Beeldende kunst Het nieuwe werk van Pierre Huyghe is grootser dan groots, qua formaat én qua ideeën, en misschien wel een van de meest ambitieuze kunstwerken van dit moment. Maar je kunt je afvragen: kun je als kunstenaar soms ook té veel willen?
Filmstill uit Pierre Huyghe, Liminals, 2025.
Kan een kunstenaar te veel willen? De afgelopen week zag ik Liminals, het nieuwe werk van de Franse kunstenaar Pierre Huyghe (1963), in de Halle am Berghain in Berlijn. Het is vermoedelijk een van de meest ambitieuze kunstwerken die er op dit moment wereldwijd te zien zijn: een gigantische installatie over kwantummechanica, de relativiteitstheorie, verschillende bewustzijnslagen en Heisenbergs onzekerheidsprincipe. Met een projectiescherm van ruim tachtig vierkante meter, intens geluid, en een lading aan complexe, elementaire natuurkunde. Toch dacht ik, na een dik uur, vooral aan Anselm Kiefer.
Daar werd ik niet vrolijk van.
In de serie ‘Wereldkunst’ schrijft kunstcriticus Hans den Hartog Jager maandelijks over kunst die hem opvalt. Lees meer afleveringen van Wereldkunst.
Ambitie in de kunst is verraderlijk. Bijna elke jonge kunstenaar begint ambitieus, wil een eigen wereld scheppen. Soms lukt dat, zowaar: je maakt kunst die aanslaat, wordt beroemd, iedereen wil je werk kopen en tonen en ineens ben je Olafur Eliasson, of Jeff Koons, of Kiefer, of Anish Kapoor. Er is succes, geld en vooral: de kans om de grenzen van je wereld te verkennen. Dat heeft vrijwel altijd twee gevolgen: je kunst wordt inhoudelijk ambitieuzer, en de werken worden groter. Kiefer is daarvan een goed voorbeeld: hij maakt de laatste jaren eigenlijk alleen nog gigantische kunstwerken met verf en stro en lood waarmee hij de hele (Duitse) geschiedenis naar zijn hand zet: de romantiek, Duitsland, Goethe en Paul Celan, de Holocaust. Verf wordt geschiedenis en Kiefer zit daar als grote goddelijke transformator tussen. De kunstenaar als God in zijn eigen universum.
Dat zoiets bij Pierre Huyghe gebeurt is best verrassend, want zijn ambitie lag altijd aan de conceptuele kant van het artistieke spectrum. Huyghe komt uit de traditie van de ‘relational aesthetics’, kunst die zich richt op ontmoetingen en sociale processen. De afgelopen jaren groeide hij uit tot een van de meest bewonderde kunstenaars ter wereld door zijn rijke, complexe installaties, die zich nog het beste laten omschrijven als ambitieuze voorstellen om de werkelijkheid anders te ervaren. Beroemd is de grote ‘tuin’ die hij voor Documenta 13 in Kassel (2012) ontwierp op een lokale composthoop – als toeschouwer dwaalde je er rond, bewonderde de objecten en de planten, vroeg je af waar natuur begon en kunst ophield en dan kwam er ineens een hond voorbij met een hardroze poot. Of neem Huyghes meesterwerk: het voor zijn doen simpele Human Mask (2014). Hiervoor filmde hij, in het door atoomstraling verlaten Fukushima, een aap die in de jaren ervoor in een plaatselijk restaurant was getraind als ‘hulp in de bediening’. Nu, in de bestraalde stad, brengt Huyghe de aap daar terug en valt die automatisch in de bedieningshandelingen die hij zo goed kent. Alleen: Huyghe heeft hem een traditioneel Japans Noh-masker opgezet, waardoor de grens tussen mens en dier vervaagt. Zo’n complexe vermenging van werelden zag je ook op het voorlopige hoogtepunt van zijn oeuvre: de tentoonstelling Liminal (inderdaad: hier nog zonder ‘s’), in 2024 in het Punta della Dogana in Venetië. Hier dwaalde je door een gigantische donkere totaalinstallatie, waarin veel van Huyghes bekendste werken waren samengebracht – computersimulaties, woestijnen, theaterdecors, dolende wezens met gouden maskers op hun hoofd. Een vreemde droomwereld was het, ergens tussen spookhuis, sciencefiction en natuurkundig experiment in. Overdonderend, op het ongemakkelijke af.
Pierre Huyghe, ‘Liminals’, 2025. Film still.
Zo bezien is Liminals een logische stap in Huyghes oeuvre: nog meer, nog grootser. Dat begint met het formaat: de Halle am Berghain is een voormalige elektriciteitscentrale van zo’n dertig meter hoog, waardoor je niet meteen beseft hoe overweldigend groot Huyghes projectiescherm is: ruim tachtig vierkante meter – de oppervlakte van vier à vijf studentenkamers. Wat vervolgens óók opvalt, is hoe sterk Huyghe en de organisatie de complexiteit van het werk benadrukken. Overal hangen teksten en draaien filmpjes die uitleggen dat Huyghe voor dit werk heel diep in de kwantummechanica is gedoken. Dat hij samenwerkte met de kwantumtheoreticus Tommaso Calarco en de filosoof Tobias Rees en dat hij als eerste kunstenaar gebruik mocht maken van de ‘100 qubit neutral-atom quantum computer’ van het Forschungszentrum Jülich, een toonaangevend onderzoekscentrum op het gebied van energie.
Fundament onder dit alles (als ik het goed heb, alfa-kunstliefhebber hier) is Huyghes fascinatie voor Heisenbergs onzekerheidsprincipe. Dit is een natuurkundig idee dat grofweg stelt dat het feit dát je een meting verricht, onherroepelijk invloed heeft op het resultaat van die meting. En dat er dus, en dat is natuurlijk vrij ingrijpend, niet zoiets bestaat als objectieve waarneming. Daarmee is de brug naar de kunst makkelijk gelegd: Huyghe stelt impliciet de vraag hoe wij, mensen, ooit een gedeeld begrip van de wereld kunnen hebben. Of er zoiets als gedeelde ervaringen bestaan, en zo wordt Liminals tegelijk een werk over de grenzen van perceptie. Fascinerend onderwerp, juist het onderzoeken van zulke grenzen is een van de grote krachten van de kunst. Dat Huyghe zo ver durft te gaan valt alleen maar te prijzen.
Maar al snel knaagt er iets.
Want tegen de achtergrond van deze theorie is de film eigenlijk opvallend overzichtelijk. Het geheel speelt zich af in een kaal, verlaten, versteend landschap. Geen wolken, geen struiken, geen gebouwen, alleen rotsen en stenen en aarde en zand – misschien is dit een tijdvacuüm, een ruimte waar de materie onpeilbaar is. Hier doolt een eenzaam wezen rond, dat sterk op een vrouw lijkt: voortdurend tast de camera, bijna gretig, haar huid af, haar naakte lichaam, van rode veeg naar moedervlek, van borsten naar een forse schaafwond, om uit te komen bij het litteken van een keizersnee – uiteindelijk, in de hele film, het enige teken van menselijk ingrijpen.
Maar dan komt de klap. Op de plaats namelijk, waar de mens normaal een gezicht heeft, zit bij dit wezen een zwart gat. Een diepzwart gat, zwaar en dreigend, dat haar volledige gezicht bestrijkt, van haargrens tot kin. Huyghe heeft deze constructie angstaanjagend perfect uitgevoerd. De combinatie van hoofd en gat lijkt nog het meest op een lege schaal: achterhoofd de bak, haarlijn en kin de rand, de oren handvaten. Soms hapt de schaal naar de wereld, vaker, meestal, lijkt-ie verstard in een machteloze schreeuw – je denkt meteen aan Edvard Munchs De schreeuw, aan Anish Kapoors diepzwarte gaten in de museumvloer (Descent into limbo), en de krijsende hoofden op Picasso’s Guernica. Het is een ijzersterk beeld, aangrijpend, maar ook zo dramatisch dat het balanceert op de rand van kitsch. Toch blijf je kijken, omdat het beeld zo krachtig is, en omdat dit wezen bijna perfect de existentiële menselijke paradox vangt: zonder ogen, neus, mond heeft ze nauwelijks een identiteit, maar door het zwarte gat verpersoonlijkt ze óók oneindigheid – alsof er in haar hoofd een oneindig universum schuilgaat. Kwetsbaar én goddelijk is ze, en daarmee ook een symbool voor de mens in deze tijd die meer kan dan ooit, en toch ook steeds machtelozer wordt. Door kunstmatige intelligentie. Door autocratische leiders.
Filmstill uit ‘Human Mask’ (2014) van Pierre Huyghe.
Pierre Huyghe, Camata, 2024
Huyghe voerde dit personage al eerder op, in zijn grote Venetië-tentoonstelling van 2024. Toen was ze nog ‘gewoon’ een naakte vrouw met een ovaalvormige lap voor haar gezicht die als poortwachter tot Huyghes wereld fungeerde en je zo onder andere leidde naar de film Camata (2024), geprojecteerd op een scherm van een meter of twintig, waarin een menselijk skelet in een oneindige woestijn door een robot wordt geobserveerd. Hier, in Liminals, komen dat vrouwelijk wezen en de aardse leegte samen in één wereld. De vrouw is geperfectioneerd tot dit paradoxale wezen, de woestijn is nu een onbestemde plek waarop tijd en waarneming geen vat hebben. Beide veranderingen komen vooral door technische verbeteringen: van computertechniek heb ik weinig verstand, maar je mag ervan uitgaan dat studio-Huyghe de allernieuwste AI-technieken heeft ingezet om dit tragische wezen een eigen leven en lichaam en wereld te geven.
Maar toen waren de ideeën op.
Of de tijd. Of de mogelijkheden. Wat het is weet ik niet, maar terwijl ik daar zat, voor dat enorme scherm, besefte ik ineens dat er in de kunst, de meest ambitieuze kunst, zoiets als een breekpunt bestaat. Eerste fase: een kunstenaar is goed, wordt beroemder en de groeiende mogelijkheden stellen haar of hem (het zijn váák hemmen) in staat om de wereld in zijn hoofd steeds grootser te realiseren. Het werk wordt rijker, vaak beter. Dan komt er een moment dat alles, ambitie, mogelijkheden, inspiratie, bij elkaar komen: de kunstenaar maakt een ‘meesterwerk’, geliefd, gelauwerd, alom besproken – bij Huyghe is dat vermoedelijk Human Mask. Daardoor groeien de mogelijkheden nóg verder: nog grotere ruimtes, nog meer techniek en computers, steeds overweldigender wordt de vorm. De kunstenaar stijgt als een God boven het kunstuniversum uit. Het publiek, dat het heerlijk vindt om tegen een kunstenaar op te kijken, stroomt in steeds groteren getale toe.
Alleen: de inhoud kan al die vorm niet meer bijhouden – en dat is precies wat er in Liminals gebeurt. Huyghe is gelukkig geen Kiefer, maar de ambitie, de filosofie, de theorie over kwantummechanica en het onzekerheidsprincipe lopen in dit werk al lang niet meer parallel met wat je ziet: een eenzame figuur in een tijdloze ruimte. Fascinerend, zeker, tragisch ook, maar het is óók niet heel veel meer dan een computergestuurde versie van Caspar David Friedrichs romantische meesterwerk Der Mönch am Meer (1810) waarop we een eenzame monnik zien, aan het strand, overgeleverd aan de krachten van de natuur.
Alsof we in tweehonderd jaar héél weinig zijn opgeschoten.
Natuurlijk probeert Huyghe het inhoudelijke vacuüm wel te doorbreken. Er liggen vreemd-gevormde objecten op de aarde die doen denken aan kleine versies van zijn eigen sculpturen. Het wezen steekt af en toe een vinger in de grond, waardoor ze een reeks kleine, zwarte ‘vingergaten’ achterlaat – mini-universums én subtiele echo’s van haar eigen gezicht. En er is een moment dat alle aarde, steen in een soort turbulentie terechtkomt, alsof het hele universum van de film in een soort tijd- en deeltjesversneller is beland – meteen een van de fascinerendste momenten uit de hele film. Maar al deze prikkels verhullen niet dat de afstand tussen vorm, ambitie en inhoud in Liminals te groot is. Dat je als toeschouwer eigenlijk vooral vijftig minuten lang overweldigd zit te worden: door de ruimte, door het schermformaat, door de inhoudelijke ambitie – door, nou ja, grootsheid. Romantiek. Liminals is gewoon het sublieme, waarbij Huyghe de romantische krachten van de natuur heeft vervangen door de ongrijpbaarheid van het kwantum. Daarbij neemt hij zelf, bijna achteloos, weer ‘gewoon’ de oude romantische positie van allesbepalende universumbestuurder in – waardoor het extra begint te irriteren dat hij van de machteloze hoofdpersoon zo nadrukkelijk een vrouw heeft gemaakt. Zit Huyghe nou echt zo sterk vast in die oude machtsstructuren? Machteloos = vrouw = moeder? Komen we nu echt geen stap verder?
Het is een rare ervaring: eerst overweldigd worden door een kunstwerk, om er vervolgens tegen in opstand te willen komen. Natuurlijk is dat juist dé reden om Liminals te gaan zien als het later in dit jaar naar Amsterdam komt (mede geproduceerd door de Hartwig Foundation, datum en plek zijn nog niet bekend). Want hoewel Huyghe daar zelf misschien niet meteen naar streefde, doordringt hij je er als toeschouwer wél van dat je juist géén onpeilbaar kwantumdeeltje in het universum wilt zijn, dat je kunt terugpraten en constateren: grootsheid, ambitie, complexiteit zijn geweldig, ze kunnen een drijvende kracht zijn achter de beste kunst. Maar dat betekent niet dat we ons hoeven neerleggen bij elke overweldigende, dwingende maker/kunstenaar/bestuurder/schepper die het publiek zijn wil en wereldbeeld wil opleggen – die hebben we op dit moment in de wereld al méér dan genoeg.
Pierre Huyghe, Liminal, t/m 8 maart in de Halle am Berghain in Berlijn. De film Camata is t/m 25 mei te zien in de Bourse de Commerce in Parijs.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC