Home

‘Makaken hadden een favoriet liedje van The Police’

Christine Webb De Amerikaanse primatoloog laat in haar nieuwe boek zien dat in de dierenwereld de mens als soort allerminst uniek is. „Ook met een vis kun je een relatie aangaan die gebaseerd is op wederzijds vertrouwen.”

Christine Webb

We zijn cultureel gehersenspoeld in onze relatie met de natuur. Het idee dat wij mensen buiten de natuur staan en er zelfs bovenuit stijgen als uitzonderlijk wezen is absurd en heeft geleid tot de huidige ecologische crisis. Dat is de boodschap van de Amerikaanse primatoloog Christine Webb (39) in haar gepassioneerde boek De arrogante aap, dat vorig najaar verscheen. Die arrogante aap, dat zijn wij, en die arrogantie is misplaatst, betoogt Webb. Maatschappelijk en wetenschappelijk is het idee dat de mens uniek is in de dierenwereld zelfs een doodlopende weg.

Christine Webb: De arrogante aap. (The Arrogant Ape) Vert. Frits van der Waa. De Bezige Bij, 368 blz.€ 26,99

De kracht van het boek is dat Webb niet alleen een stroom aan wetenschappelijke resultaten en analyses geeft om haar afkeer van die menselijke uitzonderingspositie te onderbouwen. Ze vertelt ook over cruciale ervaringen die haar bewust maakten van haar aanvankelijk zo beperkte blik op de werkelijkheid. De mooiste ervaring is die met een collega-bavianenonderzoeker toen ze koelte zochten tegen een rotswand in Namibië. De bavianen deden hetzelfde, en al snel lag iedereen er te slapen, baviaan en mens, op Webb en een jonge bavianenvrouw na. „Al snel kruist haar blik de mijne, we staren elkaar aan in het schemerlicht, wetend dat wij als enigen zijn achtergebleven in de wakende wereld.” Uit verveling gaat de baviaan spelen met een paar kiezels, „een wonderlijk aangenaam geluid”. De baviaan kijkt welwillend naar Webbs reacties. En al snel beseft Webb dat zij niet meer als wetenschapper observeert, maar kijkt „als een mededier dat samen met haar de essentie van dit moment beleeft”. Door zulke verhalen zijn Webbs lezers waarschijnlijk eerder geneigd hun huisdier als vriend te beschouwen dan als ondergeschikte.

Tijdens een bezoek aan Amsterdam neemt Webb ruim de tijd om te spreken over haar inzichten en over de Nederlandse primatoloog Frans de Waal (1948-2024) met wie ze onderzoek deed en aan wie haar boek is opgedragen. De afgelopen jaren werkte ze aan Harvard University, tegenwoordig is ze verbonden aan New York University.

Wat heb je geleerd van Frans de Waal?

„Zijn belangrijkste les is dat de kloof tussen mens en dier helemaal niet zo breed is. Biologen is altijd verteld dat ze geen psychologische verklaringen mogen gebruiken om diergedrag te verklaren, het is allemaal instinct of genetica. Maar Frans maakte ons duidelijk dat je wel degelijk een evolutionaire continuïteit in mentale processen mag veronderstellen. Een psychologische verklaring kan voor dierengedrag dus juist de simpelste en toepasselijkste zijn. Natuurlijk moet je niet zomaar menselijke motieven op dieren plakken. Antropomorfisme blijft een gevaar, maar het omgekeerde evengoed: antropodenial, het irrationele verzet tegen herkenning van zogenaamd zuiver menselijke motieven bij dieren.”

Probleem is wel dat mensen over hun innerlijk leven kunnen praten, en dieren niet.

„Haha, maar is mensentaal dan altijd het overtuigendste communicatiemiddel?” Webb blijft rustig en vriendelijk, maar zegt dan: „Ik ben nu heel boos! Echt heel boos, zo woedend, echt!” Dan herneemt ze zich: „Geloofde je wat ik net zei? Natuurlijk niet. Dit zijn maar woorden. Taal is ook maar gedrag dat we net zo moeten observeren en interpreteren als gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal. Taal is maar een van de vele indirecte bronnen van kennis van een ander. Ook bij mensen is het soms moeilijk te begrijpen wat ze denken en voelen, hoeveel ze ook praten. Dat verschilt maar weinig met dieren. Ook al communiceren dieren niet via mensentaal, als we hen goed hebben leren kennen en duidelijk zien dat ze lijden, mogen we echt zeggen dat ze lijden of constateren dat ze gefrustreerd zijn of juist blij.”

Hoe ver kun je daarin gaan? Je wijdt warme woorden aan de diepe kennis van Inuit over Groenlandse walvissen. Maar die kennis is zo nauw verbonden met die plek dat je het niet kan begrijpen als je daar niet bent. Dat is toch geen objectieve kennis meer, geen wetenschap?

„Nee, het is in ieder geval anders dan hoe wij in de westerse wereld wetenschap bedrijven. De interacties tussen de Yupik-inuit en deze walvissen gaan ver terug. Ze maken beiden deel uit van een bezielde wereld, vinden de Yupik.  Hun eigen bestaan is verweven met dat van de walvissen, volgens hen beoordelen de walvissen ook de mensen. Als een walvis een boot met jagers ziet, beslist de walvis of hij of zij dichterbij komt of weg zal zwemmen. Hij of zij bepaalt volgens de Yupik of die mensen het waard zijn om zijn of haar leven voor te geven. Wij hoeven dat niet te geloven, maar de Yupik kennen de walvissen wel heel goed, en de walvissen zullen de Yupik ook wel kennen. Het is gebaseerd op hun directe ervaring met de walvissen. Je kan ook zeggen: het is empirisme, de kern van de wetenschappelijke methode.”

Zijn er dus wetenschappelijk ongrijpbare zaken die zich afspelen in het contact met dieren?

„Zo’n nauw contact met dieren kan ook in wetenschappelijke onderzoeken ontstaan, dat onderzoeker en proefdier elkaar leren kennen en vertrouwen. Voor dat verschijnsel heeft de wetenschap nauwelijks aandacht. Juist deze variaties in het contact met de dieren spelen een rol, omdat niemand ernaar kijkt. In het primatenlab in New York waar ik werkte, stond vaak de radio aan. Iedereen wist er dat de makaken een favoriet liedje hadden: Roxanne van The Police. Als dat klonk werden ze stil en rustig. Toch hielden ze tijdens de experimenten verder geen rekening met de liedjes die op zo’n ochtend op de radio waren gedraaid.”

Hoe kun je dat soort kennis allemaal incorporeren in de wetenschap? Neem dat nauwe contact tijdens je veldwerk met de jonge baviaan.  

„Ik worstelde met die passage in mijn boek, precies omdat dat gevoel van verbinding met een ander bewust levend wezen veel verder gaat dan wat ik wetenschappelijk kan vastleggen. Het kan ook niet systematisch worden opgemeten, beschreven en verklaard. Terwijl ik denk dat veel mensen dat soort contactervaringen hebben.”

Ik ken iemand die zo kan praten over haar kip, als huisdier.

„Wow! Ik had die ervaring met een baviaan, een primaat die veel eigenschappen met ons deelt. Maar het kan inderdaad met allerlei individuele dieren als je die goed leert kennen. Een goede vriendin heeft onderzocht hoe vissen verschillend reageren op verschillende mensen, en dat je ook met een vis een relatie kunt aangaan, gebaseerd op wederzijds vertrouwen.”

Hoe wil je sceptische wetenschappers overtuigen dat zo’n contact-mogelijkheid óók belangrijk is en zelfs relevante informatie kan opleveren?

„Het gaat om het grote verhaal. Het basisuitgangspunt is nu dat andere dieren iets niet kunnen. Ik denk dat we dat moeten omdraaien. Dat we gaan kijken onder welke omstandigheden dieren wel iets kunnen. En dan niet in laboratoria, maar in het wild. Een goed begin zou het onderzoek naar spelgedrag kunnen zijn. Want inmiddels is wel duidelijk dat veel dieren spelen. Terwijl dat geavanceerd cognitief gedrag is, waarbij je de bedoelingen van een ander moet kunnen inschatten. Je zou dat kunnen uitbreiden naar heel gewoon gedrag. Eten, paringen, rondlopen. Dat vinden we allemaal simpel gedrag, maar wat gebeurt er allemaal?”

Ben je daarom begonnen met onderzoek naar zwangerschap en geboorte bij dieren?

„Er zijn veel anekdotes over zwangere dieren, maar ik wil naar patronen kijken, vooral bij primaten. Weten de moeders dat ze zwanger zijn? En ook: hebben ze zwangerschapsmisselijkheid, net als mensen? En zijn primatenmoeders alleen als ze baren, of krijgen ze toch hulp?”

Waarom vindt dit soort onderzoek nog zo weinig plaats?

„Omdat we dieren nog altijd als minderwaardig beschouwen. Het basisidee is dat mensen boven de natuur staan. Maar je kunt daar ook anders over denken. Wetenschappers zijn heel gevoelig voor het argument dat het idee van menselijke superioriteit beperkend werkt op hun onderzoek. Omdat je al met een vooroordeel begint. En let op, je mag van mij best zeggen dat de mens unieke eigenschappen heeft, dat geldt voor iedere soort. Het gaat mij om het idee dat wij moreel en evolutionair verheven zouden zijn boven alle andere vormen van leven.”

Dat exceptionalisme zit diep, hoe kan je je medemensen nu overtuigen dat we echt méér Inuit moeten worden en dieren als onze gelijken moeten gaan beschouwen? 

„Je moet duidelijk maken dat we blind zijn voor de grote wereld om ons heen. Ons leven wordt veel rijker als we dat gevoel van uitzonderlijkheid van ons afschudden. We kunnen zo veel meer verbonden raken met de wereld, met ontzag en bewondering naar de natuur kijken en leren van al die vriendschappen die mogelijk zijn met andere levensvormen. De milieubeweging is er vooral op gericht dat we met van alles moeten stoppen om de natuur te redden. Maar dat is maar de helft van het verhaal.”

Veel mensen zullen toch zeggen dat ze volstrekt tevreden zijn met hun stedelijk bestaan en dat een avondje naar de kroeg al genoeg vrienden oplevert?

„Ja, maar ik vraag me af of ze echt zo tevreden zijn. Er wordt veel gesproken over een geestelijke gezondheidscrisis en de eenzaamheid is groter dan ooit. Die sociale vervreemding is niet alleen van mensen, maar ook van dieren en de natuur in het algemeen.”

In je boek richt je je zelfs tegen het individualisme, dat wij mensen ‘even goed bij onze tuin horen als bij onze familie’.

„Het hangt allemaal met elkaar samen. We zijn te veel gericht op individueel succes. Ik heb onlangs een dochter gekregen en vrijwel altijd wordt zo’n kind afgebeeld in de baarmoeder alsof het in een aparte doos zit. Terwijl alle biologen weten dat moeder en kind totaal met elkaar zijn verbonden. Als we ons wat minder als een individu zouden beschouwen, zou ons leven zoveel rijker worden. Mijn beminde collega en mentor Barbara Smuts zei altijd dat als je de levende wereld om je heen echt zou ervaren, je je nooit meer alleen zal voelen. Er zijn zoveel mogelijkheden voor verbinding.”

Je citeert veel vrouwen in je boek. Expres?

„Nee. Maar het menselijk exceptionalisme is nu eenmaal een belangrijk deel van onze dominante cultuur en die wordt nog altijd beheerst door mannen. Zo is het ook in de wetenschap. Waarom denk je dat bevalling bij andere dieren nog altijd zo’n onderbelicht onderwerp? In mijn werk citeer ik ook meer vrouwen omdat zij vaker de heersende opvattingen uitdagen, met een alternatieve en meestal ook bescheiden aanpak. Kijk naar Jane Goodall, die ongetraind in de wetenschap naar de chimpansees ging. Zij bracht een frisse blik mee.

„In de wetenschap streven we naar een ‘objectieve blik’ op de wereld, maar kennelijk impliceert dat ook dat we geen onderdeel van die wereld zijn. Dat is een vergissing. In de wetenschapsfilosofie staat dat objectiviteitsstreven enorm ter discussie. Onze observatie heeft altijd invloed op hoe we naar iets kijken en wat we bekijken. We leren iets niet beter kennen door er afstand van te nemen. We richten dan juist eerder schade aan. We moeten met twee ogen kijken, wat Mi’kmaq-stamoudste Albert Marshall uit Noordwest-Amerika noemt Etuaptmumk, ‘Two-Eyed Seeing’: dat we door het ene oog kijken met de sterke kanten van inheemse kennis en door het andere oog met de sterke kanten van de westerse kennis.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Biologie

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next