Home

De soepele slagen van Kok versus de rake klappen van Leerdam: op de 500 meter wordt het akelig spannend

Femke Kok leek de uitgesproken favoriet voor het goud op de olympische 500 meter. Maar na haar sensationele 1.000 meter mag ook Jutta Leerdam zondag hopen op goud. De twee toppers beschikken over opvallend contrasterende schaatsstijlen.

De 500 meter bij de vrouwen is de enige afstand waarop Nederland nog nooit olympisch goud heeft gewonnen, maar zondag kan aan dat gemis in de nationale schaatsgeschiedenis een einde komen. Twee vrouwen steken ver boven de rest uit: wereldrecordhouder Femke Kok en Jutta Leerdam.

Het leek de afgelopen maanden een uitgemaakte zaak: Femke Kok was de onbetwiste favoriet voor de olympische titel op de 500 meter. Ze is de wereldrecordhoudster, en sinds 3 februari 2024 heeft niemand haar meer weten te verslaan. Maar tijdens de gouden 1.000 meterrace van Jutta Leerdam van afgelopen maandag veerden aandachtige schaatsvolgers op: de Westlandse kwam na 600 meter sneller door dan Kok.

Plots is er meer spanning in het veld dan voorheen. Kok lijkt haar sprintvoorsprong kwijt. Maar terwijl de twee schaatsers samen tot de absolute top op de kortste afstanden behoren, beschikken ze over opvallend contrasterende schaatsstijlen. Een uitleg van hun aanpak, vanaf de start ontleed.

De start

Het verschil in de manier waarop Leerdam en Kok over de 400 meterbaan scheren – ze halen snelheden tot rond de 55 kilometer per uur – toont hoe divers het schaatsen kan zijn. Er bestaat niet één slag of één raceaanpak die als enige juiste geldt. ‘Geen schaatser is hetzelfde. De anatomie bepaalt hoe je je schaatsbeweging uitvoert’, zegt Andreas Wierda, trainer van Femke Kok in haar juniorentijd.

Kijk zondag naar de start van de 500 meter en de woorden van Wierda worden direct geïllustreerd. De twee sprinters verschillen overduidelijk van lichaamsbouw. Leerdam is met haar 1,81 meter langer dan Kok (1,72 meter), en ze is gespierder. Dat zegt niets over het verschil in snelheid of kracht an sich, maar bepaalt wel hoe je schaatst.

Als het langgerekte ‘ready’ van de starter door het stadion klinkt en schaatsers hun startpositie innemen, zakt Kok iets dieper in dan Leerdam. Als kind deed Kok aan turnen, pas op haar 12de koos ze definitief voor het schaatsen. Het is aan haar lenigheid te danken dat ze die diepe starthouding kan aannemen, denkt Wierda. ‘Ze heeft de flexibiliteit in haar heupen, ze kan haar rug heel goed rond maken.’

Aan de startstreep brengt Kok haar lichaam op spanning voor het schot. ‘Als een elastiekje dat je oprekt en weer loslaat’, aldus Wierda. Wouter van der Ploeg, die naast Wierda als coach op het ijs stond in Koks juniorentijd, is duidelijk: de start is Koks grootste wapen. Bij Leerdam is de start iets minder ‘verfijnd’, zegt hij. Maar ook dat heeft met bouw te maken. ‘Zo veel spiermassa heeft tijd nodig om in beweging te komen.’

De eerste passen

Als beide vrouwen hun eerste passen maken ziet Thijsje Oenema, meervoudig nationaal kampioen en voormalig houder van het Nederlands record op de 500 meter, ook een duidelijk verschil. Leerdam komt meer omhoog, terwijl Kok haar diepe kniehoek behoudt. Oenema: ‘Maar Jutta heeft vanaf het begin ook een langere slag, zij rijdt veel meer op kracht weg.’

Die kracht heeft Leerdam altijd al gehad, zegt Arnold van der Poel. Hij begeleidde Leerdam in haar laatste twee juniorenjaren bij het Gewest Zuid-Holland. ‘Fysiek was Jutta vanaf het begin al fantastisch: ze heeft een atletisch lichaam, is goed te belasten, ze herstelt goed. En ze was heel erg leergierig; ze zocht toen al altijd naar verbetering en had ook al het vermogen om wat zij als ballast ervaart overboord te gooien, om daar niet meer mee bezig te zijn.’

Leerdams grootste uitdaging was haar schaatstechniek, zo weet Van der Poel nog. Daarin verschilt ze volgens hem van Kok, die een veel natuurlijkere schaatser is als het aankomt op de beweging. ‘Jutta heeft zich de techniek echt eigen moeten maken. Daar heeft ze hard aan gewerkt. Maar wat Jutta van nature wel al heel goed deed en nog steeds doet, is dat als ze haar schaats op het ijs plaatst, ze meteen druk heeft op haar schaats. Er gaat geen moment verloren.’

De eerste 100 meter zijn het terrein van Kok. Waar veel schaatsers na het startschot omhoog komen en de neiging hebben te gaan ‘rennen’, maakt zij direct een zijwaartse afzet. ‘Daarvoor moet je heel lenig zijn, kracht hebben en je lichaam heel goed beheersen’, zegt haar vroegere coach Wierda.

De eerste bocht

Wierda ziet ook dat Kok weinig moeite heeft om na het eerste rechte stuk in een vloeiende beweging de bocht in te gaan. ‘Bij sommige schaatsers zie je daar een overgang, maar bij haar niet.’

Ook Leerdam kan als een raket de bocht door. Maar er is een verschil tussen haar binnen- en buitenbocht, weet Van der Poel. Als Leerdam in de buitenbaan start en dus de ruimere buitenbocht kan nemen, lukt het haar makkelijker om haar snelheid verder op te voeren. ‘Maar in de eerste binnenbocht heeft ze soms moeite om door te versnellen.

Van der Poel: ‘Ook dat heeft met haar lichaamsbouw te maken. De middelpuntvliedende kracht is groter in de binnenbocht, en dat is lastig voor Jutta omdat ze groter is.’ Met die kracht bedoelt Van der Poel de druk die een schaatser in de bocht ervaart, die de rijder naar de buitenkant van de baan duwt. ‘Jutta heeft ruimte nodig om door te versnellen. In de buitenbocht heeft ze dat wel; maar ze is nu in zo’n blakende vorm dat ze het ook in de binnenbocht zou kunnen redden.’

Na de eerste bocht

Bij het uitkomen van de eerste bocht, als ze hun topsnelheid bereiken, wordt het verschil tussen Kok en Leerdam misschien wel het best zichtbaar, ook voor de toeschouwer die niet is ingevoerd in de complexiteit van knie-, heup- en afzethoeken. De techniek van Kok kenmerkt zich door souplesse, zegt Oenema; Leerdam omschrijft ze als ‘ijzersterk’. Het ritme van Leerdam is daarentegen weer trager.

Kok onderscheidt zich door haar soepele slag, waarbij ze veel ontspanning houdt. Oenema vergelijkt haar met een veertje. Niet omdat ze springt, maar omdat ze lenig is en ondanks de diepe hoek van haar heup toch nog krachtig afzet. Oenema: ‘Lenigheid en kracht gaan niet vaak samen.’

De wat traag ogende slag van Leerdam kan de argeloze kijker op het verkeerde been zetten. Maar die grote, langzamere klappen zijn raak, keer op keer. Oenema: ‘Dat Jutta zo goed haar kracht kwijt kan op het ijs, is niet vanzelfsprekend. Er zijn veel meiden die sterk zijn, maar dit absoluut niet kunnen overbrengen op het ijs. Jutta kan dat wel; zij duwt haar schaats heel efficiënt zijwaarts tegen het ijs weg.’

De zijwaartse afzet is de paradoxale kern van het schaatsen. Wie hard vooruit wil, moet – anders dan bij lopen – naar de zijkant afzetten. Alleen dan kun je echt hoge snelheden bereiken. En niemand haalt zulke hoge topsnelheden als Kok en Leerdam. Van der Ploeg: ‘Deze twee steken er echt bovenuit. Ze zetten allebei heel mooi zijwaarts af, ze hakken nooit naar achteren.’

De tweede helft

Is het eerste deel van de 500 meter duidelijk het jachtgebied van springveer Kok, ergens aan het einde van de kruising kantelt dat beeld. Dan komt Leerdam op haar terrein, daar kan ze haar lange benen, diepe zit en krachtige afzet optimaal benutten. Zij heeft bovendien het bijzondere vermogen om, zelfs als de vermoeidheid toeslaat, haar snelheid vast te houden.

Als de brandende pijn in de benen schaatsers te veel wordt, lukt het ze vaak niet meer om diep te zitten. Dat gebeurt ook bij Leerdam. Maar in tegenstelling tot veel anderen lukt het haar wel om druk te houden en haar slagen af te blijven maken, al vertraagt haar ritme.

Van der Ploeg: ‘Vanaf de bank kun je dan denken: rijd nou eens door. Maar het gaat dan eigenlijk nog steeds heel hard.’ Zo is er niemand in het mondiale veld die zo hard de laatste 100 meter weet door te komen als Leerdam. Wat Kok aan het begin kan, kan Leerdam aan het eind.

De spanning staat erop

In de razendspannende 1.000 meter van afgelopen maandag ligt de belofte van een fascinerende strijd op de 500 meter verborgen. De eerste volle ronde die Leerdam reed ging in 26,1 seconden; Kok was 0,4 seconde trager. Als je dat verdisconteert met de openingen die beide vrouwen op de 500 meter in huis hebben, weet je dat het komende zondag akelig spannend kan worden. Van der Poel: ‘Jutta weet nu dat ze echt een kans heeft. En Femke heeft dat rondje ook gezien.’

De spanning staat erop – voor allebei. En dus komt het niet alleen aan op techniek of vorm van de dag, maar ook op mentale weerbaarheid. Leerdam heeft op de 1.000 meter al bewezen dat ze tegen hoge druk bestand is. Dat is haar aard, zegt haar oud-trainer Van der Poel. ‘Ze is heel doelgericht, ze weet exact wat ze wil. Je zou kunnen denken dat ze keihard en gevoelloos is, maar dat is ze niet. Ze luistert juist naar haar gevoel.’

Kok heeft het moeten leren, zegt Wierda. ‘Femke is zelfkritisch en perfectionistisch. Zoiets kan tegen je werken, want je hebt niet altijd alles onder controle. In haar juniorentijd hebben we haar ingeprent: focus op je taken. Dat ging steeds beter, en nu zeker, bij haar huidige coach Gerard van Velde. Ik heb er echt bewondering voor hoe ze onder druk heeft gepresteerd.’

Wierda kijkt enorm uit naar het treffen op de 500 meter. ‘Jutta is in het voordeel als het op kracht aankomt, Femke is in het voordeel qua techniek. Mentaal zijn ze min of meer even sterk, al denk ik dat Jutta wel met hogere druk te maken heeft gehad.

‘Ik kan van beiden genieten en ik verwacht dat ze heel dicht bij elkaar in de buurt gaan komen, meer dan voorheen. En dat die verschillende stijlen ongeveer tot hetzelfde eindresultaat zullen leiden.’

Van ’t Wout pakt tweede olympische titel

Shorttracker Jens van ’t Wout is er zaterdag in geslaagd om zijn gouden 1.000-meterrace van donderdag een schitterend vervolg te geven. In de finale van de 1.500 meter eindigde hij soeverein als eerste.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next