Home

Wie in het mbo uitvalt, verdwijnt vaak uit beeld. Deze nieuwe aanpak moet helpen dat patroon te doorbreken

Onderzoek was lange tijd het domein van hogescholen en universiteiten. Maar in het mbo wint het practoraat terrein: praktijkgericht onderzoek dat het onderwijs moet verbeteren. Het is een ambitie die het nieuwe kabinet ondersteunt.

is nieuwsverslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft met name over onderwijs.

‘Van faktaal naar vaktaal’, staat er op een briefje op tafel van Detlef de Kriek. Het is bedoeld als grap, maar geen lichte. Als vakdocent installatietechniek bij ROC Midden Nederland ziet hij het bijna dagelijks: studenten die moeiteloos een cv-ketel aansluiten of een groepenkast bedraden, maar vastlopen zodra ze moeten opschrijven wat ze hebben gedaan.

Voor hem liggen uitgeprinte reflectieformulieren. ‘Wat ging er goed?’, staat erboven. Het antwoord kronkelt over het papier, zonder punten, komma’s of een duidelijke kern. Taal is niet zijn vak, zegt De Kriek, maar toch vindt hij het belangrijk. ‘Ik wil dat studenten later een fatsoenlijke mail kunnen sturen naar hun werkgever. Of hun schoolmail kunnen beantwoorden.’

Nu blijft het bij wat bijsturen in de les en wat extra uitleg tussendoor. De Kriek wil het fundamenteler aanpakken. De komende jaren onderzoekt hij hoe taalvaardigheid structureel kan worden geïntegreerd in het vakonderwijs.

Zijn onderzoek maakt deel uit van het practoraat Passend Onderwijzen, dat eind vorig jaar van start ging binnen ROC Midden Nederland. Op deze donderdagmiddag is de officiële aftrap, op de Tech Campus in Nieuwegein. Zo’n 150 bezoekers schuiven langs tafels in een lokaal dat voor de gelegenheid is ingericht als symbolisch restaurant.

Op ‘menukaarten’ presenteren vijf docent-onderzoekers hun onderzoeksvragen. Ze gaan over uitstelgedrag, concentratieproblemen, taalachterstanden en verschillen in leerbehoeften – kwesties die rechtstreeks uit de klas komen.

Het doel is duidelijk: beter begrijpen waar studenten vastlopen, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast. Jaarlijks verlaten tienduizenden mbo-studenten voortijdig hun opleiding, bijvoorbeeld door schulden, mentale problemen of een verkeerde studiekeuze. Wie uitvalt, verdwijnt vaak niet alleen uit de schoolbanken, maar ook uit beeld.

Het practoraat moet helpen dat patroon te doorbreken.

Praktijkgericht onderzoek

Bij onderzoek denken we in Nederland nog altijd aan universiteiten en hogescholen. Aan grafieken, statistiek en peerreviews. Onderzoek is voor denkers; doeners leren een vak. Toch is dat beeld aan het kantelen. In het mbo ontwikkelt zich een onderzoekspraktijk die op steeds meer scholen voet aan de grond krijgt: het practoraat.

Waar universiteiten zich vooral richten op wetenschappelijke kennisontwikkeling, ligt de focus bij practoraten – net als bij lectoraten in het hbo – op toepasbaarheid. Publicatie in een tijdschrift is geen doel op zich. Het gaat om inzichten waar docenten en opleidingen direct mee verder kunnen, in de klas of in samenwerking met het beroepsveld.

Vanuit de politiek is er steun voor het initiatief dat in het onderwijs begon. In het bestuursakkoord mbo uit 2024 spraken mbo-instellingen, de MBO Raad en het ministerie van Onderwijs voor het eerst af dat scholen hun onderzoekend vermogen moeten versterken, bij voorkeur via practoraten.

Het nieuwe kabinet zet die lijn voort. In het regeerakkoord wordt het mbo nadrukkelijk genoemd als cruciale schakel in het aanpakken van personeelstekorten, onder meer in sectoren als de zorg en techniek. Opleidingen moeten beter aansluiten op de arbeidsmarkt en nauwer samenwerken met het werkveld. Practoraten geven mbo-instellingen daarvoor een instrument.

Geen onderzoekscultuur

Hoewel practoraten buiten het mbo nog relatief onbekend zijn, gaat hun oorsprong heel wat jaren terug. Rond 2010 begon het Mediacollege Amsterdam een onderzoeksproject naar de rol van sociale media in het onderwijs. Docenten zagen dat platforms als Facebook en Twitter het gedrag en de communicatie van studenten veranderden, maar hadden nauwelijks zicht op wat dit betekende voor hun onderwijs.

Jorick Scheerens, destijds docent aan het Mediacollege, liep daarbij tegen een basale vraag aan: hoe doe je eigenlijk onderzoek in het mbo? ‘Die praktijk bestond toen nog niet’, zegt hij. ‘Onderzoek gebeurde aan universiteiten en hogescholen, niet binnen mbo-instellingen zelf.’

Scheerens en zijn collega’s besloten het onderzoek zelf uit te voeren. Ze keken naar lectoraten in het hbo, waarvoor hogescholen sinds begin deze eeuw overheidssubsidies ontvangen. Daardoor konden lectoren en docent-onderzoekers een deel van hun werktijd aan onderzoek besteden. In het mbo bestond zo’n structuur niet. Docenten hadden volle lesroosters en nauwelijks ruimte voor langdurig onderzoek.

Wat voor het mbo wel werkte, zo ondervond Scheerens, was een lichtere variant: onderzoek uitgevoerd door docenten zelf, naast hun lesgevende taak, gericht op concrete vragen uit hun eigen onderwijspraktijk. ‘Onderzoek is voor ons geen doel op zich’, zegt hij. ‘Het is een middel om beter onderwijs en een betere beroepspraktijk mogelijk te maken.’

Het idee vond snel navolging. Steeds meer mbo-instellingen wilden hun onderwijs systematisch onderzoeken en verbeteren. Om die ontwikkeling te ondersteunen, ging Scheerens vanaf 2015 scholen begeleiden bij het opbouwen van hun eigen onderzoekspraktijk. De ambitie van de Stichting Practoraten, waarvan hij programmadirecteur is, was om elke mbo-instelling een eigen practoraat te gegeven. Dat is ruimschoots gelukt. Het Nederlandse mbo telt 159 practoraten, verspreid over zo’n zestig instellingen.

Van ouderenzorg tot AI

Sommige practoraten richten zich op het onderwijs zelf. Zo onderzoekt het ROC van Amsterdam hoe het kansengelijkheid en studentenwelzijn kan versterken, en kijkt ROC Nijmegen hoe docenten beter kunnen omgaan met verschillen in de klas.

Andere practoraten sluiten direct aan op het werkveld. Firda in Leeuwarden onderzoekt wat de energietransitie betekent voor technische opleidingen, terwijl Deltion College (Zwolle) toepassingen van zorgtechnologie ontwikkelt, zoals slimme sensoren in de ouderenzorg. Ook kunstmatige intelligentie is een opkomend thema, waarbij mbo-instellingen verkennen wat AI betekent voor opleidingen en beroepen.

De opmars van practoraten past in een bredere herwaardering van het mbo. Studenten (voorheen nog ‘leerlingen’ genoemd) hebben sinds 2014 recht op studiefinanciering en een ov-kaart. Mbo-instellingen worden ook steeds vaker betrokken bij onderzoeksprojecten met hogescholen en universiteiten. ‘We worden gelijkwaardigere gesprekspartners’, zegt Scheerens. ‘De geest is uit de fles.’

Passend onderwijzen

Ditte Lockhorst werkte jarenlang aan de Universiteit Utrecht, waar ze promoveerde en onderzoek deed naar onderwijs. Met veel plezier, maar gaandeweg begon het te wringen. Ze wilde dichter bij de praktijk staan.

Toen ze vernam dat ROC Midden Nederland zijn eerste practoraat zou beginnen, solliciteerde ze – en werd aangenomen. Als practor geeft ze leiding aan het onderzoek en zorgt ze dat de resultaten hun weg vinden naar het onderwijs. Dat kan betekenen dat docenten hun lessen anders inrichten, de begeleiding aanpassen of onderdelen van het curriculum herzien. ‘Het onderzoek moet uiteindelijk iets veranderen in wat er in de klas gebeurt’, zegt ze.

Het practoraat loopt vier jaar en wordt gefinancierd uit zogeheten kwaliteitsgelden: overheidsmiddelen om het mbo-onderwijs te verbeteren. Vijf docenten krijgen gedeeltelijk vrijstelling om naast hun lessen onderzoek te doen. Die combinatie is essentieel, zegt Lockhorst. ‘De docent-onderzoekers kennen hun studenten en hun praktijk van binnenuit. Ze zien waar studenten vastlopen en waar ruimte zit om het onderwijs te verbeteren.’

Het practoraat Passend Onderwijzen in het mbo richt zich op de vraag hoe je het onderwijs zo inricht dat zo veel mogelijk studenten kunnen meekomen. ‘Niet ingrijpen als het misgaat, maar voorkomen dat studenten vastlopen.’ Het doel, zo legt Lockhorst uit, is om 80 procent van de studenten binnen de reguliere lessen te bedienen zonder extra ondersteuning.

Om dat te bereiken spreken docent-onderzoekers met studenten en collega’s. Ook organiseren ze focusgroepen: groepsgesprekken waarin studenten en docenten samen reflecteren op hun ervaringen en knelpunten. Daarnaast analyseren ze wat er in de klas gebeurt, van lesopbouw tot interactie.

Volgens Henk Schotpoort, directeur onderwijs en innovatie, sluit het practoraat aan bij de ambitie van ROC Midden Nederland om een inclusieve school te zijn. Maar hoe je het onderwijs zo inricht dat het echt aansluit bij alle studenten, is in het mbo geen eenvoudige opgave. De verschillen zijn groot. ‘We hebben sportcolleges, waar het letterlijk naar zweet ruikt. Zorgopleidingen, waar studenten medische handelingen leren. Techniekopleidingen, waar met olie en gereedschap wordt gewerkt. Elke opleiding en elke groep studenten is anders.’

Inzichten uit onderwijsonderzoek bieden daarom niet altijd houvast. ‘Die zijn vaak te algemeen’, zegt Schotpoort. ‘Terwijl het practoraat zich echt richt op: wat werkt hier, met deze studenten? Dan krijg je geen rapport voor in de la, maar kennis waar docenten meteen iets mee kunnen.’

Hoewel practoraten snel terrein winnen, staat onderzoek in het mbo nog in de steigers, zegt practor Ditte Lockhorst. Voorzieningen die in het hoger onderwijs vanzelfsprekend zijn, ontbreken vaak. Zo hebben practoraten niet altijd toegang tot wetenschappelijke databanken en zijn er nauwelijks vaste richtlijnen voor kwaliteitsborging. ‘Een ethische commissie, zoals aan universiteiten, is er niet’, zegt ze. ‘Dat betekent dat we veel zelf moeten organiseren.’

Dat roept fundamentele vragen op: waar sla je onderzoeksdata veilig op, hoe waarborg je privacy en wanneer is praktijkgericht onderzoek van voldoende kwaliteit? ‘We zijn dit echt nog aan het opbouwen.’

Dolfijnmomenten

In het lokaal op de Tech Campus staat Wout van der Veen, docent bij het Sport College Utrecht, achter een van de tafels. Hij gaat onderzoek doen naar uitstelgedrag. ‘Je hebt studenten die niet goed weten waar ze moeten beginnen’, zegt hij. ‘Maar ook studenten die denken: komt wel goed. En dan gebeurt er niets.’

Met een markeerstift noteert hij suggesties van het publiek op een papieren tafelkleed: ‘duidelijke stappen’, ‘beloning’, ‘omgeving zonder afleiding’. En ook: ‘dolfijnmomenten’. Dat zijn korte incheckmomenten bij de student tijdens langere trajecten, aldus Van der Veen. ‘Even bovenkomen, net als een dolfijn.’

Juist in trajecten die weken duren, ziet hij hoe studenten afhaken. Ze verliezen het overzicht, stellen taken uit of raken hun motivatie kwijt, zonder dat iemand het direct merkt. Hij wil begrijpen waarom studenten vastlopen. ‘Pas dan’, zegt hij, ‘kun je echt iets veranderen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next