Home

Fascinerend genoeg hielden de naoorlogse kunstenaars van de ‘School of London’ hardnekkig vast aan traditie

De Londense kunstenaars, wiens werk nu Den Haag hangt, bleven steevast de menselijke figuur afbeelden. Dat wil niet zeggen dat ze helemaal geen oog hadden voor wat er buiten hun atelier gebeurde.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.

1. Verwarm de theepot
2. Zorg dat de theepot droog is
3. Een theelepel per persoon
4. Gebruik koud water
5. Roer voor 4 minuten.

Dat zijn de aanwijzingen voor de ‘beste’ theebereiding op David Hockneys schilderij van een pakje Typhoo Tea. Britser krijg je het niet: thee als het ultieme hoogtepunt van het Verenigd Koninkrijk; bindend element in een wereld die steeds mondialer wordt. Ook toen al. We schrijven het jaar 1961.

In Kunstmuseum Den Haag hangt het eigenzinnige popartkunstwerk van Hockney tegen de muur tussen circa zestig andere schilderijen en tekeningen, als pars pro toto van de Britse, sorry, Londense kunstscene van naoorlogse schilders.

Oftewel: de ‘School of London’, zoals de groep van ongeveer veertien kunstenaars ook wordt genoemd, hoewel het geen echte ‘school’ was. Meer een geslaagde verkoopslogan van de Britse Arts Council, als variant op wat er in het buitenland als kunstzinnige merknamen al voorhanden was, met de École de Paris en de New York School.

Figuratieve schilderkunst

Is er dan helemaal geen verwantschap tussen de in Den Haag getoonde kunstenaars als Lucian Freud, Leon Kossoff, Celia Paul, Frank Auerbach, Eva Frankfurther, R.B. Kitaj, voorgenoemde Hockney en de spil van het geheel, Francis Bacon? En de jongere generatie met Denzil Forrester en Lynette Yiadom-Boakye?

Jawel! Er is zelfs een knalharde overeenkomst: het hardnekkige geloof in het belang van figuratieve schilderkunst, wat blijkbaar in het Londen van na de oorlog levendig werd uitgedragen, met het uitbeelden van naakten, het schilderen van portretten, het vereeuwigen van familieleden, collega’s, stadsgenoten en zichzelf.

Freud en Bacon zijn ermee beroemd geworden: met hun buitengewoon openhartige (Freud) en verwrongen (Bacon) naakten. Hockney niet minder. In Den Haag hangen drie wandvullende dubbelportretten, zoals van zijn ouders. Iets minder bekend zijn de straatscènes van R.B. Kitaj. Of de robuuste koppen en dito schilderwijze van Frank Auerbach. Nog minder bekend: de expliciet naakte mannen van Sandra Fisher.

Vernieuwingsdrang

Het hardnekkige vasthouden aan de menselijke figuur is op zich merkwaardig in de naoorlogse periode die in de westerse kunst gedomineerd werd door abstractie, door experimentele fluxusopvoeringen, het belang van ‘nieuwe’ technieken als fotografie en collage. Denk ook aan de spijker-‘schilderijen’ van de Duitser Günther Uecker, de hallucinerende blauwe monochromen van de Fransman Yves Klein, de met een stanleymes opengereten doeken van de Argentijnse Italiaan Lucio Fontana. De vernieuwingsdrang druipt ervan af.

Je zou verwachten dat de Londense kunstenaars in zo’n levendig internationaal kunstklimaat het oude vertrouwde schilderen naar model zouden loslaten. Temeer omdat de stad na de oorlog, mede door het instortende ‘Empire’, juist in een smeltkroes van culturen veranderde, met invloeden van buitenaf én de daarbij horende spanningen; met protesten tegen racisme en fascisme, en vóór meer rechten voor vrouwen en de lhbti-gemeenschap.

Niet dus.

Het is een buitengewoon fascinerend gegeven dat deze Londense club van kunstenaars – die veelal niet eens in Londen waren geboren en een buitenlandse, niet-Britse culturele achtergrond hadden – de traditie bleven omarmen.

Het werk maakt daardoor in Den Haag een behoudende indruk. Zonder de schilders noch hun werk in diskrediet te brengen, hangt er een pre-brexitsfeertje. Zo van: wij trekken ons van al die buitenlandse kunststromingen niets aan. We gaan onze eigen weg. Kijken meer naar elkaar dan over de grenzen.

Onafhankelijker dan anderen

Hoe dat te verklaren is, valt moeilijk te zeggen. Misschien omdat de Britten, als een van de weinigen in Europa, niet hadden gecapituleerd voor de nazi’s – wat ze het idee gaf onafhankelijker dan anderen te zijn.

R.B. Kitaj schreef in elk geval, in 1976, toen hij bij een tentoonstelling voor de Arts Council de term ‘School of London’ publiekelijk lanceerde: ‘Er zijn artistieke persoonlijkheden op dit kleine eiland, unieker en sterker en, denk ik, talrijker dan waar ook ter wereld.’ Het zijn niet bepaald woorden die veel ontvankelijkheid vertegenwoordigen.

En toch moet je een kanttekening bij zo’n conclusie plaatsen. Dat deze kunstenaars zich onderdompelden in vijftig tinten vleeskleur, wil niet zeggen dat ze helemaal geen oog hadden voor wat er buiten hun atelier gebeurde.

De keuze voor de menselijke figuur mag conservatief klinken, de intentie waarmee dat werd gedaan is niet gespeend van menselijke besognes en oorlogstragedie. Bacons ‘gewonde’ portretten, Kitajs oog voor straatgeweld en discriminatie, Paula Rego’s huiselijk ongemak – er sijpelt wel degelijk iets van maatschappelijke onrust door in hun werk.

Of zoals Frank Auerbach, wiens ouders in de Holocaust werden vermoord, liet weten: ‘Er heerste een merkwaardig gevoel dat we allemaal naakte, weerloze dieren waren, mensen die de oorlog hadden overleefd.’

Of de School of London, als een hechte gemeenschap van Londense, naoorlogse kunstenaars, echt bestond? Het was eerder een los-vast gezelschap van kunstenaars die zich veel in dezelfde bars in Soho lieten vollopen. Belangrijke bijdrage tot deze beeldvorming was de in scène gezette foto die John Deakin in maart 1963 in opdracht voor het tijdschrift Queen maakte van Timothy Behrens, Lucian Freud, Francis Bacon, Frank Auerbach en Michael Andrews, tijdens een lunch bij visrestaurant Wheeler’s.

Van een lunch was namelijk geen sprake: hoewel iedereen met het glas in de hand zogenaamd aan de drank was, bleef de champagnefles in de koeler tijdens de opnamesessie ongeopend. Blijkbaar was het ook voor deze grootverbruikers nog te vroeg: elf uur.

Beeldende kunst
★★★★☆
Kunstmuseum Den Haag, t/m 7/6.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next