerpen waren: „Overal in provinciale of diocesane musea hangen en staan schilderijen, beelden, retabels, altaarstukken uit kleine verlaten kerken. Hoe verandert iets dat toch in zekere zin een gebruiksvoorwerp was, in een kunstobject? […] Het verhaal van de schilderijen is voor de meeste bezoekers vervlogen, nu telt alleen nog de vorm”.

Uit de betekenis gevallen

Het feit dat de betekenis van kunstwerken in de loop der tijd verandert of verdwijnt, komt hard aan bij Nooteboom: „Maar wat is iets als het uit zijn betekenis gevallen is, als het niet meer betekent wat het betekende?” Confronterend is voor hem het ogenblik „waarin je de gedachten van je eigen soort niet meer herkent, waardoor het zeker lijkt dat ook jouw gedachte op een dag niet meer herkend zal worden”. Het leidt tot een indringende vraag: „wat heb ik dan op al die reizen gezocht? Misschien wel de huiver die bij deze overwegingen hoort, de mat die onder je wordt uitgetrokken, de wanhopige tweestrijdigheid van mensen die zich verder in het verleden wagen dan goed voor hen is”.

Baccio Baldini, Lybische Sybille, gravure, ca, 1470, Washington, National Gallery of Art

Deze constatering was al eerder in het boek voorbereid. In een frappante passage over zijn bezoek aan Astorga, schrijft Nooteboom over een 15de-eeuwse kathedraal die hij, al enigszins verontrustend, karakteriseert als „alweer zo’n monoliet die in een veel te kleine plaats is neergestort door een geweld waarvan wij de portee niet meer begrijpen”. Hij doet nog een dappere poging in het interieur iets bijzonders te ontdekken maar „het enige waar ik aan blijf haken is iets dat nu juist niets voorstelt, hele vreemde geometrieën in de basementen van de zuilen, nooit eerder ergens gezien”.

„Toch nog een raadsel”, stelt hij ietwat halfhartig vast, „en daarmee ga ik naar buiten, of misschien vlucht ik wel”. Daarna slaat vertwijfeling toe: „Ik ben nu al weken in dit land van kerken, en ineens kan het zich tegen je keren, dan lijkt het wel of die polychrome heiligenbeelden met hun eigen martelwerktuigen uit al die overvolle retabels zullen klimmen en je achternakomen om je te vierendelen, kruisigen, op roosters te leggen, je ogen uitsteken, geselen, of erger nog, je een eeuwigheid lang zullen voorlezen uit dat boek in hun hand waarvan ze de bladzij niet kunnen omslaan.”

Een parallel van dit welhaast apocalyptische visioen kenmerkt een passage uit ‘Venetiaanse vignetten’ (in de bundel Nootebooms hotel, 2002). „Zou het kunnen”, vraagt de schrijver zich af tijdens een verblijf in de lagunestad, „dat er in Venetië meer madonna’s zijn dan levende vrouwen? […] Zou iemand weten hoeveel geschilderde, gebeeldhouwde, in ivoor gesneden, in zilver gedreven Venetianen er eigenlijk zijn? En, stel je voor […] dat ze ooit één keer allemaal tegelijk in opstand komen, hun lijsten, nissen, predella’s, tapijten, dakranden [verlaten] om de Japanners, de Amerikanen, de Duitsers uit hun gondels te jagen, de restaurants te bezetten en met hun zwaarden en schilden, hun purperen mantels en kronen, drietanden en vleugels, eindelijk het loon van tien eeuwen trouwe dienst op te eisen?”

Kijken en stil zijn?

Maar ondanks vertwijfeling over verloren betekenissen van kunstwerken, of zelfs angst voor hun opstandige bezieling, overweegt bij Nooteboom toch bewondering voor hun, evenzeer ongrijpbare, kwaliteiten van schoonheid en troost. In een essay (in Nootebooms hotel) naar aanleiding van het boek Caspar David Friedrich. Die Nachtseite der Malerei (1993) van de Hongaarse filosoof László Földényi, laat hij zich meeslepen door diens interpretatie van het werk van de romantische schilder. De conclusie luidt dat „alleen kunst die steeds opnieuw geïnterpreteerd [wordt]” , ertoe doet.

Maar uiteindelijk worden Földényi’s argumentaties zelfs Nooteboom te veel. „Ik geef het toe, op een gegeven moment ben ook ik gevlucht”: weer maakt de schrijver zich uit de voeten. Maar deze keer beweegt hij zich niet – zoals hij deed in Astorga – weg van kunstwerken, maar juist ernaar toe: „naar [Friedrichs] schilderijen natuurlijk, een grauwe, regenachtige middag in Schloss Charlottenburg. Wonderlijk, de fetisjwerking van het echte”. Hoeveel er ook over geschreven wordt, kunstwerken blijven zoals ze zijn: „Andere eeuwen zouden weer andere interpretatie brengen, zij hadden daarmee niets te maken, zij zonden alleen maar uit, alles wat ik te doen had was kijken en stil zijn”.

Deze formulering zou een mooie afsluiting zijn geweest, ware het niet dat de wikkende en wegende auteur er nog een slotalinea aan toevoegt, die opent met de karakteristiek twijfelmoedige woorden „Was dat waar?” Hij constateert dat ‘kijken en stil zijn’ toch niet het enige is wat de beschouwer kan doen. Want na lezing van een boek als dat van Földényi is de blik daardoor onvermijdelijk gekleurd. Zo heeft, ook voor de ogenschijnlijk onbevangen kunstbeschouwer Cees Nooteboom, kunsthistorische bagage de neiging de blik op kunstwerken te beïnvloeden.

Deze tekst is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen in Tweegesprek. Opstellen voor Dörte Nicolaisen, Aerdenhout 2008.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Beeldende kunst

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next