Zorg dat het bouwen van gedeelde woningen weer financieel aantrekkelijk wordt, en laat studentenkamers ook in aanmerking komen voor huurtoeslag. Dit zal het woningaanbod sterk vergroten, waardoor de huizenmarkt ook weer beter doorstroomt.
Het aanstaande minderheidskabinet Jetten heeft beloofd de woningnood in ons land nu eindelijk écht op te lossen – desnoods met tien nieuwe steden. Nu de nieuwe minister van Volkshuisvesting Elanor Boekholt-O’Sullivan in het ministerie van Binnenlandse Zaken zal gaan bivakkeren, schijnt er misschien ook eindelijk wat licht op de vergeten maatregel die de woningmarkt een enorme zet in de juiste richting kan geven: het massaal bijbouwen van gedeelde (studenten)woningen.
Het landelijke tekort aan specifiek studentenwoningen is al jaren gigantisch groot en bedraagt nu meer dan 20 duizend kamers. Vorig jaar is het uitzicht op een studentenkamer zelfs zo hopeloos geworden dat het tekort tegen de verwachting in is afgenomen – doordat studenten in groten getale de wens om tijdens de studie uit huis te gaan simpelweg opgaven.
Over de auteur
Ray Polman is voorzitter van het bestuur van Boks, dat de studentenhuurders vertegenwoordigt bij woningcorporatie SSH. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dit is funest voor de ontwikkeling en het mentale welzijn van jongeren, wat sowieso al tot een alarmerend peil is afgezakt. Het legt bovendien verdere druk op de algehele woningmarkt, doordat deze groep onvrijwillig thuiswonende studenten wel eerder naar een starterswoning op zoek gaat en ouders in de tussentijd niet kunnen ‘downsizen’, waardoor een ander huishouden kan doorstromen, waardoor anderen ook weer niet naar die woning kunnen verhuizen en zo door.
Het op grote schaal bijbouwen van door grote groepen gedeelde studentenwoningen – zoals in de jaren zestig met bijvoorbeeld het Amsterdamse Uilenstede of de Utrechtse IBB – lijkt dan de voor de hand liggende oplossing. Een huis waar veertien studenten een keuken en woonkamer delen is uiteraard efficiënter (goedkoper, sneller) gebouwd dan wanneer die voorzieningen veertien keer afzonderlijk geplaatst moeten worden.
Bovendien is het bewezen bevorderlijk voor jonge mensen om met huisgenoten samen te wonen. Zo leren ze van dichtbij mensen met verschillende achtergronden kennen, is er altijd iemand om een oogje in het zeil te houden en dragen ze door deel te nemen aan de huiscultuur bij aan het volgens mentale gezondheidsexperts cruciale ‘sense of belonging’. Maar toch worden er nauwelijks van dit soort onzelfstandige eenheden bijgebouwd.
Integendeel zelfs. Particuliere verhuurders van studentenhuizen zijn sinds de Woningwet uit 2024 van toenmalig minister Hugo de Jonge zo massaal panden gaan verkopen dat studentenverenigingen genoopt zijn eigen woningcoöperaties op te richten om de geliefde ledenhuizen en bijbehorende clubcultuur te behouden.
Woningcorporaties bouwen op hun beurt vrijwel alleen nog 1-kamerappartementen bij. Zo is op dit moment niet alleen het aantal studentenwoningen dalende, maar daarbinnen ook vooral het aandeel van woningen met huisgenoten.
Het stoppen van particuliere verkoop is weerbarstig, maar het stimuleren van woningcorporaties om onzelfstandige eenheden te bouwen is iets wat de landelijke overheid relatief eenvoudig kan waarmaken. Deze huisvesters willen namelijk al gedeelde huizen bouwen (omdat ze ook makkelijker en goedkoper te beheren zijn), maar worden door de huidige financiële werkelijkheid in de richting van zelfstandige eenheden (veelal studioappartementen) geduwd.
Voor onzelfstandige kamers mag via dezelfde Woningwet namelijk fors minder huur gevraagd worden dan voor zelfstandige appartementen. Maar omdat studenten die een eigen appartement huren in aanmerking komen voor huurtoeslag, betalen zij voor deze luxere woonruimte paradoxaal genoeg bruto vaak lagere huur en wordt zo de bouw en verhuur van studio’s indirect door de overheid gesubsidieerd.
Deze financiële druk is zo reëel dat de grootste studentenwoningcorporatie, DUWO, alleen nog studio’s laat bouwen in nieuwe projecten. En de tweede grootste studentenhuisvester, SSH, die met het oog op studentenwelzijn de expliciete doelstelling heeft om wél zoveel mogelijk woningen met kamers voor huisgenoten te bouwen, kan in zijn nieuwste complex slechts 200 van zulke kamers realiseren, tegenover 721 studio’s.
Als het Boekholt-O’Sullivan, de nieuwe ‘huisgenoot’ van de minister van Binnenlandse Zaken, dus menens is om de (studenten)woningnood voortvarend aan te pakken, dan zorgt zij zo snel mogelijk ervoor dat het puntenstelsel uit de Woningwet gewijzigd wordt. En wel door een uitzondering te maken voor de waardering van onzelfstandige eenheden, terwijl de huurtoeslag ook naar onzelfstandige eenheden wordt uitgebreid.
Zo wordt, zonder huurders te benadelen, het bouwen van gedeelde woningen weer financieel aantrekkelijk. En zo worden er enorme stappen gezet in het aanvullen van het Nederlandse woningaanbod, stroomt de huizenmarkt beter door, krijgt een nieuwe lichting studenten weer een (mentaal) gezonde studententijd met huisgenoten als vrienden voor het leven – en hoeft de staat op lange termijn zelfs minder aan huurtoeslag uit te keren, omdat onzelfstandige kamers gemiddeld nog steeds lagere huren dan studio’s rekenen.
Geen gekke uitkomst van een huisavondje op het ministerie van BiZa.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant