Home

Alleskunner William Kentridge wil niet ‘zuiver’ zijn: ‘Kunstenaars verslinden veel verschillende karkassen’

Kunstenaar William Kentridge is niet in één hokje te vangen: hij tekent, schrijft, beeldhouwt, filmt en componeert. In zijn boek Anatomie van het atelier beschrijft hij zijn creatieve proces. ‘Als je probeert om ‘zuiver’ te zijn, dan heb je het verkeerde beroep gekozen.’

​is kunstredacteur van de Volkskrant.

Er is een onrust die William Kentridge drijft. Maar die is niet te zien. De koude winterochtend waarop de kunstenaar via een videoverbinding met de Volkskrant spreekt is in Johannesburg ‘een heerlijke zomerdag’, vertelt hij opgewekt. Kentridge bevindt zich in zijn tuinatelier, verduidelijkt hij desgevraagd. Achter hem weerspiegelt het weelderige groen van de omgeving in een raampartij.

De 70-jarige kunstenaar is een uniek soort alleskunner. Kentridge tekent, schrijft, beeldhouwt, acteert, regisseert, filmt en componeert. De afgelopen jaren was zijn werk in Nederland te zien in Stedelijk Museum Amsterdam, Eye Filmmuseum, Museum Voorlinden en het Van Abbemuseum. Ook op het Holland Festival was hij regelmatig te gast. Zo regisseerde hij in 2015 bij de Nationale Opera Lulu in een door hem ontworpen decor.

Kentridge’ kunst is, ondanks al die verschillende uitingsvormen, heel herkenbaar. Het is zijn specialiteit om zijn houtskooltekeningen tot leven te wekken met stop-motionanimaties. Die vormen de basis voor de performances, optochten, schimmenspellen, installaties, films, opera’s en toneelstukken die over de hele wereld zijn geëxposeerd en opgevoerd.

Kleur gebruikt hij niet, wel veel beweging, geluiden, mensen, muziek en tekst. In zijn nieuwe boek beschrijft hij hoe hij al op de kunstacademie ontdekte dat hij ‘niet in kleur kon denken’. Hij probeert het wel, maar bij het mengen van kleuren lijken zijn handen ‘stompjes die in de mayonaise staan te roeren’. Het gebrek aan kleur lijkt ook te passen bij de belangrijkste onderwerpen van zijn kunst: politieke en sociale geschiedenis.

Het boek, Anatomie van het atelier, dat een intrigerende inzage geeft in zijn creatieve proces, is ontstaan vanuit een reeks lezingen die Kentridge in 2024 gaf aan de universiteit van Oxford. Kentridge vertelt over zijn jeugd in Zuid-Afrika, de kunstprojecten waaraan hij heeft gewerkt, zijn associaties, herinneringen, fascinaties, inspiratiebronnen, eindeloze lijstjes en twijfels.

Zijn kunstenaarschap heeft iets dwangmatigs, legt hij in het videogesprek uit: ‘Sommige mensen willen geen kunstenaar zijn, hebben die behoefte niet, zijn gewoon prima gelukkig en gaan stilletjes verder met hun leven. Maar als je je leven eraan wijdt vellen papier te maken die je met de wereld wilt delen, dan moet dat een soort neurose zijn.’

Tientallen jaren al vormt Kentridge de spil van een soepele maar voor een buitenstaander tamelijk onnavolgbare kunstmachinerie. ’s Ochtends heeft hij gewerkt in een van zijn andere ateliers aan een sculptuur die in brons moet worden gegoten: ‘En ondertussen werken drie filmmonteurs fulltime aan verschillende projecten. We zijn bezig met een opera van Monteverdi, een project over Kafka en een concert dat een vervolg is van een project in Rome. Hier achter mij is het tekenatelier en we hebben ook een grafisch atelier.’

Wat er allemaal in al die ateliers gebeurt, en via welke omwegen de route van idee naar kunstwerk loopt, beschrijft hij uitgebreid in Anatomie van het atelier. Een hoofdstuk is gewijd aan een ongelooflijk grootschalig project dat hij in Rome uitvoerde. Uitvoerig historisch onderzoek ging eraan vooraf, allerlei praktische tegenslagen volgden en toch lukte het: Triumphs and Laments is een 500 meter lang kunstwerk langs de Tiber over de geschiedenis van Rome, dat in een muzikale performance tot leven werd gewekt.

Eerder maakte Kentridge vanuit de beperkingen van de coronalockdowns de uitgebreide videoreeks Self-Portrait as a Coffee Pot, waarin hij laat zien hoe zijn fantasieën in zijn atelier tot leven komen. En tot welke verrassingen dat leidt: ‘Je neemt je voor een tekening te maken van het hele universum. En het draait uit op een koffiepot. Je begint op een nieuw vel papier, alles is nog mogelijk en het enige dat tevoorschijn komt is… nog een koffiepot.’

In uw videoreeks Self-Portrait as a Coffee Pot vergelijkt u het atelier met een uitvergroot brein. Is dat een prettige plek om in te vertoeven?

‘Ik ben erg graag in mijn atelier. Terwijl ik werk ervaar ik de ruimte niet als een uitvergroot brein, maar dat is een geschikte manier om de processen in het atelier te beschrijven. Hier worden mijn gedachten zichtbaar, in de verschillende tekeningen die zijn ontstaan. En volgens neurologen reizen gedachten van de ene kant van ons hoofd naar de andere kant. In het atelier wordt dat proces fysiek en zichtbaar als ik rondloop.’

U heeft in het atelier gesprekken met uzelf. Die gesprekken beeldde u in Self-Portrait as a Coffee Pot uit met twee personages. U bent dan opgesplitst in de maker en de toeschouwer.

‘Klopt, de maker en de criticus. Je wisselt tussen die twee. Je hoopt altijd dat degene die schrijft of tekent net zo slim is als degene die het beschouwt en beoordeelt.’

U vertrouwt uw innerlijke criticus?

‘O God, nee. Soms denk ik: ik weet heus dat dit slecht is, maar we laten het gewoon een week liggen en dan zul je zien dat het er al minder slecht uitziet. De criticus zegt dan: prima, we wachten een week, dan bekijken we het opnieuw en dan zul je het alsnog weggooien. Ik kan nooit voorspellen hoe het uitpakt.’

In uw boek noemt u ieder mens ‘een collage in wording’.

‘Ja, we maken die collage elke dag. Er zijn gewoontes die deel uitmaken van onze identiteit. Zoals voor mij: ’s ochtends zwemmen. De nieuwsberichten die ik lees, die vormen mij ook. Mijn ochtend is in tweeën gesplitst door dit gesprek met jou. Hierna ga ik terug naar het atelier om te kijken hoe het gaat met het beeld waaraan we vanochtend werkten, of dat goed is gehard. Al die verschillende fragmenten maken deel uit van wie ik ben. Samen vormen ze het geheel.’

Dit idee van een vloeibare identiteit lijkt haaks te staan op de manier waarop jongere generaties over identiteit denken: als iets wat vaststaat.

‘Doordat ik in Zuid-Afrika ben opgegroeid onder apartheid sta ik erg wantrouwig tegenover elk idee van een restrictieve essentialistische identiteit. Het apartheidsbeleid was gebaseerd op raciale identiteiten. Als je wit was, dan hoorde je belangstelling te hebben in Europese dingen; als je zwart was, werd je geacht van tribale muziek te houden. Die scheidslijnen moeten we afbreken.

‘Ik geloof in de waarde van het gebruiken en misbruiken van andere tradities, in plaats van klem te zitten in je eigen traditie. Kunstenaars zijn als hyena’s. Ze verslinden veel verschillende karkassen, van veel verschillende plekken. Als je probeert om ‘zuiver’ te zijn, dan heb je het verkeerde beroep gekozen.’

U beschrijft het atelier als ‘een veilige plek om domme dingen te doen’. Waarom zou iemand domme dingen willen doen?

‘Ik bedoel letterlijk domme dingen. Ik werk nu aan een project over Kafka. Daarvoor gebruik ik een kartonnen masker met Kafka’s gezicht erop. Maar ik had tegelijk mijn handen nodig om te bewegen. Dus maakte ik een stuk uitstekend karton vast aan de achterkant van het masker. Dat klem ik tussen mijn tanden terwijl ik mijn armen beweeg. Dat voelt belachelijk. Als iemand het zou zien, zou diegene denken: is dit een serieuze activiteit voor een volwassene? Maar het heeft een prachtige scène opgeleverd. In het atelier gebeuren vaak dingen die oppervlakkig gezien onzinnig en weinig serieus lijken. Zoals een grote spat verf maken op een vel papier, het papier dubbelvouwen en dan zien wat er ontstaat.’

Een van uw motto’s is ‘zoek het minder goede idee’. Dat motto heeft een praktische en een ideologische kant. Kunt u dat uitleggen?

‘De praktische kant is: blijf ontvankelijk voor wat al doende en improviserend gebeurt. Natuurlijk begin je met het goede idee. Maar wanneer je dat uitvoert, op het podium of op papier, merk je dat het niet werkt. Dan moet je ontvankelijk zijn voor wat zich onverwachts aandient.

‘Ideologisch ben ik me bewust van alle grote zekerheden van de 20ste eeuw. Of het nou gaat om het positivisme of het Sovjet-communisme of het vertrouwen in de vrije markt – al die dingen. Ik bedoel dat we lokale en flexibele oplossingen nodig hebben. Of misschien bestaat er helaas geen oplossing, maar alleen een reeks minder slechte ideeën.’

U vindt dat we zonder utopieën moeten leven.

‘We moeten begrijpen dat de praktische toepassing van een utopie altijd uitdraait op een nachtmerrie. Toch moeten we leven alsof zo’n toestand mogelijk is. Die paradox moet je in je hoofd houden. Ook al weet je dat het waarschijnlijk niet beter wordt, toch moet je heel hard werken om daarvoor te zorgen.’

Geschiedenis vormt een belangrijk onderdeel van uw werk. In Anatomie van het atelier vraagt u zich af hoe het kan dat u een bepaalde geschiedenis nog niet kent. Bijvoorbeeld wanneer u ontdekt dat er in Rome tot eind 19de eeuw een joods getto was. Ik vatte dat niet op als een feitelijke vraag, maar als een uitdrukking van morele frustratie, of zelfs schuldgevoel.

‘Ik denk het, ja. Met andere woorden: je denkt dat je je openstelt voor de wereld. En dan ontdek je ineens: nee, in dit opzicht heb ik me teruggetrokken in het gemak van een deel van de kennis. En heb ik niet of pas heel laat de juiste vragen gesteld. De geschiedenis begrijpen lijkt me essentieel.’

Vindt u het een morele plicht?

‘Nee, ik zie het als een artistieke plicht. Alle kunstenaars werken met de geschiedenis. De manier waarop we de wereld zien is bepaald door alles wat we eerder zagen. En onze oren zijn volkomen anders dan die van Mozart of Bach. Zij hebben nooit een straalmotor gehoord, of het dopplereffect. Op allerlei manieren zijn onze hoofden gevuld met een encyclopedie van geluiden die honderden jaren geleden nog niet bestonden. Met dat bewustzijn moeten we werken.’

U groeide op in een maatschappij die door apartheid werd verdeeld. Hoe heeft dat u als kunstenaar gevormd?

‘In Zuid-Afrika staan politieke kwesties centraal en was onrechtvaardigheid zo aanwezig dat ik begreep dat kunst niet alleen versiering kon zijn, niet alleen draait om wat mooi is. Toen ik jong was had ik een instrumenteel idee over kunst; dat kunst de wereld kon veranderen.’

Was u een buitenstaander tussen uw leeftijdsgenoten, omdat u zich via het werk van uw ouders (anti-apartheidsadvocaten, red.) bewust was van het onrecht van de apartheid?

‘Ik was een beetje een buitenstaander. Ik zat op een witte jongensschool. De meeste kinderen in mijn klas en de meeste leraren accepteerden de voorschriften die golden tijdens de apartheid. Zo was de wereld nu eenmaal. Dat werd niet bevraagd.’

En hoe was dat voor u?

‘Tot op zekere hoogte is iedereen die binnen dat systeem opgroeide medeplichtig. Beticht mij alsjeblieft niet van onschuld, van niet schuldig zijn. Er waren bioscopen en zwembaden speciaal voor witte mensen, en toch ging je naar de film en naar het zwembad. Wie dat niet kon verdragen verliet het land. Wie bleef leefde binnen die omstandigheden. Het was een privilege, waar je niet om had gevraagd. Dan is de vraag: wat doe je met dat privilege?’

Kwam daar bij u het idee vandaan dat kunst instrumenteel was?

‘Ik denk van wel. Maar ik bleek helemaal niet goed namens anderen te kunnen denken of te kunnen verzinnen welke beelden zij zouden moeten zien. Dat was een duidelijke openbaring, waardoor ik eind jaren zeventig stopte met mijn kunstenaarschap en theater ging studeren. Later werd ik alsnog kunstenaar, maar met een totaal andere instelling. Ik werk met onderwerpen die mijzelf interesseren en dan hoop ik dat anderen er ook belangstelling voor hebben. Ik probeer niet meer te bedenken wat anderen zouden moeten zien.’

Onlangs vertelde de Zuid-Afrikaanse ambassadeur Ebrahim Rasool in een interview in NRC: ‘Ik zie een sluipende ingang van het apartheidsdenken in rechtse politiek wereldwijd.’ Bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar hij werkte, waar mensen van kleur worden opgepakt en gedeporteerd, en witte Afrikanen asiel krijgen. Deelt u zijn zorg?

‘Er is een toename van ultraconservatieve politiek, wereldwijd. Het zou zomaar kunnen blijken dat het naoorlogse tijdperk van liberale democratieën in West-Europa een gouden tijdperk is, dat zich niet meer zal herhalen. Ik vind het onbegrijpelijk dat onverdraagzaamheid nu zo veel ruimte krijgt. Er is een vrijbrief om je egoïsme en je bekrompenheid tentoon te spreiden en geen rekening meer te houden met de behoeften van anderen. Dat heeft in zekere zin te maken met het verdwijnen van schaamte. Veel mensen voelen geen schaamte meer, schaamte vinden ze een zwakte. Trump is daarvan het uiterste voorbeeld: voor hem bestaat de categorie schaamte niet.’

Maakt u zich weleens zorgen over de toekomst van kunst? U tekende uw eerste animaties in de kantlijnen van schoolboeken, uit verveling. Kinderen lijken tegenwoordig de kans niet meer te krijgen om zich te vervelen.

‘Er is zeker iets veranderd. In de Angelsaksische landen zijn traditioneel gezien cricketwedstrijden een plek van behaaglijke verveling. Zo’n wedstrijd kan vijf dagen duren. Er gebeurt weinig, soms eindigt het in gelijkspel. Vroeger ging je gewoon zitten kijken. En als er even niks gebeurde tussen de slagen keek je gewoon om je heen. Nu pakken mensen meteen hun telefoons. Ze checken hun e-mail, ze lezen het nieuws, ze doen van alles. Tegenwoordig is er een grote angst voor stilstand, voor verveling.’

Heeft dat effect op de manier waarop mensen uw werk beleven; vinden mensen het moeilijk om lang naar uw kunstwerken te kijken?

‘Nee, dat is niet zo. Allerlei onderzoeken tonen aan dat mensen in musea slechts een paar seconden naar een schilderij kijken. Maar zo gauw iets beweegt, verandert dat. Als je kijkt naar een landschap, dan geef je dat misschien drie of vier seconden van je tijd. Maar zo gauw in dat landschap een animatie is van een vogel die door de lucht vliegt, dan raakt de tijd buiten beeld. Stel dat het die vogel vijf seconden kost om van links naar rechts te vliegen. Die seconden voelen dan niet meer als jouw seconden, het zijn de vijf seconden van de film. Beweging verandert je relatie tot tijd en hoe je kijkt. Daardoor brengen veel mensen veel tijd door met mijn films. Het is moeilijker om lang naar een tekening te kijken. Daar ben ik zelf ook niet goed in.’

En staat u het uzelf nog toe om verveeld te zijn of niets te doen?

‘Ik ben erg slecht in nietsdoen. Als iemand de kamer verlaat, al is het maar vijf minuten, ben ik meteen geneigd mijn telefoon te pakken. Ik ben een soort anti-meditator. Mijn eerste reactie, als ik weet dat er thuis niets dringends moet gebeuren, is: laat ik gauw teruggaan naar het atelier.’

William Kentridge: Anatomie van het atelier. Uit het Engels vertaald door Anna Helmers-Dieleman. Cossee; 224 pagina’s; € 35.

Cv William Kentridge

28 april 1955 Geboren in Johannesburg.
1973-1976 Bachelor politieke en Afrikaanse studies aan de Universiteit van de Witwatersrand.
1975-1991 Medeoprichter en lid van het kritische theatergezelschap Junction Avenue Theatre Company in Johannesburg.
1976-1978 Kunstopleiding in tekenen en schilderen aan de Johannesburg Art Foundation.
1979 Eerste solotentoonstelling in de galerie Market Gallery in Johannesburg.
1981-1982 Opleiding mime en theater aan de l’École Internationale de Théâtre Jacques Lecoq in Parijs.
1993 Toont op de prestigieuze Biënnale van Venetië zijn reeks Drawings for Projections over de politieke geschiedenis van Zuid-Afrika. Kentridge’ kunst zal terugkeren in de internationale tentoonstelling in 1999, 2005, 2013 en 2015.
1997 Exposeert voor het eerst op de vijfjaarlijkse internationale tentoonstelling Documenta in Kassel. Ook voor deze tentoonstelling wordt hij vaker gevraagd.
1998-heden In 1998 krijgt Kentridge zijn eerste museumtentoonstellingen in België en de Verenigde Staten. Later volgen wereldwijd solotentoonstellingen, bijvoorbeeld in musea in Kyoto, Londen, Stockholm, Taipei, Sydney, Amsterdam en New York.
2012 Onderscheiden als Commandeur dans l’ordre des Arts et des Lettres in Parijs.
2016 Oprichter The Centre for the Less Good Idea in Johannesburg, een multidisciplinair en experimenteel kunstcentrum.
2024 Presentatie videoreeks Self-Portrait as a Coffee Pot in Venetië.

Kentridge’ kunstwerken zijn aangekocht door tientallen musea wereldwijd, hij ontving dertien eredoctoraten en won talloze prijzen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next