Langlaufen In de noordse sporten maakt de preparatie van ski’s het verschil tussen winst en verlies. Een kijkje achter de schermen bij de Waxtechniker van het Duitse langlaufteam. „Soms is het zoeken naar een speld in een hooiberg.”
Langlaufers tijdens de 20 km skiatlon voor mannen op de Olympische Winterspelen 2026.
Lukas Ernst trek een lade met potjes open, gaat met zijn hand over een werkbank en wijst op borstels en strijkijzers. „Dit”, zegt hij terwijl hij een weids armgebaar maakt, „is ons bureau.”
De ‘waxtruck’: op televisie zie je hem nooit, maar in de noordse sporten is hij extreem belangrijk. In deze mobiele werkplaats, waar nationale teams hun ski’s prepareren, wordt het verschil gemaakt tussen winst en verlies. Een langlaufer of biatleet kan nog zo getalenteerd en goed getraind zijn, zonder de juiste ski’s is-ie reddeloos verloren. Zoals de Nederlandse waxexpert Machiel Ittmann zegt: „Tegen een verkeerd geprepareerd paar valt niet op te skiën.”
Waxen is omgeven met veel geheimzinnigheid. Toch is het Duitse langlaufteam drie weken voor de Olympische Spelen bereid om NRC een kijkje achter de schermen te geven. En dus staan we hier, in skioord Oberhof in de naaldbossen van Thüringen, waar de volgende dag een wereldbekerwedstrijd gelopen zal worden. De Duitse waxtruck is niet de grootste op het parkeerterrein – dat zijn de uitklapbare gevaartes van Noorwegen en Finland – maar „wel heel Duits en dus efficiënt ingericht”, zegt Lukas Ernst.
Ernst (30) begon als langlaufer („niet de beste”) en is sinds vier jaar de Chef-Techniker van het Duitse team. Met een perfect geprepareerde ski, vertelt hij, kun je twee tot drie procent sneller gaan dan een tegenstander met minder goed gewaxt materiaal. Dat klinkt misschien weinig, maar in een wedstrijd van een uur is dat één à anderhalve minuut.
Het prepareren van langlaufski’s is in feite één lang proces van eliminatie. Er moet, zegt Ernst, rekening gehouden worden met een gekmakende hoeveelheid variabelen. Hoeveel weegt de sporter? Wat is de temperatuur van de sneeuw? Is de sneeuw vers en zacht of juist oud en hard? Wat is de luchtvochtigheid? En zo kan hij nog wel even doorgaan.
Achthonderd paar ski’s neemt het Duitse team mee naar een wedstrijd als deze – en straks dus ook naar de Spelen. Ongeveer veertig paar per sporter, plus een stuk of honderdvijftig ‘testski’s’ voor de technici. De Duitsers hebben voor meer dan zes ton aan materiaal bij zich.
De eerste grote schifting vindt plaats op de dag voor de wedstrijd. Het eerste wat ze in de ochtend doen, zegt Ernst, is een thermometer in de sneeuw steken en nauwkeurig het weerbericht bestuderen. „Daarna kunnen we ongeveer twee derde van de ski’s elimineren.” Is de sneeuw vers en droog? Alle paren weg die geschikt zijn voor natte omstandigheden. Zijn de condities juist nat en vochtig? Exit voor alle ‘droge’ paren.
In deze fase speelt de wax nog geen rol. Wel twee andere eigenschappen van de ski die cruciaal zijn. Eén: de spanning. Hoe lichter de sporter of hoe zachter de sneeuw, hoe minder strak gespannen de ski staat. En twee: de ‘slijp’. Bij elk paar ski’s zit een ander patroon aan de onderzijde geslepen, variërend van grof (veel grip op de sneeuw) tot fijn (glad en snel).
Waxtechnici van het team uit Kazachstan tijdens de Winterspelen van Milaan.
Het is einde ochtend op de dag voor de race. Nog 250 paar ski’s over. Nu begint het waxen. In de truck trekt Ernst een paar lades open. Rijen en rijen potjes, poeders en sprays – allemaal wax. Op de deksels van de potjes hebben de Techniker codes geschreven, die zijn terug te vinden in hun database. Dit is het geheim van de waxtruck, vertelt Ernst: alleen zíj weten waar die codes voor staan. Zelfs aan de sporters en hun coaches vertellen ze niet wat er precies op de ski’s zit. Dan kunnen ze zich ook niet per ongeluk verspreken tegenover de concurrentie.
Je heb gripwax en je hebt glijwax. Je hebt wax voor natte omstandigheden en wax voor droge sneeuw. Voor harde en zachte ondergrond. Het gaat erom de ideale combinatie te vinden: houvast bergop („net als bij sneeuwkettingen”), soepel glijden naar beneden. Soms is het vinden van de juiste combinatie zó ingewikkeld, zegt Ernst, dat het voelt als zoeken naar een speld in een hooiberg.
Duitsland behoort tot de subtop in het langlaufen. De toplanden zijn Noorwegen, Zweden en Rusland (niet welkom bij het langlaufen op deze Spelen vanwege de oorlog in Oekraïne), met Frankrijk, Finland en Italië als outsiders. Duitsland heeft wel een sterke reputatie op het gebied van waxen, zegt Ernst. Net als de Verenigde Staten, ook een mondiale subtopper.
Je kunt als waxtechnicus nog zo je best doen, soms sla je de plank mis – vooral als de weersomstandigheden plots veranderen. Dan komen de langlaufers ineens niet meer vooruit: geen grip bergop, te weinig glij bergaf – of in het ergste geval beide. Ernst: „Op tien wedstrijden ben je één keer beter geprepareerd dan de rest, acht keer even goed, en één keer slechter.”
Hun misser voor dit seizoen hebben de Duitsers al gehad, vertelt Ernst: eind november, tijdens de wereldbekerwedstrijden in Ruka (Finland). „Er lag verse sneeuw maar het was niet koud. Heel ingewikkelde omstandigheden.” Ze hebben zelfs een speciaal woord voor zo’n debacle: verwachsen. De Noren, ’s werelds sterkste langlaufnatie, uiteraard ook: die spreken van een smørebom, letterlijk een ‘boterbom’.
Een technicus van het Finse team aan het werk.
De mate van transparantie over waxdebacles verschilt per land. Scandinaviërs gelden als tamelijk openhartig: bij de Olympische Spelen van 2018 bood de waxchef van de Zweden publiekelijk zijn excuses aan na een teleurstellende vijfde plek bij de mannenestafette. De Duitsers daarentegen hanteren speciale ‘feedbackregels’, vertelt Ernst. „Je zegt als sporter na afloop niet tegen journalisten: het ging niet goed omdat mijn ski’s slecht waren gewaxt. En je wordt ook niet boos op de Waxtechniker.”
Terug naar Oberhof. De Duitse technici testen zoveel mogelijk waxcombinaties. Waxje op de ene ski’s, waxje op de andere ski’s. Naar het testparcours en uitproberen – de acht mannen en twee vrouwen uit Ernsts team zijn allemaal ervaren langlaufers. De poederwax brengen ze aan met een strijkijzer. De spraywax wordt gespoten. Voor de vloeistofwax gebruiken ze een cilindervormige spons van merinowol of fleece, die roteert op een boor.
Langlaufers tijdens de 20 km skiatlon voor vrouwen en mannen bij de Winterspelen.
Aan het begin van de middag hebben de technici, al waxend en testend, het aantal ski’s teruggebracht tot zestien à achttien per sporter. Nu is het tijd voor de officiële training. De sporters wandelen naar het testparcours, twee rekjes met ski’s in hun handen. Twee aan twee gaan ze het parcours op, ieder met verschillend gewaxte ski’s. Tijdens de afdaling pakken ze elkaars hand vast. Zodra ze even snel gaan, laten ze los – de ski die het verst doorglijdt, heeft gewonnen. De winnaar wordt genoteerd in een boekje dat ze uit hun buiktas halen.
Waxen heeft altijd een rol gespeeld bij de noordse sporten: ouderwetse houten ski’s werden al ingesmeerd met een goedje op basis van kaarsvet. Maar echt cruciaal werd het begin jaren tachtig, toen ‘skaten’ – een zijwaartse slag zoals in het schaatsen – razendsnel terrein won op het klassieke vooruit bewegen in loipen (sporen). Bij skaten, of ‘vrije stijl’, is de afzet veel langer dan bij het ‘klassieke’ lopen. De beloning voor goed waxen is dus groter.
Sommige disciplines in het langlaufen – zoals de olympische estafette, deze zondag op het programma bij de mannen – bestaan uit een mengeling van klassieke en vrije stijl. Dat is extra veel werk voor de technici: beide stijlen vereisen een verschillende manier van waxen.
Twee jaar geleden volgde een ontwikkeling die het werk van de technici nóg ingewikkelder maakt: een verbod op fluor in skiwax, vanwege de schadelijke gevolgen voor mens en natuur. Sindsdien is het aantal mogelijke waxcombinaties nog verder toegenomen, zegt Ernst: in plaats van fluor kwam er in vrijwel ieder waxmerk een ander – uiteraard onbekend – waterafstotend bestanddeel. „En de volgorde van insmeren, strijken en sprayen ligt ook niet meer vast. Die moeten we per wedstrijd uitvogelen.”
Voor de Duitsers pakte het fluorverbod in eerste instantie goed uit. „We liepen voor op andere landen omdat we eerder waren begonnen te testen met fluorvrije wax”, zegt Ernst. „In het eerste seizoen boekten we maar liefst veertien wereldbekerzeges.” Hoewel de grote langlaufnaties hun achterstand in de aanloop naar de Spelen razendsnel ingelopen hebben, heeft het fluorverbod wel iets veranderd in de sport: de verschillen zijn kleiner geworden, met name in de subtop.
De volgende dag, een uur voor de wedstrijd. Een voor een arriveren de Duitse langlaufers, vergezeld van een technicus. In hun draagrekjes: nog twee paar gewaxte testski’s per sporter, het resultaat van een laatste schifting op de ochtend van de wedstrijd.
Samen met de technicus gaan de langlaufers het parcours op. Er wordt ontspannen gekletst. Na een rondje is de definitieve keuze gemaakt. Dít paar is het snelst. Een boks met de technicus, de uitverkoren ski’s in het juiste rekje. Tien minuten voor de start zullen de wedstrijdski’s klaarstaan, geprepareerd door het waxteam en gecontroleerd op fluor door de internationale skifederatie.
Voor eventjes is het werk gedaan, zegt Lukas Ernst terwijl hij met twee rekjes afgevallen ski’s terugloopt naar de waxtruck. Tijd voor lunch. Als de wedstrijd begonnen is, moet hij weer aan de slag. Voor het geval zijn collega’s en hij nog kleine aanpassingen moeten doen aan de wax, bijvoorbeeld omdat de sneeuw toch net iets vochtiger of steviger blijkt te zijn dan gedacht.
Voor de rest geldt: God zegene de greep.