Home

De zoektocht naar het dna van Leonardo da Vinci: ‘Het Higgs-deeltje van ons vakgebied’

Genetica Onderzoekers zijn op zoek naar het dna van Leonardo da Vinci. Spannend, maar voorzichtigheid is geboden. „We kunnen weinig zeggen over Afrikaanse personen, dus waarschijnlijk ook niet over iemand die vijfhonderd jaar geleden leefde.”

Zelfportret van Leonardo da Vinci (1452-1519).

„Een schilder die alleen gebruik maakt van het oordeel van zijn oog en niet zijn verstand, is als een spiegel die alle voorwerpen die er voor staan weergeeft zonder er enige kennis van te bezitten.” Dat vond Leonardo da Vinci ervan. De vijftiende-eeuwse architect, uitvinder, anatomist, filosoof, beeldhouwer en schilder maakte niet eens zo heel erg veel, en wat hij maakte kwam vaak niet af, maar hij wist als geen ander wetenschap en kunst te verbinden. Niet zo gek dat juist hij zo tot de verbeelding spreekt als lijdend voorwerp in het onderzoek naar dna in kunstwerken.

Het dna van de Florentijn is nog niet gevonden. Maar de methodes om biologisch materiaal te vinden en non-destructief te kunnen verzamelen en onderzoeken, zijn bijzonder hoopgevend. De bevindingen van de internationale groep onderzoekers die hiermee bezig is, het Leonardo Da Vinci DNA Project (LDVP), zijn onlangs beschreven in een journalistiek artikel van tijdschrift Science en gepubliceerd op preprint platform Biorxiv, nog niet beoordeeld door vakgenoten.

„Ze nuanceren heel goed hun bevindingen, maar ze komen wel stapje voor stapje dichterbij”, zegt Katrien Keune, hoofd Science in het Rijksmuseum in Amsterdam, met het stuk uit Science voor zich op tafel. „Wat zij proberen te vinden is een beetje het Higgs-deeltje van ons vakgebied. Da Vinci is kunsthistorisch natuurlijk heel belangrijk, en als je zijn dna zou achterhalen, dat zou het hoogst haalbare zijn.” Keune, zelf hoogleraar moleculaire spectroscopie aan de Universiteit van Amsterdam, ziet het onderzoek naar het dna van Da Vinci vooralsnog als ‘uitdaging’. Om te tonen hoe het Rijksmuseum natuurwetenschappelijk onderzoek doet naar materialen, pigmenten en andere aspecten van kunstwerken, laat ze een schilderij van Frans Hals zien, dat wordt gescand op chemische elementen. „Wij zien zelf weleens een haar in een schilderij”, zegt ze kijkend naar de Hals. „Maar dat is vaak van een penseel. Als je dat zou onderzoeken vind je waarschijnlijk een varken in plaats van een mens.”

Dat werk van Hals, Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laen uit 1622, staat moederziel alleen in een donkere ruimte, op z’n kant, waar een tevreden spinnende macro-röntgenfluorescentie-scanner (XRF) langs zoeft. Hier geen toeristen, maar werkruimtes met felle lichten waar mensen in labjassen onderzoek doen naar verf, plastic, hout en andere materialen die je in het Rijks tegenkomt, zodat ze beter weten hoe iets te conserveren of restaureren. „Kijk, hier zie je dat er een paar plekken zijn met veel kwik”, zegt Keune. Ze kijkt naar een computerscherm waarop het doek van Frans Hals te zien is in verschillende contrastbeelden, met in elke afbeelding het symbool van een chemisch element. Waar het wit is op die afbeeldingen, is een piek van dat specifieke element gevonden. Bij kwik zijn er pieken gescand in de wangen van de vrouw op het schilderij en in het kapje op haar hoofd. Keune: „Waarschijnlijk is dat het kwik in het rode pigment vermiljoen.”

Het huwelijksportret van Frans Hals.

Baardhaar van Leonardo

Het onderzoek van het LDVP richt zich puur op biologische kenmerken. Ze vonden dna van planten, insecten, bacteriën, schimmels en, in een tekening van Da Vinci uit een particuliere verzameling, ‘Heilig Kind’, ook menselijk dna. Dat heeft het Y-chromosoom (het chromosoom dat grotendeels ongewijzigd van vader op zoon generatieslang wordt doorgegeven) dat past binnen dezelfde genetische groep als wat ze aantroffen in een brief van een mannelijke verwant van de schilder; de zogenaamde haplogroep E1b1b. Dat is verre van doorslaggevend: E1b1b komt voor in Europa, maar ook in Azië en in grote delen van het Afrikaans continent. Wat ontbreekt is een goede, zekere bron van dna van Da Vinci waarmee het gevonden materiaal te vergelijken is: de bevindingen zijn nu nog niet te verifiëren. Daarom wordt gezocht in het vermeende graf van Da Vinci en hopen ze bovendien geschilderde werken van de meester te kunnen onderzoeken: hij schilderde regelmatig met z’n vingers, wat hoop biedt op huidcellen in de verf. En dan is er nog een lange blonde baardhaar die van de Italiaan zou zijn geweest, die de onderzoekers graag eens zouden uitkammen.

In de twintigste eeuw, zo zegt Stefan Simon, directeur van het Rathgen Laboratorium in Berlijn in Science, waren experts afhankelijk van hun ogen om schilderijen toe te schrijven aan een schilder, soms geholpen door spectroscopie of röntgenstraling. „Maar de eenentwintigste eeuw wordt de eeuw van biologische methodologie.”

Tien jaar geleden was dit sciencefiction geweest, vertelt Keune. De bijzondere ontwikkeling zit ’m erin dat je tegenwoordig maar heel weinig materiaal nodig hebt voor een goed monster. Een ‘swab’ met een wattenstaafje is genoeg om dna op te kunnen terugvinden, terwijl je daarvoor voorheen een klein stukje uit het kunstwerk had moeten halen. Bovendien is het onderzoek naar genoom snel ontwikkeld de laatste jaren. Zie opzienbarende publicaties over mammoeten, neanderthalers en opsporingstechnieken. Keune: „Wij kunnen met een micromonster van een Rembrandt, kleiner dan een kruimeltje, al onderzoek doen naar zijn schildertechniek en materialen. We zijn zelfs bezig met dampen die van kunstmateriaal afkomen te absorberen, om die te bekijken op moleculair niveau. En we kijken samen met Naturalis wel al naar dna in het schildersdoek, om erachter te komen wat de oorsprong is van het vlas van bijvoorbeeld de Nachtwacht. De technieken zijn vandaag zo gevoelig, dat je in steeds kleinere monsters informatie kunt vinden. Voor de vragen die wij nu hebben, zoals hoe iets gemaakt is, hoe werken aan elkaar gelinkt zijn, waar het vandaan komt; daar zijn deze technieken heel erg interessant voor.”

Leonardo da Vinci werkt aan de Mona Lisa, op een voorstelling van Cesare Maccari (1840-1919).

Was Leonardo een avondmens?

Dna-onderzoek zegt mogelijk iets over materiaal en techniek, en misschien ook wel iets over de tijd en omgeving waarin het is gemaakt – in de tekening van Da Vinci vonden ze ook dna van een sinaasappel die in die tijd door de De Medici werd gekweekt, en in de brief van zijn achterneef een malariamug die in die tijd endemisch was in Toscane. Maar wat kan het zeggen over de meester zelf? Kun je, zoals de onderzoekers van het Leonardo-project hardop dromen, iets van zijn genie terugvinden?

„Ken je 23Andme?” zegt onderzoeker in de gedragsgenetica Laura Wesseldijk, verbonden aan het Amsterdam UMC en Max Planck Instituut voor Empirische Esthetiek, na het lezen van het onderzoek. „Dat is zo’n bedrijf waar je je dna heen kunt sturen, en dan krijg je informatie terug over je afkomst, en of je bepaalde genen draagt die het risico op ziektes verhogen. Maar ook of je een ochtend- of avondmens bent, of je van zoet of zout houdt, of je toon kunt houden, of je blauwe ogen hebt. Ze maken een soort schets, en dat zou je met Da Vinci natuurlijk ook kunnen doen. Dat is interessant, maar je kunt daar echt geen conclusies aan verbinden.”

Dat soort tests, legt Wesseldijk uit, zijn gebaseerd op grootschalig genetisch onderzoek, waarin wordt gezocht naar patronen. Als je driehonderdduizend mensen met depressie onderzoekt, en hun genen vergelijkt met driehonderdduizend mensen zónder depressie, kun je mogelijk zien dat de mensen met depressie op bepaalde locaties in hun genen verschillen van die andere groep. Als je een specifiek individu vergelijkt met die groepen komt daar een score uit, en die score zegt iets over genetische aanleg. Maar over een individu kun je niets zeker zeggen op basis van zo’n onderzoek. „Neem laatst dat onderzoek over Adolf Hitler”, zegt Wesseldijk. „Die zou een micropenis hebben gehad, werd beweerd op basis van zijn genen, maar mensen met dat gen hoeven helemaal geen micropenis te hebben. Je kunt zoiets helemaal niet met zekerheid zeggen.”

Veel van die genoombrede studies worden gedaan in de Verenigde Staten en Europa, zegt Wesseldijk. „We kunnen daarom weinig zeggen over Afrikaanse of Aziatische personen, en waarschijnlijk ook niet over iemand die vijfhonderd jaar geleden leefde.” De meeste eigenschappen, zeker gedrag, zijn polygenetisch: die worden niet bepaald door één enkel gen maar meestal duizenden genen met allemaal een heel klein effect. Sommige ziektes, zoals de ziekte van Huntington, zitten wel in één gen. Maar we weten zo ook wel dat Da Vinci dat zeer waarschijnlijk niet had.”

„Over tien jaar zullen we wel weer veel verder zijn. Maar visuele vaardigheden, of intelligentie, dat kun je nu niet goed zien in iemands dna”, zegt Wesseldijk. „We hebben het dna van Beethoven bekeken, en toen bleek dat hij heel laag scoorde op ritmegevoel. Dat is denk ik een mooie illustratie van wat we op dit moment kunnen met het dna van een individu.” Wesseldijk is wel degelijk enthousiast over het Leonardo-project, voor wat het in de kunstwereld zou kunnen betekenen. „Lastig natuurlijk, want veel schilderijen zijn in de loop van de jaren door honderden mensen aangeraakt. Maar het zou heel erg leuk zijn om dat dna te hebben voor identificatie van werken waar hij bij betrokken is geweest.”

Ook het Rijksmuseum heeft werken waar twijfel over de kunstenaar bestaat. „Maar voordat dna-onderzoek interessant zou zijn”, zegt Keune, „is de vraag van welke objecten je denkt dat er dna te vinden is. Als je een haar of een vingerafdruk vindt geeft dat mogelijkheden, maar als er een toekenningskwestie is en er zijn niet van dat soort markers is het niet interessant om het mee te nemen.” Ze halen in het Rijks ‘alles uit de kast’ om dat soort antwoorden te vinden, maar: „We gaan geen poppenkast optrekken als we denken dat het geen zin heeft.”

Ze herinnert eraan dat enkele jaren geleden de hoed met kogelgat van Ernst Casimir, een voorvader van koning Willem-Alexander, werd onderzocht. Maar ondanks de hoed waarin je biologische resten zou kunnen verwachten en zelfs bloedresten, was het onderzoek niet doorslaggevend. „Maar je hoopt dat er nieuwe inzichten komen en er nieuwe antwoorden komen, dat is het fijne van dit soort onderzoek. Kijk, op het moment dat je het dna van Van Gogh bijvoorbeeld echt kunt vaststellen, dat zou heel krachtig zijn. Maar ja, schilderijen zijn vaak schoongemaakt in het verleden, gerestaureerd, hebben behandelingen gehad, zijn door verschillende handen gegaan van collega’s. Als het object het niet vrijgeeft, dan kunnen we de vragen die we hebben niet beantwoorden.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next