Het westen van Nederland en België werd veel langer en hardnekkiger bewoond door jager-verzamelaars dan veel archeologen dachten. Zelfs de eerste boerderijen werden gewoon bewoond door de nazaten van de oorspronkelijke jagers.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Daar ligt ze, in de koude kleigrond van Nieuwegein. Een ontroerende vondst uit de prehistorie: het verfrommelde skelet van een jonge vrouw, met in de kom van haar licht gekromde rechterarm nóg een geraamte. Van een baby. Háár baby, zo wijst DNA-onderzoek uit. Een meisje. Zo’n vierduizend jaar voor Christus moeten moeder en dochter hier samen zijn begraven.
Nu, bijna tien jaar na de vondst, is het hartverscheurende tafereel weer in het nieuws. De twee maken deel uit van in totaal 112 prehistorische skeletten die voor het eerst duidelijk maken hoe de bevolking van Nederland zich in de laatste duizenden jaren voor Christus precies heeft ontwikkeld. Dat was een cruciale periode, waarin vanuit het zuiden en oosten voor het eerst de landbouw oprukte.
Het is een geschiedenis vol verrassingen, schrijven wetenschappers onder leiding van onder meer de Universiteit Leiden en het LUMC in vakblad Nature. Want terwijl overal in Europa de bevolking vermengde met de nieuw oprukkende boeren uit Anatolië, bleven de inwoners van het laaggelegen, natte westen van Nederland relatief onaangeroerd.
‘Die moeder en dochter zijn genetisch nog 100 procent jager-verzamelaar’, zegt Eveline Altena (LUMC), expert op het gebied van archeologisch DNA. ‘En dit is duizend jaar na de vestiging van de eerste boeren in Zuid-Limburg. Je ziet hier twee leefwijzen, die eeuwenlang vlak naast elkaar hebben bestaan.’
Dat de vroege bewoners van de lage landen de landbouw niet in één klap omarmden, was al bekend. Archeologen weten dat prehistorische groepen zoals de zogeheten Swifterbantcultuur (ca. 5300-3400 v. Chr.) weliswaar steeds meer op vaste plekken woonden en aan landbouw deden, maar daarnaast ook veel jaagden en visten. Alleen was de grote vraag altijd: waren dit binnengetrokken boeren die de leefstijl van de delta omarmden? Of omgekeerd: inheemse jager-verzamelaars, die de gebruiken van de boeren overnamen?
Dat laatste, zo blijkt nu. Van binnen waren de vroege boeren in het rivieren- en kustgebied van ons land vooral nog jager-verzamelaars. En, opvallend: áls er al boeren-DNA binnensijpelde in de bevolking, gebeurde dat voornamelijk via vrouwen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de waarneming dat het X-chromosoom van skeletten uit die tijd ‘verzwaard’ is met vrouwelijk boeren-DNA. ‘Erg opmerkelijk’, vindt Altena. ‘Al kunnen we aan het DNA niet zien of dit vrijwillig ging, of dat de vrouwen bijvoorbeeld werden verhandeld of ontvoerd.’
Op een andere verrassing stuitte het team bij de skeletten van wat recenter datum, van na zo’n 3000 voor Christus. Dit was de tijd waarin Europa in vrij korte tijd werd overlopen door een nieuwe stroom immigranten: die van de steppenvolkeren uit het oosten. Heel Europa? Om het met Asterix te zeggen: Nee! In het Nederlandse laagland hield ook nu de oorspronkelijke bevolking stand.
‘We zijn eraan gewend geraakt dat in heel Europa de touwbekerculturen gepaard gaan met een plotse instroom van DNA uit het steppegebied, met horden migranten dus’, stelt Harry Fokkens, emeritus hoogleraar Europese prehistorie. ‘Je zou dat nu ook verwachten. Alleen laten de skeletten uit de periode 3000 tot 2500 voor Christus uit ons land tot onze verbazing geen of nauwelijks steppe-DNA zien, maar juist continuïteit van de oorspronkelijke bewoners.’
De oorspronkelijke Nederlandse bevolking zal er wat anders hebben uitgezien dan de nieuwelingen. Vroege jager-verzamelaars in onze streken hadden immers een donkere huidskleur, met lichte ogen, blijkt uit ander onderzoek. Hoewel de nieuwe DNA-gegevens te gebrekkig zijn om het met zekerheid te kunnen zeggen, ‘mag je aannemen dat ze een wat donkerder huidskleur hadden’, denkt ook Altena.
Rond 2500 voor Christus kwam de genetische omslag naar meer ‘Oost-Europees’ DNA alsnog, in maar een paar eeuwen tijd – en niet alleen bij ons, maar ook aan de overkant van de Noordzee, in het huidige Engeland. ‘Dat hadden we totaal niet verwacht’, zegt Fokkens. ‘Voor deze periode gaat iedereen juist altijd van archeologische continuïteit uit.’
Kennelijk vond er in die tijd een drastische bevolkingsverandering plaats, spreekt uit het DNA. ‘Maar dan ook echt overal. En die omslag is zo snel dat je niet anders kunt aannemen dan dat het met migratie te maken moet hebben, met instroom van mensen uit andere streken’, zegt Fokkens.
Bewijs voor oorlog, conflict of een cultuurbreuk is er niet: zo bleef men in Engeland gewoon gebruikmaken van rituele plaatsen zoals Stonehenge en Avebury. ‘Het kan best zijn dat de nieuwkomers een betere voedselproductie hadden en zich sneller reproduceerden’, zegt Fokkens. Misschien was er minder kindersterfte, of kregen ze meer nakomelingen. ‘Een eenduidig antwoord is er gewoon nog niet.’
Restjes DNA van de oorspronkelijke jager-verzamelaars zitten overigens nog steeds in onze cellen. Een teken dat onze voorouders met elkaar mengden.
Het nieuwe onderzoek markeert een stap in de archeologie naar steeds gedetailleerdere inzichten. ‘De afgelopen tien, twintig jaar hebben we de grote lijnen uitgezet van wat er vanuit genetisch perspectief zo’n beetje in de prehistorie is gebeurd’, zegt Altena. ‘Nu zijn we meer aan het inzoomen op wat zich precies heeft afgespeeld op regionaal niveau.’
Fokkens is het daarmee eens. ‘Het bijzondere is dat we maar heel weinig skeletten uit deze periode hebben die we kunnen bemonsteren. Dat er dan toch zo’n patroon uit komt, is toch wel heel aardig’, zegt hij. ‘Nu kunnen we proberen nieuwe vondsten daar weer in te passen.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant