Cees van den Boom Deze geslaagde debuutroman is een mengeling van een klassiek coming-of-age-verhaal à la The Catcher in the Rye van J.D. Salinger en een familieroman van Jonathan Franzen.
Het was geloof ik Gerard Reve die zei dat de leefomstandigheden in Nederland zo benauwend zijn dat je er als schrijver maar moeilijk een echt dramatisch boek kon situeren. Je schreef in dit land, zo zeg ik uit mijn hoofd, noodgedwongen ‘in een vacuüm’ en als je bijvoorbeeld een meisje ’s ochtends van huis zou laten weglopen, dan zou ze ’s middags met de trein de landsgrens bereiken, de trein verlaten, een trein in de tegenovergestelde richting nemen en zich ‘s avonds weer thuis melden: einde avontuur.
Cees van den Boom: Witte Paarden & Blauwzuur. De Arbeiderspers, 335 blz. € 24,99
Met precies dit gegeven is de jonge, hemelbestormende debutant Cees van den Boom (1997) aan de slag gegaan in Witte Paarden & Blauwzuur: hij laat de zestienjarige Siem enkele dagen van huis weglopen en voor de duur van een roman zijn we er getuige van hoe zijn verontruste omgeving hem probeert te vinden. Er verschijnt zelfs een foto van Siem in het journaal: of de rest van Nederland ook even mee wil helpen zoeken.
Er is in de roman geen spoortje te vinden van Reves relativering ten opzichte van een van huis gelopen puber. Nee, Siems abrupte absentie wordt, door alle betrokken partijen, daadwerkelijk als een enorm alarmerende kwestie behandeld. De vader zoekt naarstig en de autoriteiten beginnen zich achter de oren te krabben, terwijl Siem zelf, op wie Van den Boom in afzonderlijke hoofdstukken inzoomt, ook van mening is dat hij zich in een fiks avontuur bevindt. Dat hij in het grootste deel van de roman niet eens zijn eigen woonplaats Den Haag verlaat, is hierbij geen obstakel: hier voltrekt zich iets groots en ingrijpends.
Witte Paarden & Blauwzuur staat alleen hierdoor al erg ver af van de ironie waarmee men in de Nederlandse literatuur zo’n kwestie vaak beschreef. En soms is dat ergerlijk, al dat gefictionaliseerde egocentrisme, maar ik zou toch zeggen dat er meer voor- dan nadelen aan Van den Booms aanpak en toon zitten. In plaats van een klein, controleerbaar verhaal te vertellen past hij meer in de schuimende, lyrische traditie en hanteert hij lange zinnen om grote emoties te vangen en voert hij meerdere stemmen op in plaats van maar eentje die in alles akelig dicht bij de schrijver zelf lijkt te staan (denk hierbij aan Reves De avonden). Vooral dat laatste is bewonderenswaardig aan Van den Boom: hij is zelf een jongeman van nog geen dertig, maar geeft in zijn roman bijvoorbeeld met regelmaat het woord aan een suïcidale vrouw van in de veertig die in een psychiatrische kliniek is beland. Kom er maar eens om. En het gaat hem over het algemeen ook nog goed af.
De vrouw is Siems moeder. Ze maakte, zo verklapt Van den Boom al snel, een tijdje terug daadwerkelijk een einde aan haar leven en het komt dus niet als een verrassing als op zeker moment blijkt dat Siems dwaaltocht (die er door die voortdurende ronddwarrelende sneeuw voor zorgt dat je als vanzelf Schuberts Winterreise gaat neuriën) vanuit dat verschrikkelijke voorval verklaard kan worden. Er spelen ook andere dingen, maar het zegt genoeg dat er aan Siems reis een einde komt op de plek waar er aan de levenstocht van zijn moeder een definitief einde kwam. Dat is in de nabijheid van Steenwijk, of all places, in een slootje ergens tussen de waaierige weilanden; Siems moeder slikte er een paar straffe pillen, waarna ze in de kou verstierf. Het is gruwelijk en ik ben op zeker moment maar gestopt met het checken van mogelijke autobiografische wortels.
In de aanloop naar die climax leest Witte Paarden & Blauwzuur (let ook eens op al die hoofdletters in de titel, die misschien al de Angelsaksische invloed op de schrijver aantoont) als een soort mengeling tussen een klassiek coming-of-age-verhaal à la The Catcher in the Rye van Salinger en een familieroman van Jonathan Franzen. Anders verwoord: Van den Boom portretteert Siem als een jongen die overal he-le-maal klaar mee is, maar geeft eveneens ruim baan aan het beschrijven van de levens van de voorvaderen van Siem. Zo lees je bijvoorbeeld ook over het hobbelige loopbaanpad van Siems vader en over een vriendschap die de moeder sloot in een Arnhemse kliniek.
Hoort het allemaal bij elkaar, is het zo’n roman die met zoveel overzicht en controle is gecomponeerd dat het een eenheid vormt? Nee, daar moeten we streng in zijn, er hadden heus allerlei passages uitgelaten kunnen worden, zoals er ook allerlei nogal ouwelijke zinsconstructies (de moeder die haar „Waterloo vindt” in die sloot is stilistisch toch wel erg onbehouwen) uitgehaald hadden moeten worden. Maar het opmerkelijke aan de roman is dat je je daar niet echt aan stoort. Het heeft iets woests, dit boek, en iets ongecontroleerds.
Daarin zit juist de charme, die bijvoorbeeld ook doorklinkt in een hoofdstuk waarin de zwervende Siem een straatmuzikant aanklampt, met hem mee naar huis gaat en met hem aan het bierdrinken slaat, want die man heeft zijn moeder nog gekend. Moge het huis van de literatuur ook aan dit meer onbesuisde, straatwijze mensen onderdak blijven bieden.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews