Als Joeps tranen eindelijk gedroogd zijn, huilt de hemel boven Dalfsen nog altijd. Het is koud, ik sta te lang stil, starend naar het onbevroren water van ijsbaan de Stokvisdennen waar drie generaties Wennemars zijn opgegroeid.
Ik rij sinds ik wielrenner-af ben bij voorkeur niet meer in de regen, maar pakte vandaag toch mijn fiets. Dalfsen is vijftien kilometer verderop, het dijkje vanaf Zwolle ken ik als mijn broekzak. Ik kwam geen mens tegen in de onafgebroken regen, ik deelde de weg alleen met een dozijn witte ganzen dat stond te blazen naar mijn natte benen. Ik reed door resten opspattende gier die een boer achterliet.
Ik ben hier al ontzettend vaak langs gefietst, langs dit ondergelopen land in een oksel van de Vecht, maar gestopt ben ik nog nooit. Nu wel. Er is niemand. Ik schuif het tuinhek dat dienstdoet als toegangspoort open. De regen druppelt geruisloos in de Derk Jan Wennemarsbocht. Op het gesnater van eenden in de verte na hoor je verder zo goed als niets.
Derk Jan Wennemars, vijfenvijftig jaar lang bestuurslid van de Stokvisdennen, is nu in Milaan. Hij is de opa van Joep, en de vader van Erben. Joep hoefde geen schaatser te worden, echt niet, maar een paplepel kon bijna niet groter zijn. „Vind je het leuk Joep?”, hoorde ik de stem van Erben in een beeldfragment roepen naar een klein ventje met een gele muts, op houtjes. Vier jaar, en nog geen twee turven hoog. „Ja”, roept Joep met een helder stemmetje terug.
Ik dacht erover na terwijl ik Dalfsen naderde. Ritste mijn regenjas open, ik kreeg het warm. Zoals altijd regende het minder dan ik dacht. De wereld vergaat niet. Het is maar een sportwedstrijd. Ik heb het de afgelopen dagen zoveel gehoord, als het over Joeps wereldrace ging die grof werd onderbroken door „de Chinees”. Het was zeker olympisch brons geweest, misschien wel zilver. Het werd een vijfde plek.
Relativeren kun je leren, maar je moet het juist niet leren als je topsporter bent. Om elke minuut van de dag te leven voor die ene wedstrijd, moet je dat toernooi tot het allerbelangrijkste maken dat er ooit heeft bestaan. Als je dan uit de wedstrijd wordt geduwd, is het volkomen logisch dat je hart in duizend stukken breekt. Dat je wereld in elkaar stort, dat je naar huis wilt en dat je huilt tot alle tranen op zijn.
Ik stap weer op. De regen wordt bijna ongemerkt minder. Joep kan zich nu extra opladen voor de 500 meter en 1500 meter, zegt iedereen. Maar hoe doe je dat? Je frustratie en woede kanaliseren, en omzetten in energie? Ik denk niet dat dat kan. Ik denk dat je, Joep zijnde, nog een dag mag huilen, schreeuwen en schoppen tegen prullenbakken. En dan sluit je het af. Schuif je je teleurstelling aan de kant, en richt je je op de taak die volgt.
Het begint op te klaren, ik zie zelfs stukjes blauwe lucht als ik Zwolle binnen fiets. Ook dat is topsport: je verliest meer dan je wint. Even treuren mag, en dan moet je door. Relativeren leer je na je carrière maar. Ik denk dat Joep dat kan. Het zal een leven lang pijn doen dat hij deze medaille miste, maar er komt vast een dag, ooit, waarop hij voelt: het regent toch echt minder dan je denkt.