Manoushka Zeegelaar Breeveld heeft zich haar hele carrière ingezet voor het vertellen van onderbelichte verhalen, over Suriname en zwarte geschiedenis. Dat werpt zijn vruchten af. ‘Ik kies ervoor optimistisch te zijn.’
is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.
‘Ik wil ook een keer zo’n jurk aan!’ Dat ene zinnetje, zegt actrice Manoushka Zeegelaar Breeveld (56), was het startschot van Moeder van Europa, de muziektheatervoorstelling waarin zij de Habsburgse keizerin Maria Theresia speelt. Ze doelde op zo’n 18de-eeuwse suikertaart, het soort jurk dat een actrice als zij vanwege haar huidskleur nou nooit eens kan dragen op het toneel, omdat zoiets een plaatje zou opleveren dat historisch niet klopt. Maar waarom is dat eigenlijk belangrijk? En wat gebeurt er als je het gewoon wel zou doen?
‘Je treft ons midden in de makersbubbel’, zegt Zeegelaar Breeveld na afloop van een repetitie. ‘Ik vind dat een heerlijke tijd, zeker met deze superdiverse club. Een stuk als dit gaat natuurlijk over – ik ga het één keer zeggen – inclusiviteit. Vergeet dat woord, het is niet belangrijk. Wat belangrijk is: hoe gaan we met elkaar om? Hoe sta ik in deze samenleving? Hoe kijk je naar mij? Regisseur Belle van Heerikhuizen is een witte vrouw uit Amsterdam-Zuid, dus bet your ass dat wij verschillende perspectieven hebben. Maar we maken dit stuk echt samen, dus het is belangrijk om erover te praten. Dat zijn pittige gesprekken, maar wel heel goed. Toneelgroep Orkater is een van de weinige plekken die ik ken waar democratie écht werkt. Daarom vind ik het een feest om dit soort voorstellingen te maken. Geen onbezorgd feest, wel een goed feest.’
Volgens het persbericht gaat Moeder van Europa over ‘de strijd om deel uit te maken van de status quo en in historische verhalen alle stemmen te laten klinken’. Een beschrijving die heel wat gewichtiger klinkt dan de indruk die je overhoudt aan de repetitie op een woensdagmiddag. De sfeer is vrolijk en intiem. Er wordt veel gelachen door de acteurs, regelmatig worden scènes stilgelegd om er op kameraadschappelijke toon over te praten. Vanuit de hoek klinkt de muziek van een swingende band, op de speelvloer leveren twee violisten met hun instrumenten plagerig commentaar op de tekst.
‘Het toneelstuk speelt zich af in de aanloop naar de Franse Revolutie. We vertellen het deels door de ogen van twee vrouwen – die van mij en die van mijn dochter, Marie Antoinette’, zegt Zeegelaar Breeveld. ‘En deels door die van twee zwarte mannen; filosoof en vrijmetselaar Angelo Soliman en componist Chevalier, die ook wel de ‘zwarte Mozart’ werd genoemd. Zij stonden destijds in hoog aanzien aan de Europese hoven, maar zijn door de geschiedschrijving uitgewist.’
Engagement is een rode draad in het leven van Zeegelaar Breeveld, al sinds haar vroegste jeugd. Ze werd geboren in Rotterdam en verhuisde op haar 3de met haar ouders naar Suriname, het land dat ze zelf vaak ‘Su’ noemt.
Was dat een soort omgekeerde route? Veel Surinamers kwamen in die jaren toch juist naar Nederland?
‘Ja, maar mijn ouders waren alleen hierheen gekomen om te studeren, daarna wilden ze zo snel mogelijk terug om te helpen het land op te bouwen. Dat was indertijd ook niet ongewoon: als je familie het enigszins kon betalen, kwam je hier een opleiding halen. Er zat een gevoel van haast bij, zeker toen er sprake van was dat Suriname onafhankelijk zou worden. De beste vriendin van mijn moeder heeft niet eens haar diploma-uitreiking afgewacht. Mijn moeder was ook ongeduldig, zij was al klaar met haar opleiding tot onderwijzeres, mijn zus en ik waren geboren, maar mijn vader zat nog op de filmacademie. Dus was het: schiet eens op, we moeten gáán!’ Op plechtig ouderwetse toon: ‘Educatie en informatie verstrekken aan het volk! Met dat idee ben ik heel erg opgevoed.’
In Suriname hadden ze het goed. Haar moeder gaf les op een school, haar vader, Borger Breeveld, kwam bij de televisie te werken. Kort na de onafhankelijkheid in 1976 werd hij een nationale beroemdheid toen hij de hoofdrol speelde in de film Wan Pipel van Pim de la Parra. ‘En dat is hij nog steeds, al was het maar omdat er nooit echt een andere Surinaamse film is gemaakt. Een halve eeuw later wordt Wan Pipel nog elk jaar rondom de onafhankelijkheid op televisie vertoond. We hebben één film en die koesteren we.’
Hoog tijd voor een tweede film, vond ze. ‘Ik heb zelf een scenario geschreven, Hotel Paramaribo. Alles stond al in de startblokken om ’m te gaan maken, maar ik ben net afgewezen door het Filmfonds, godverrrrrdomme. Voorlopig dan, ik ga het plan zeker nog eens indienen. Vijftig jaar na dato verdient Su een nieuw verhaal.’
Hoe was het om op te groeien als kind van een beroemdheid?
‘Als meisje vond ik dat natuurlijk geweldig. Hij was al beroemd omdat hij bij de televisie werkte, na de film werd hij echt voortdurend aangesproken op straat. Het was ook mooi omdat papa precies is zoals de man die hij speelt; iemand die gedreven wordt door de wil om een land vooruit te brengen. Dat kwam terug in alles. Toen ik een jaar of 12 was kreeg ik een eigen kinderprogramma op tv, dat hij regisseerde. Kiek heette het – een Klokhuis-achtig programma met liedjes en dansjes, en ook met een quiz, waar mijn vader dan mede de vragen voor bedacht. Wie is de president van Cuba? Wat is de VN?
De inzet was: er moet geleerd worden. Ik herinner me een item over Nicaragua, waar mijn vader had gefilmd dat ze er cola dronken uit plastic zakjes met rietjes. Ik vertelde dan in Kiek dat ze het daar economisch zo moeilijk hadden dat blikjes te duur waren. Iedereen op school reageerde: ooo, wat errug! Nou ja, een paar jaar later ging het met Suriname economisch bergaf en dronken we zelf uit die plastic zakjes. Toen was het: weet je nog dat we zo moesten lachen om Nicaragua?’
Ik las dat jouw vader voorstander was van de militaire coup, en een tijd woordvoerder van het regime is geweest.
‘Ja, dat is waar. Mijn vader geloofde in de revolutie. Althans, hij vond destijds dat er iets moest veranderen in Suriname en dacht dat de militairen een visie hadden.’ Met een lichte zucht: ‘Ik was toen nog heel jong, Surinaamse ouders houden ‘volwassen’ zaken sowieso liever weg bij kinderen. Maar ik hoorde wel dat de vader van een van mijn vriendinnetjes was vermoord tijdens de Decembermoorden. En daarna was die vriendin opeens vertrokken naar Nederland. Dus ja, dit was een ingewikkeld ding in ons leven. Toen ik een jaar of 15, 16 was, was wel duidelijk dat ik het pertinent oneens was met het regime.’
Heeft het ooit geleid tot een breuk tussen jou en je vader?
‘Nee. Ik kan me voorstellen dat het anders was geweest als we in één huis hadden gewoond. Maar mijn ouders waren toen al gescheiden. Ik woonde bij mijn moeder, zij was ook anti. En in de tijd die ik met mijn vader doorbracht, hadden we het over van alles, maar niet over politiek. Je moet weten: de hele natie was in de greep van die gebeurtenissen, iedereen was angstig, hield zijn mond erover.’
De scheidslijn in haar familie was geen uitzondering, benadrukt ze. ‘Heel veel families hadden ermee te maken; de ene helft was pro, de andere helft anti. Er zijn gezinnen uit elkaar gevallen. Maar Suriname is klein, je komt elkaar altijd tegen, dus je groeit vaak ook weer langzaam naar elkaar toe. Het militaire regime is gaandeweg een politieke partij geworden waar je al dan niet op kan stemmen. In mijn familie zitten aanhangers van drie verschillende politieke partijen. Eén oom is zelfs voorzitter geweest van een christelijke partij. Ze discussiëren zich te pletter, soms maken ze ruzie, maar het is nooit blijvend. Een van de redenen waarom ik zo van Su hou is dat mensen daar creatief zijn in léven. Er is van alles heel ingewikkeld, toch moet je door.’
Ze valt even stil. ‘Weet je, om in de buurt te komen van hoe complex dit verhaal is zou je eigenlijk dit hele interview eraan moeten wijden, maar ik snap dat dat niet kan.’
Je spreekt ook met liefde over je vader.
‘En ik ben niet de enige. Borger is nog steeds heel geliefd in Suriname. Hij heeft tal van mensen opgeleid in de media, velen zien hem als een voorbeeld. Het is óók een heel leuke, grappige man. Ik heb altijd geprobeerd om onze relatie niet te laten beïnvloeden door zijn politieke overtuiging. Heeft het in de weg gestaan? Zeker, ik had het liever anders gehad. Maar we parkeerden het, en zo zijn we in staat gebleken om gewoon vader en dochter te zijn, en heb ik geen dag minder van hem gehouden. Ik denk dat hij met het ouder worden verder af is komen te staan van zijn ideeën over de heilzame revolutie en de omwenteling die het teweeg zou brengen, dat hij ook ziet dat er niet zoveel van is terechtgekomen. Maar we hebben het er eigenlijk nooit over.’
Op haar 20ste vertrok ze naar Nederland, waar ze introk bij haar oom en tante in Pijnacker. Het plan was om net als haar vader naar de filmacademie te gaan en zo snel mogelijk terug te keren naar Suriname. ‘Alles hetzelfde als papa’, zegt ze lachend. ‘Behalve dan dat ene ding. Ik zou ook allemaal educatieve documentaires gaan maken, zaken duiden, mensen bevragen, het volk informeren. Maar dat liep even anders, want ik werd niet aangenomen op de filmacademie.’
Was dat een klap voor je?
‘Ach, een klap, wat is dat? Dat doet me denken aan al die kinderen die tegenwoordig zeggen: ik neem even een tussenjaar, ik ga tomaten plukken in Australië en mezelf zoeken, ladidadida. Iedereen moet lekker doen wat-ie wil, maar daar had ik geen tijd voor, hoor. Mijn ouders lagen krom, zodat ik hier kon studeren. Ik vond het jammer, de filmacademie had er beter aan gedaan om me wel aan te nemen, haha, maar ik ben naar de Sociale Academie gegaan. Zo kwam ik terecht in het ontwikkelingswerk, zoals dat toen nog heette. Vond ik ook leuk.’
Je bent uiteindelijk ook niet teruggegaan naar Suriname.
‘Nee, de situatie daar was erg ingewikkeld. En hier ging het leven zoals het leven soms gaat: ik kwam mijn man Jim tegen, we kregen kinderen. Jim is half Surinaams, heeft een Nederlandse moeder. Hij is daar geboren, maar hier opgegroeid. Precies het omgekeerde van mij dus. Bij tijd en wijle hebben we overwogen om ons in Suriname te vestigen. Maar ja, hij heeft een goede baan als dermatoloog, mijn carrière ontwikkelde zich. Het kwam er steeds niet van. En dan ben je ineens dertig jaar verder.’
Je hebt weleens gezegd dat je daar altijd een sluimerend schuldgevoel over hebt.
‘Ik probeer er vanaf te komen. Het zijn gedachten die af en toe langskomen. Omdat Suriname ten onder gaat aan iedereen die is weggegaan en weggebleven. Er zijn daar gewoon te weinig mensen. Dat gaat me aan het hart. Mijn familie woont er, mijn zus, mijn moeder voordat ze overleed. Het is het land van mijn jeugd, er is bij mij ook een beetje sublimering gaande over hoe fantastisch het was om daar op te groeien. Tegelijkertijd vind ik dat ik recht heb op een eigen leven. Ik heb geen verplichting aan Suriname.’
Klinkt alsof je met één been in het ene en met één been in het andere land staat.
‘Suriname zal altijd blijven voelen als een warm bad, daarom ga ik er ook elk jaar heen, maar ik heb hier mijn thuis gecreëerd. Als ik drie weken in Su ben, denk ik: oké, nu wil ik naar mijn eigen bed, mijn eigen koffiezetapparaat en mijn eigen plek. En waar ik dan vandaan kom, is gewoon Almere. Een vriend van me zei laatst: wat je hier doet als actrice en theatermaker is ook heel waardevol voor Suriname. Nou ja, dat hoop ik dan maar. Ik probeer alles wat ik hier maak daar te laten zien, om iets terug te geven aan het land waar mijn basis ligt.’
Hoe ben je eigenlijk actrice geworden?
‘Tijdens mijn studie zong ik in allerlei bandjes – top 40-muziek, Caribische en Surinaamse muziek, gewoon de hele shebang. Ik was de rijkste student ever, want in die tijd werden er nog normale gages betaald. Was een soort meisjesdroom; als kind wilde ik altijd jazzzangeres op Broadway worden. Toen werd ik gevraagd te komen zingen bij de theatergroep van Thea Doelwijt, een bekende theatermaker uit Suriname. Zij was na de revolutie weggegaan, omdat ze daar haar maatschappijkritische cabaret niet meer kon maken.
Het stuk heette Al gaat met Au. Als in: allochtoon gaat met autochtoon. Met grappige, satirische sketches over hoe er in die tijd met Surinamers werd omgegaan, de vooroordelen waarmee ze te maken kregen, de heimwee die ze hadden. Dingen die ik herkende. Gaandeweg ging ik ook meespelen, en toen werd ik opgemerkt door John Leerdam, die artistiek directeur was bij Cosmic Theater. Hij belde: ‘Jij moet acteren, kom bij ons!’ Bizar hoe zoiets gaat, hè. Eén telefoontje, en daar ben ik nu al dertig jaar mijn carrière van aan het maken.’
Haar Surinaamse origine werd een terugkerend element in die carrière. ‘Toen ik hier op mijn 20ste terechtkwam, kwam ik veel onwetendheid over Suriname tegen, en ook veel onwil om er iets over te leren. Het was: hoe komt het dat je zo goed Nederlands spreekt? Of: Suriname, is dat niet de hoofdstad van Curaçao? Ik herinner me de moeder van een Nederlands vriendinnetje in Pijnacker, die handenwringend riep: jongens, kom erbij, allemaal spannende verhalen uit Suriname! Allemaal niet per se kwaad bedoeld, maar toen is voor mij de urgentie ontstaan om verhalen over het land te gaan vertellen en de aanwezigheid van Surinamers hier inzichtelijker te maken. En als blijkt dat er weinig is blijven hangen van het slavernijverleden, dan heb je aan mij ook een goeie.’
Bij Cosmic maakte ze ‘cultureel divers’ theater in een tijd waarin dat nog vrij uitzonderlijk was. En hoewel ze daarnaast jarenlang in talloze ‘gewone’ films en tv-series speelde, valt er een rechte lijn te trekken naar Orkater, waar ze acht jaar geleden neerstreek als actrice en maker. Daar werkte ze mee aan een ‘Suriname-trilogie’ – de voorstelling Woiski vs. Woiski, over twee bekende Surinaamse muzikanten, een vader en zoon, die in de jaren dertig naar Nederland kwamen; De Gliphoeve, over een kraakpand in de Bijlmer waar veel Surinamers in de jaren zeventig kwamen te wonen, en Stepping Stones. Twee jaar geleden speelde ze met Malou Gorter De plantage van onze voorouders, naar een succesvolle podcast waarin Maartje Duin en Peggy Bouva het slavernijverleden van hun families in Suriname onderzochten.
Van buitenaf gezien lijkt het alsof je een duidelijke koers vaart.
‘Ik zie het zo: de oogsttijd is voor mij aangebroken. Heeft vast ook met mijn leeftijd te maken. Datgene waar ik op heb ingezet, het vertellen van onderbelichte verhalen, werpt nu z’n vruchten af. Met de trilogie hebben we een diverser publiek weten aan te spreken dan normaal, want theaterpubliek is over het algemeen vrij wit. Dat vind ik echt geweldig. Woiski vs. Woiski hebben we zelfs in Suriname kunnen opvoeren. Met De plantage hebben we juist veel in Nederland in de provincie gespeeld. Daaromheen werden allerlei gesprekken georganiseerd met het publiek die heel waardevol waren. Daar speelden Maartje en Peggy ook een rol in.’
Nam jij deel aan die gesprekken?
‘Haha, nee, daar zou niemand blij van worden, want ik ben nogal ontoerekeningsvatbaar na het spelen. Maar ik heb wel gezien hoe dat landde bij het publiek. Dat mensen zeiden: ik wist dit niet en ik ben blij dat ik het nu wel weet. Dat de ideeën die ik zo lang heb geprobeerd uit te dragen, grond beginnen te vinden, dat is eigenlijk het enige wat ik ooit wilde.’
Dan lacht ze, en doet zichzelf op dramatische toon na: ‘Het ééénige wat ik ooit wilde! Maar echt: ik zie dat het zich begint te vertalen naar resultaat, en dat is heerlijk.’
Je bedoelt: in de bredere maatschappij?
‘Ja. Wat een optimisme, hè?’
Ja, best wel. Zeker gezien het politieke klimaat van de afgelopen tijd.
‘Natuurlijk, in de kunstsector laten we ons erop voorstaan dat we fantastisch bezig zijn. Wij lopen op de zaken vooruit. Dat moeten we vooral blijven doen, maar het gevaar is wel dat je het zicht op het grote plaatje kwijt kunt raken. De eerste keer dat ik Wilders over minder Marokkanen hoorde, dacht ik: dit gaan we gewoon niet pikken. Maar dat viel nogal tegen, hè? Ik heb het gevoel dat de tijd wordt teruggedraaid, dat er gemorreld wordt aan dingen die eigenlijk al lang beslecht waren.
‘We moeten alert blijven, zeker als kunstenaar. Wij horen het allemaal te duiden. Toch kies ik ervoor om een optimistisch mens te zijn, en te focussen op datgene wat ik denk te kunnen veranderen. Ik heb genoeg realiteitszin om te beseffen dat het geen gigantische veranderingen zijn, maar ik moet geloven dat al die kleine dingen optellen. Anders wordt het allemaal zo grauw. Ik heb zelf die mooie dingen zien gebeuren in al die zalen. En ik ga toch in Volkskrant Magazine komen met het verhaal dat ik je nu vertel?’
Zeker, dat gaat gebeuren.
‘Dat bedoel ik! Iedereen om me heen roept: o my god! Wááát? En als jij het nou een beetje leuk opschrijft, dan gaat iemand die het leest denken: hé, nou weet ik iets wat ik nog niet wist.’
Je bent ook medeoprichter van de Stichting Kleur, waarmee je ijvert voor meer inclusiviteit in film en televisie.
‘Dat idee werd geboren tijdens de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam. Daar zag ik zoveel soorten mensen strijdbaar bij elkaar. Ik dacht: er zijn wel degelijk dingen aan het veranderen, en die draait niemand meer terug. Toen zei ik tegen mijn agent en vriendin Iraida: laten we nog één keer proberen om de industrie waar we in zitten daar bewuster van te maken. Dat is geen nieuw idee natuurlijk. Elke generatie effent het pad ietsje meer. Zoals ik op de schouders sta van Gerda Havertong, Helen Kamperveen en Jetty Mathurin, zo staat de nieuwe generatie op mijn schouders.’
‘Het is tweeledig; wij willen dat er meer ruimte komt voor de specifieke verhalen die mensen van kleur meebrengen, maar ook dat ze vaker worden gecast in rollen waarbij hun culturele achtergrond niet per se belangrijk is. Er zijn te weinig personages van kleur waarbij die achtergrond er niet toe doet. Zij zijn ook gewoon belastingbetalende Nederlanders die zichzelf terug moeten zien. Film en tv zijn ontzettend krachtige media. Alles wat daarin te zien is en gezegd wordt, wordt door kijkers beschouwd als waar.’
Ze vertelt over een webserie die ze met de stichting produceert, waarin een Chinese moeder vertelt dat haar dochter het liefst op Jennifer Hoffman wil lijken – blond haar, blauwe ogen. ‘Die dochter denkt dat zoals zij eruit ziet niet goed genoeg is. Daarom is betere representatie in producties zo belangrijk. Je kunt niet zijn wat je niet kunt zien. Over dat soort dingen organiseren wij met de stichting gesprekken en workshops met regisseurs, producenten en castingbureaus.’
Stuit je daarbij op mensen die er afwijzend tegenover staan?
‘Ik zeg altijd dat we oplopen tegen een muur van bereidwilligheid. Iedereen begrijpt het, dat is niet het probleem. Het probleem is dat witte mensen er vaak niet zo mee bezig zijn en denken dat het vanzelf gaat. Dat is niet zo, je moet het bewust toepassen, ervoor kiezen. Veel film- en tv-makers beroepen zich dan op hun artistieke vrijheid. Die ís ook belangrijk, maar ik vind dat artistieke vrijheid je niet ontslaat van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat verhaal moeten we telkens weer vertellen. Maar goed, ‘herhalen’ is langzamerhand mijn favoriete werkwoord geworden.’
Ik stel me zo voor dat jij er goed in bent een zekere lichtheid in zulke gesprekken te bewaren.
‘Ik probeer lichtheid te bewaren in alles wat ik doe, anders wordt het leven heel vervelend. Regelmatig krijg ik te horen dat ik te genuanceerd ben, van mensen die zeggen: ik ben wel klaar met uitleggen, koop maar een boek en zoek het lekker uit. Ik ben meer van de afdeling: ik heb een boek voor je. Ik weet al hoe het zit, dus laat me je helpen. Tot je mij het tegendeel laat zien ga ik uit van jouw goede wil.’ Grijnzend: ‘Dan kan ik je daarna alsnog met datzelfde boek op je hoofd slaan.’
Heb jij in je dertig jaar als actrice veel verandering opgemerkt op dit gebied?
‘Ja hoor, zeker. Toen ik net begon speelde ik een keer een rol als de dochter in een Surinaamse familie, samen met een echte tante van mij. Ons ‘huis’ was een bende, met verdorde bloemen en rottend fruit en een poster van de Surinaamse luchtvaartmaatschappij aan de muur. Dat speelde verder geen enkele rol in het scenario. Mijn tante haalde toen de regisseur erbij, en zei heel netjes: dit begrijpen we niet zo goed, en we vinden het niet zo leuk. Toen hebben ze dat aangepast. Maar járen later kwam ik terecht in een serie, en je gelooft het niet: het huis waar mijn personage met haar broer woonde is een zooitje, er staan verdorde bloemen én er hangt een poster van de SLM aan de muur.’
Omdat de kijker anders niet begreep dat hij met een Surinaams gezin te maken had?
‘Weet ik het! Maar heb jij thuis een poster van de KLM aan de muur hangen?’
En over dat zooitje: als je er dan toch een vooroordeel op los laat, is mijn ervaring dat huizen van Surinaamse gezinnen vaak juist opvallend schoon zijn.
‘Je kan er van de vloer eten! Maar goed, dat soort dingen zou nu niet meer zo snel gebeuren. Niet in de laatste plaats omdat ik er altijd zo’n stampij over heb gemaakt, want echt: ik ben een enorme bemoeial, hahaha. En gelukkig niet de enige. Dus ja, er is veel verbeterd. De generatie vóór mij, en ik ook nog wel, kreeg vaak rollen als junkie, prostituee of schoonmaker. Tegenwoordig spelen we ook de rechter en de arts. Maar we zijn er nog niet. De volgende stap is: hoofdrollen, gaarne. In het theater gaat al veel beter, omdat er steeds meer makers van kleur zijn gekomen. Dat is een goede ontwikkeling, al ben ik me er ook van bewust dat de theaterwereld een bubbel is – met film of tv bereik je een groter publiek.’
Word je er nooit moe van dat je werk en je activisme zo vervlochten zijn?
‘Na De plantage van onze voorouders zei een vriendin: nou hoef jij even niet meer, heb je even vrij van het duiden van het slavernijverleden. Want soms is het inderdaad heftig. Een tijdje geleden ging ik naar een musical waar Malou Gorter in zat, met wie ik De plantage speelde. Het was een geestig stuk, zat slim in elkaar, lekker onbezorgd ook. Ik besefte: eigenlijk zou ik ook weleens in zo’n soort stuk willen spelen, maar daar heb ik geen tijd voor. Uiteindelijk ben ik niet zo van de la-la-la, want er zit gewoon maar 24 uur in een dag. Als ik kan kiezen, kies ik voor dingen die ergens over gaan. Gelukkig kan ik erg opgewonden raken van stukken over vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ik zou Moeder van Europa ook niet laten schieten voor een film.’
Daarover gesproken: dat is iets heel anders dan wat je tot nu toe bij Orkater hebt gedaan.
‘Totaal. Ik heb ook wel gedacht: hoe waardevol is het voor Suriname dat ik met Maria Theresia en Marie Antoinette in de weer ben? Maar uiteindelijk zie ik toch de overeenkomst in het idee: wij zijn hier al veel langer – wij de Surinamer, wij de niet-witte mens, wij de whatever waar je vandaan komt – en we gaan niet weg. De problemen waar Angelo Soliman tegenaan liep in de 18de eeuw, hebben de Woiski’s in de jaren dertig ook meegemaakt, en de mensen die rond 1975 in de Gliphoeve woonden ook. Dat is voor mij de lijn: dat je niet gezien wordt als een volwaardig burger van het land waar je woont, werkt, leeft en belasting betaalt. Dat is soms nog steeds niet zo. En nou zeg ik weer heel voorzichtig ‘soms’. Het is geen vanzelfsprekendheid, en dat zou het wel moeten zijn.’
6 januari 1970 Geboren in Rotterdam, vanaf haar derde opgegroeid in Paramaribo.
1983-1985 Presentatrice van het jeugdprogramma Kiek in Suriname.
1982-1990 M.G.J. Poolschool en Mr. Dr. J. C. de Miranda Lyceum.
1990-1994 Opleiding Culturele Maatschappelijke Vorming aan de Haagse Hogeschool.
1994 Theaterdebuut in de voorstelling Al gaat met Au (de Suri’s).
1998-2003 Verbonden aan Cosmic Theater, speelt onder meer in de voorstelling De koningin van Paramaribo, naar de gelijknamige roman van Clark Accord.
1994-heden Speelt rollen in tv-series – o.a. Blauw Blauw, Grijpstra & De Gier, Centraal Medisch Centrum, Dirty Lines, Fri Fri Suriname, Hein. En in films, o.a. Madame Jeanette, Sonny Boy, De Libi, Crypto Boy, All Inclusive, Witte Flits. Theater bij gezelschappen Matzer, Nationale theater en Orkater.
2018-heden Als vaste maker verbonden aan muziektheatergezelschap Orkater in o.a. de Suriname-trilogie en De plantage van onze voorouders.
2020 Richt stichting KLEUR in film en tv op, met Iraida Markus-Meerzorg.
2024 Schrijft het script voor theatermonoloog Sonny Boy, naar het boek van Annejet van der Zijl, gespeeld door Tarikh Janssen.
2026 Rol in Netflix-serie Blind Sherlock en in speelfilm Verloren Zoon van regisseur Edson da Conceicao.
2026 Maakt en speelt voorstelling Moeder van Europa bij Orkater.
Moeder van Europa van Orkater gaat 14 februari in première en t/m 11 april op landelijke tournee.
Het kostuum dat Zeegelaar Breeveld op de foto draagt, is van modeontwerper Marga Weimans. Zij draagt dit pak ook tijdens de voorstelling.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant