Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Er stonden haaientanden aan mijn kant van het fietspad, dus ik moest wel stoppen. Maar ook als ze er niet hadden gestaan, had ik niet anders kunnen doen dan afremmen. De man wiens pad ik op het punt stond te kruisen, droeg een poncho. Het druilde, zoals het alleen in februari hopeloos kan druilen.
Eindeloze grijze luchten vol piepkleine druppels, zonder beloften. Ik las laatst dat februari ‘de allerbeste maand is die er is’. Dat is feitelijk onjuist. Februari is het moment dat je erachter komt dat de winter te lang duurt en de lente nog te ver weg is.
‘Ja maar carnaval.’
Nee.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
En deze man, met zijn vaalgroene poncho en met zijn groeven in zijn gezicht en met zijn donkere, grijze krullen en stoppelbaard en zijn borstelige wenkbrauwen, fietste onverstoorbaar door de miezer. Op een heel gewone, niet-elektrische fiets, zijn bovenlijf heen en weer wiegend.
Hij had recht op voorrang, maar ook als hij dat niet had, had hij voorrang gekregen. Sommige mensen verdienen namelijk altijd voorrang. Mensen die februari trotseren op een gewone fiets bijvoorbeeld. Toen hij zag dat ik hem voor liet gaan, glimlachte hij even naar me en ging toen weer verder met het voortstuwen van zichzelf dwars door dit vuile, gure leven.
Ik sloeg het fietspad op, maakte vaart en na een paar keer trappen fietste ik Ponchoman voorbij. Toen hoorde ik iets wat ik nooit eerder hoorde. Ponchoman floot. Niet zoals mannen op fietsen plegen te fluiten; hard en irritant, performatief en opdringerig. Ponchoman floot een lieflijk wijsje, zuiver en zo zacht dat je het alleen kon horen als je naast hem fietste. Hoe kon dit geluid, de zang van een monter roodborstje bij zonsopgang in een mistig bos, voortkomen uit een mens zo struis?
‘Wow’, mompelde ik in mezelf toen ik de man al lang voorbij was. Even vergat ik februari, vergat ik de grijze vreugdeloosheid en de hinderlijke regen in mijn gezicht. Het was half april en de zon scheen, dikke groene knoppen aan de bomen en de geur van versgemaaid gras. Hier had ik nog een shot van nodig.
Ik stuurde mijn fiets van het fietspad, stapte af en wachtte tot Ponchoman me weer voorbij zou fietsen. Tien seconden, twintig seconden, een minuut. Hoe langer het duurde, hoe grijzer de wereld weer werd, hoe kaler de bomen en hoe natter de lucht. Tot het gewoon weer februari was en ik besefte: Ponchoman was afgeslagen. Fuck hem.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant