Schaatsen Wereldkampioen, wereldrecordhouder en al twee jaar ongeslagen; Femke Kok is de snelste schaatsster ter wereld. Zondagmiddag komt ze in actie op ‘haar’ 500 meter. Haar vader René, haar oud-coach Andreas Wierda en haar voorganger Thijsje Oenema over wat Kok zo uitzonderlijk maakt.
Haar diepe zit stelt Femke Kok in staat al na twee passen een goede zijwaartse afzet te maken. Foto Andre Weening/IMAGO/Reuters
Een oude schaatswijsheid luidt dat je de 500 meter kunt verliezen met een slechte start, niet winnen met een goede. En toch maakt Femke Kok hier al een verschil met veel concurrenten. „Dat begint met haar starthouding”, zegt Andreas Wierda, die Kok van haar veertiende tot haar twintigste onder zijn hoede had als trainer van de schaatsselectie van het Gewest Friesland. „Ze zakt diep in, kantelt haar bekken, rondt haar rug en maakt de hoeken van haar romp en knieën klein, waardoor ze haar spieren maximaal op lengte brengt.” Hiermee zet Kok haar lichaam onder spanning, de bovenbenen als een springveer die je indrukt en de hamstrings als een elastiek dat je uittrekt. „Hoe verder je de springveer indrukt en het elastiek uittrekt, hoe harder ze zullen terugveren. Dat zorgt voor explosiviteit”, zegt Wierda.
Kok kan haar lichaam zo goed opvouwen omdat ze lenig en atletisch is. Haar vader René Kok vertelt hoe zijn dochter vroeger op turnen ging. „Dat deden de buurmeisjes ook. Maar die waren lang niet zo lenig als Femke.” Op haar twaalfde kon Kok naar het regionale turncentrum in Heerenveen, maar ze koos voor het schaatsen.
Als het startschot klinkt, springt Kok naar voren, zonder daarbij omhoog te komen. Omdat ze haar bekken extreem naar achteren kan kantelen, ontstaat er onder haar romp toch ruimte voor haar knieën om een schaatsbeweging te maken.
Haar diepe zit stelt Kok in staat al na twee passen een goede zijwaartse afzet te maken. „Eigenlijk begint Femke dan al met schaatsen, terwijl andere vrouwen dat pas na vijftig meter gaan doen”, zegt Wierda. Kok ontwikkelt zo meer snelheid dan bijvoorbeeld de Amerikaanse Erin Jackson, die in 2022 olympisch kampioen op de 500 meter werd. Wierda: „Jackson heeft een hoger bewegingsritme, maar die holt. Femke schaatst.”
Tijdens haar wereldrecordrace (36,09) in november deed Kok over haar eerste honderd meter 10,19 seconden, haar snelste opening ooit. In het verleden opende Sang-Hwa Lee uit Zuid-Korea met 10,09 – het kan dus nog sneller. „Haar reactie op het startschot zou beter kunnen”, zegt René Kok. „En volgens haar trainer Gerard van Velde kan ze nog eerder gaan schaatsen; direct na de eerste pas.” Van Velde en de andere coaches van Koks commerciële ploeg Reggeborgh wilden niet meewerken aan dit artikel.
René Kok weet nog de eerste keer dat hij zijn dochter vertelde wat ‘pootje over’ was. „Ze was zeven, trok huurnoren aan, en huppakee: ze reed meteen die bocht door.”
Kok heeft ‘gevoel voor het ijs’, zoals ze dat in de schaatswereld noemen. Als haar wordt verteld wat ze moet doen, en wat ze daarbij moet voelen, dan voert ze dat meteen uit. „Ze is heel goed coachbaar”, beaamt Wierda. „En ze toonde altijd interesse in het hoe en waarom en gaf goede feedback. Ze wist wat ze wilde en hoe. Dat leverde een goede wisselwerking op.” Al op haar veertiende ging Kok met haar coaches aan de slag met video-analyses en deden ze extra trainingen. Wierda: „Die lifestyle van trainen en goed voor je lichaam zorgen paste al op jonge leeftijd goed bij haar.”
In de eerste bocht van de 500 meter móét het gebeuren: als je daar niet doorversnelt, kun je een goede tijd vergeten. Maar om met beide schaatsen goed af te kunnen zetten in de bocht, moet je in balans zijn. „Bij Femke bevindt haar gewicht in de bocht zich precies boven het midden van het ijzer van haar standbeen”, zegt Wierda. „Niet teveel naar voren, want daardoor zou haar afzet meer naar achter gaan, dat is minder effectief.”
Op een 500 meter is er geen marge voor fouten, zegt Thijsje Oenema, houder van het Nederlands record op de kortste schaatsafstand tot Kok in 2021 haar tijd verbeterde. „Je moet heel taakgericht en gefocust zijn, geen missertjes maken omdat je te snel door de bocht wil. Maar Femke hangt stil in de bocht, ze is heel stabiel.”
Die stabiele houding zorgt ervoor dat Kok heel schuin kan hangen in de bochten, zegt Wierda, waardoor ze makkelijker kan omgaan met de middelpuntvliedende kracht in de bocht en beter haar snelheid kan ontwikkelen.
Wat Kok soms neigt te doen, zegt haar vader, is dat ze haar laatste pootje-over uit de bocht te vroeg afkapt. „Dan wil ze te gauw dat rechte stuk op, dat remt af.” Als ze daar de rust bewaart en haar zijwaartse slag netjes afmaakt, denkt hij, kan ze nog meer snelheid ontwikkelen.
Voor veel sprinters treedt op de kruising, na zo’n 250 meter, de eerste vermoeidheid op. Het anaerobe energiesysteem van schaatsers, dat voor explosiviteit zorgt en waarvoor geen zuurstof nodig is, raakt snel op. De verzuring in de benen wordt voelbaar.
Kok is in staat die verzuring te dempen dankzij haar techniek. Nadat ze een afzet heeft gemaakt, weet ze tijdens het bijhalen van haar been haar bovenbeen te ontspannen. Daardoor blijft de doorbloeding goed, kan er meer zuurstof bij haar spieren komen en kan Kok haar aerobe energiesysteem, dat veel langer werkt maar waar zuurstof voor nodig is, eerder aanspreken. „Zo kan Femke in de laatste fase van de 500 meter langer diep blijven zitten, een goede afzet maken en vermogen blijven leveren”, zegt Wierda.
Het is het resultaat van jarenlang trainen op haar timing en afzet. „We draaiden naast wat ze deed bij het gewest met zijn tweetjes nog een trainingsprogramma”, zegt René Kok, die zelf een technisch begaafde marathonschaatser was. Uren en uren gingen vader en dochter skeeleren om aan de perfecte schaatsbeweging te werken. „Ze zal er wel ziek van zijn geweest, want altijd zat ik achter haar om te vertellen dat ze moest wachten, tot ze met haar gewicht een valbeweging inzette en pas dan moest afzetten.”
Nu is de techniek van Kok zo goed dat het er bijna moeiteloos uitziet. „Je kunt de afzet vergelijken met het duwen van een schommel”, zegt Wierda. „Als je dat precies op het juiste moment doet, kost het je nauwelijks kracht en genereer je de meeste snelheid.” Veel mensen, zegt René Kok, denken bij de kruising van zijn dochter vaak: ‘wanneer versnelt ze nou?’ „Maar die rust in de slag, die een stilist als Jan Bos ook had, maakt dat ze zo snel gaat.”
De laatste bocht van de 500 meter, en zeker de binnenbocht, is iets waar veel schaatsers zenuwachtig van worden. Hier is de snelheid het hoogst – bijna 57 kilometer per uur – en drukken de G-krachten het zwaarst op de benen, terwijl die juist de vermoeidheid beginnen te voelen. De bocht op de juiste manier aansnijden is doorslaggevend om zo min mogelijk meters te maken en tegelijkertijd snelheid en balans te behouden, en daar gaat het bij Kok soms niet goed. „Ze moet dat goed timen, anders neemt ze die ingang veel te wijd”, zegt haar vader. „Maar ze gaat alsmaar harder dan ze ooit eerder ging, daardoor komt ze niet altijd goed uit.”
Sowieso valt er voor Kok in de bochten winst te pakken, vindt René Kok, door dichter op de blokjes te rijden die de binnenkant van de bocht markeren. „Ze neemt een veilige marge, rijdt soms anderhalve meter van de blokken, dan maak je meer meters. Iemand als Kjeld Nuis zit er altijd dicht op. Ik denk dat dat zo twee tiende van een seconde kan schelen.”
Dat is niet gek als je bedenkt dat Kok haar laatste binnenbocht vier jaar geleden nog omschreef als haar zwakke plek. „Ik ben nog een beetje bang om hem vol door te trekken”, zei ze destijds tegen NRC. Over die angst heeft ze zich inmiddels wel heen gezet, dankzij shorttracktrainingen en het meerijden met de mannen in haar Reggeborgh-ploeg, waardoor ze met een hogere snelheid dan ze gewend is de bocht kan induiken.
De belangrijkste winst zit in het zelfvertrouwen dat Kok heeft gekregen dankzij haar goede resultaten van de afgelopen jaren. „Je moet die bocht in als een kamikazepiloot, want je lijf gaat sneller dan je hoofd kan bijhouden”, zegt Oenema. „Zodra je twijfelt of ook maar nadenkt, vlieg je eruit.”
Na de laatste bocht is het nog maar honderd meter naar de finish, maar geduld is cruciaal. „Schaatsers gaan op het laatste rechte eind vaak naar voren leunen, hun schouders naar beneden, hun afzet meer naar achter dan opzij”, zegt Oenema. Ook Kok had vroeger de neiging „om te gaan krabbelen in plaats van schaatsen” aan het eind van een race, zegt haar vader. „Omdat ze zo graag naar die finish wilde.”
Kok heeft het vaak besproken met Ireen Wüst, die eerst haar ploeggenote bij Reggeborgh was en tegenwoordig via sportkoepel NOC-NSF haar ervaringen deelt met olympische sporters. „Het stopt pas na de finish, blijf je slag afmaken, hoorde Femke van haar”, zegt René Kok. „Nu blijft ze rustig schaatsen.”
Aan de vermoeidheid is in deze fase niet meer te ontkomen, dus om diep te blijven zitten en een mooie zijwaartse afzet te blijven maken, zijn uithoudingsvermogen en kracht nodig. Tijdens haar tienerjaren mocht Kok weinig aan krachttraining doen van haar vader, die bang was dat ze haar lichaam kapot zou maken. Dat ze bij Reggeborgh ging schaatsen en niet bij een ander commercieel team was mede omdat ze daar minder krachttraining zou hoeven te doen. „Ik wilde dat ze lenig en atletisch zou blijven, niet houterig en stram zou worden”, zegt René Kok.
Tegenwoordig doet Kok wel aan krachttraining, getuige haar gespierde bovenbenen, zij het beperkt. En ze werkt sinds een paar jaar weer meer aan haar duurvermogen. De eerste twee jaar bij Reggeborgh lag de focus vooral op het ontwikkelen van haar explosiviteit, maar Kok verloor in die periode haar vermogen te blijven schaatsen in de slotfase van races.
Dat is voorbij: Kok plaatste zich op het olympisch kwalificatietoernooi in december ook op de 1.000 en 1.500 meter, niet geheel tot verrassing van haar oud-coach Wierda. „Zes jaar geleden had ik niet voorspeld dat de 500 meter Femkes beste afstand zou worden, omdat ze de 1.000 en 1.500 meter ook heel goed beheerste”, zegt Wierda. „In het begin bij Reggeborgh verdween dat deels, maar sinds een paar jaar is ze ook op die afstanden weer beter geworden.”
Kok is veel sterker dan een paar jaar geleden, zegt haar vader. „Ze kan als een van de weinigen op het laatste rechte eind ook nog versnellen. Vroeger keek ze er tegen op om kapot te gaan tijdens een race, nu denkt ze: ik knal er gewoon in.”