Home

Nederlands grootste tafeltennisser Bettine Vriesekoop over de film ‘Marty Supreme’

Film Schrijver en tafeltenniskampioen Bettine Vriesekoop ging naar Londen om ‘Marty Supreme’ te zien, de hitfilm over tafeltennislegende Marty Reisman. Ze zag niet per se een film over tafeltennis, maar over persoonlijkheidscultus, roem en Amerika zelf.

Timothée Chalamet als Marty Reisman in 'Marty Supreme'.

Filmsterren volgen in de media is een van mijn guilty pleasures. Zo las ik dat Timothée Chalamet alweer zijn derde Oscar-nominatie voor beste acteur in de wacht heeft gesleept. De nieuwste nominatie is voor zijn hoofdrol in Marty Surpreme van regisseur Josh Safdie. In de film speelt Chalamet de historische Amerikaanse tafeltennisser Marty Reisman. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was Reisman in mijn sport de beste van Amerika. Hij was de koning van het hardbat tafeltennis, een meester in het klassieke spel met een celluloid balletje en een houten bat zonder schuimrubber, het materiaal dat zijn ambitie om wereldkampioen te worden zou fnuiken.  

De film is al maanden een hit in de Verenigde Staten. Een film over tafeltennis wordt daar niet een blockbuster omdat tafeltennis zo’n geweldige sport is om te doen of om naar te kijken. Tafeltennis is een kleine sport in Amerika en krijgt weinig media-aandacht. Maar nu loopt iedereen in Amerika, van boomers tot generatie Z’ers, in de merchandise van de film rond: een T-shirt of jack met Marty Surpreme-logo, American-Collegestijl jaren vijftig. Marty Surpreme is een hype. Rond de filmheld is een persoonlijkheidscultus ontstaan.  

Ik zoek een trailer. Die belooft me een film over de lotgevallen van een historische tafeltennisheld met een mateloze honger naar succes en erkenning. Dat wil ik zien. Het duurt nog weken tot de release in Nederland, maar Marty Surpreme draait al in Engeland waar over twee maanden de Wereldkampioenschappen tafeltennis worden gespeeld. Ik boek de Eurostar naar Londen.  

Marty Reisman in zijn ‘pingpong-parlor’ in New York, ca 1971.

De Britse roots van het tafeltennis

De film draait in Electric Cinema, een bioscoop in de Londense wijk Notting Hill. Geen rijen stoelen maar grote leren fauteuils, hier en daar afgewisseld met een sofa in dezelfde stijl. Er staan ronde serveertafeltjes bij. Kelners in het zwart met een lange, witte sloof lopen geruisloos met dienbladen rond. Achterin, bij een bar van glanzend notenhout, klinkt zachtjes jazzmuziek. Ik heb alle tijd voor een drankje en wat overpeinzingen voor de film begint. 

Het nostalgische interieur van Electric Cinema roept de Britse roots van het tafeltennis in me op. In de jaren twintig werd het spel gedomineerd door Groot-Brittannië. De witte elite begon binnenshuis te tennissen: op salontafels, met boeken als netje. Vanuit het Britse Rijk waaierde het spel uit in Azië. Op regenachtige dagen werd er fanatiek getafeltennist in YMCA’s in Hong Kong, Tianjin en Shanghai. Britse kooplieden en diplomaten introduceerden het spel in Japanse havensteden, waarna het populair werd op elitescholen. De Japanners, niet de Chinezen, innoveerden het spel. Zij verbeterden de slagtechniek, introduceerden de penhoudergreep. In China arriveerde tafeltennis relatief laat, in de jaren vijftig, toen Mao Zedong tafeltennis verordonneerde als volkssport, het beste middel om fit te blijven. In 1953 verscheen China voor het eerst op wereldtoernooien, met wisselend succes. De Culturele Revolutie zorgde voor een lange periode van internationaal isolement, in 1972 doorbroken door de beroemde pingpongdiplomatie, gespind door ene Henry Kissinger uit New York.

De echte Marty was een tafeltennisser van wereldklasse. Zijn bijnaam: The Needle, want hij was lang en dun. Reisman speelde tot op hoge leeftijd sierlijk en elegant. En altijd met een houten bat. Effect en kracht overheersen dan niet. Het kale plankje hield de sport eerlijk en puur, vond hij. En hij wilde graag dat het zo bleef, want hij was er razend goed in. Maar het betekende ook de neergang van zijn sterrenstatus. Sponsrubber op het bat veranderde alles aan het spel, alles waar hij zo goed in was. Reisman kon, wilde, niet mee, hij verdween uit de wedstrijdsport, de sportgeschiedenis in als een excentriekeling van vroeger.    

Op YouTube zie je Reisman optreden bij David Letterman, die hem minzaam presenteert als een variétéartiest: „Welcome the great Marty Reisman”. Waarna je ziet dat Marty, in witte tennispantalon, rode tennisschoenen, op zijn hoofd een zomerhoed, met zijn houten batje in één slag een sigaret van tafel tikt. Een enorm getalenteerd sporter met grote ambities reikt naar de top en eindigt als entertainer met een kunstje.  

Zilveren medaille

In 1995, Los Angeles, heb ik de echte Reisman ontmoet, nou ja, ik heb hem zien rondlopen. Van zijn generatie kende ik grote namen als Johnny Leach, Viktor Barna, Fred Perry, Richard Bergmann en Alex Ehrlich. Ehrlich had zich in het concentratiekamp de bijenhoning van het lijf laten likken door lotgenoten. Wat mij betreft de meest indrukwekkende scène uit de film.

Reisman komt in dat rijtje namen te staan als ik na afloop van de verloren finale van de US Open tegen Geng Lijuan uit China, de zilveren medaille omgehangen krijg. Rond het podium verzamelt zich een groepje mannen. Een van hen, een artistiek type met lang rossig haar en een ringbaardje, stelt zich voor als Dexter Grey. Pianist, zegt hij, actief op concertpodia in Azië. Hij nodigt me uit te komen logeren in zijn ‘castle’ en belooft Chopin voor me te spelen. Dan, om nog meer indruk te maken, wijst hij naar een andere man. Verlegen, maar onmiskenbaar opvallend. Onberispelijk gekleed, rijzige gestalte, hoge wijdvallende bandplooibroek, beige hoed. Een dandy. Dexter Grey fluistert me in wie er voor me staat.  

Marty Reisman wordt geboren uit Joodse ouders en groeit op in een ontregelde, door de Holocaust zwaar getraumatiseerde gemeenschap. Zijn vader is taxichauffeur en gokverslaafd. Zijn moeder is naaister. Marty groeit op in de neurotische draaimolen van zijn ouders, die voortdurend vechten tegen geldgebrek, zichzelf en elkaar. Als de hoog sensitieve Marty negen jaar is, worden de beproevingen thuis hem te veel; hij krijgt een zenuwinzinking, zoekt rust buiten de deur, vindt die door te gaan sporten, niet boksen of basketbal zoals de straatjeugd van Harlem, maar potjes tafeltennis voor geld in een tafeltenniscentrum. Marty wordt er razendsnel heel goed in, een geduchte money player.  

Zijn reputatie als supertalent voert Marty naar de wedstrijdsport. Hij moet in luxe hotels opdraven bij machtige bestuurders en maffiose bobo’s, verdient daar zijn reputatie als Mauser, explosief als een machinegeweer, een lastig mannetje om mee te dealen. Met zijn sierlijke spel bereikt Marty the Needle de wereldtop.  

In 1952 is hij in Bombay, 21 jaar oud, een van de favorieten voor de wereldtitel. In de eerste ronde treft hij de ongeplaatste Japanner Satoh. In de film heet hij Endo. Satoh komt met een noviteit: hij speelt met sponsrubber op zijn bat; Marty krijgt de effectservices niet één keer op tafel. Hij verliest kansloos; Satoh wordt de eerste Aziatische wereldkampioen tafeltennis. Bombay markeert het einde van de Engelstalige dominantie in de internationale wedstrijdsport. En van Marty Reisman en zijn houten bat. Zo ging het in werkelijkheid, in de film zijn de feiten verdraaid. Reisman blijft spelen, hij is tenslotte een money player. Hij wordt Marty Supreme, de sidekick van de Harlem Globetrotters die met hun basketbalcircus de wereld overgaan. We zien hem spelen met potten en pannen, op miniatuurtafels, hij schittert als een pur sang entertainer. 

Bettine Vriesekoop, hier in 1997 tijdens een wedstrijd tegen Asa Svensson uit Zweden. Vriesekoop won in drie sets.

Held in twee werelden

In 1956 breekt het uur der wrake aan. In de film heeft Marty een relatie met een veel oudere vrouw, getrouwd met inktmagnaat Rockwell. Hij stelt hem voor zijn revanchematch tegen Satoh te sponsoren en er een reclamecampagne van te maken: „Koppel de penhoudergreep aan Rockwell inkt.” Satoh speelt immers zo. Er wordt een revanche georganiseerd, voorafgaand aan het WK in Tokio. 

De Amerikaanse bezetting van Japan is net beëindigd. Rockwell sponsort de match in een bioscoop met vijfduizend toeschouwers. Marty heeft beter geleerd met effect om te gaan. De partij is spectaculair: voor kenners tenenkrommend, voor leken meeslepend. Marty wint met twee punten verschil en zakt uitgeput op de grond. Een militair vliegtuig brengt hem terug naar New York, waar hij wordt onthaald alsof hij wereldkampioen is geworden. Marty kon zich in Tokyo revancheren voor z’n verlies in Bombay vier jaar eerder. Door de winst in de demonstratiepartij was hij nu held in twee werelden. Soms is verliezen achteraf eervoller, omdat de winst wordt ingehaald door een groter verhaal. 

De frustratie van Marty over de grote invloed van het materiaal op zijn sport en hoe dit hem van de ene op de andere dag van topper tot minkukel degradeerde, herken ik. In 1983 ging ik af als een gieter tegen mijn Chinese tegenstander Ni Xialian, bijgenaamd de mattenklopper. Zij speelde net als Satoh met de penhoudergreep, draaide met haar bat waardoor onmogelijk te zien was of ze de bal met korte of lange noppen retourneerde. Het was in de achtste finale van het WK in Tokyo, waar Marty Reisman zich in 1956 revancheerde tegen Satoh. 

Als ik Electric Cinema uitloop, ben ik moe van de drukke beelden, heb ik behoefte aan rust. Slenterend over Portobello Road richting underground, bedenk ik dat Marty Supreme een Woody Allen-achtige satire is op het naoorlogse Joodse milieu in New York. Maar de film gaat ook over talent, eigenzinnigheid, geldingsdrang, grootheidswaanzin en succes in Amerika. En wat er met een individu gebeurt wanneer dromen niet gerealiseerd kunnen worden en zelfdestructief gedrag ook een ontwrichtende invloed heeft op een toch al kwetsbare omgeving. Misschien verklaart dat de populariteit van de film. Niet omdat Chalamet knap laat zien hoe vroeger tafeltennis werd gespeeld, maar omdat Safdie de Amerikaanse maatschappij een spiegel voorhoudt. 

Film

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next