De overleden schrijver, dichter en essayist Cees Nooteboom (92) laat een rijk oeuvre achter. Misschien wonderlijk, maar hij deed dat allemaal zonder vooropgezet plan. In zijn eigen woorden: ‘Ik leef achter me aan.’
Zijn lange leven lang reisde Cees Nooteboom als een nomade over de wereld. Niet alleen om voortdurend in beweging te zijn en indrukken van verre landschappen op te doen om die met grote beeldende kracht te beschrijven, maar vooral om onderweg steeds nieuwe versies van zichzelf te vinden.
‘Ik laat mijzelf hier achter en ga weg’, schreef hij in Voorbije passages.
Schrijver, dichter en essayist Cornelis Johannes Jacobus Maria Nooteboom, geboren in Den Haag op 31 juli 1933, is woensdag gestorven, 92 jaar oud. Nooteboom beschikte over een vernietigend geheugen. Van zijn jeugd herinnerde hij zich vrijwel niets, soms vroeg hij zich af of hij er vroeger wel echt was geweest.
‘Herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil,’ schreef hij in zijn roman Rituelen - een van zijn beroemdste zinnen.
Zijn ouders scheidden toen hij nog heel jong was, zijn vader ging er met hun ‘meisje’ in de huishouding vandoor en stichtte een nieuw gezin. Tijdens de Hongerwinter ging Cees naar zijn moeder op de Veluwe, zijn vader bleef achter in Den Haag en kwam om het leven bij het Britse vergisbombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945.
Na de oorlog werd de jongen naar verschillende Brabantse kloostergymnasia gestuurd. Hij werd opgevoed door monniken die hem kennis lieten maken met de Bijbel, maar ook met Ovidius, Homerus, Vergilius. Hij leerde de klassieke talen en noteerde in zijn schoolschriftjes gedichten die hij mooi vond, zijn gevoeligheid voor poëzie moet daar zijn ontstaan. Het absolute en het theatrale van het kloosterleven trok hem aan, maar God en het dogma niet.
Vanaf dat moment sloeg hij aan het zwerven. Hij liftte naar Zweden, later naar de Provence, droomde van een meisje. Die reizen kwamen terecht in het eerste hoofdstuk van een roman, die hij als 20-jarige intuïtief op papier zette. Het schrijven leek hem wel overkomen.
‘De woorden kwamen nergens vandaan. De monniken hebben mij eruit gegooid’, zei hij. ‘Eerst de Franciscanen, toen de Augustijnen. Er moet iets geweest zijn waardoor zij dachten: die past hier niet. Ik heb geen herinnering aan conflicten. Ik viel er buiten. Ik zal best lastig zijn geweest. Een dromerig jongetje. Door al die verlatingen sloot ik mij af voor de buitenwereld. Die jongens kwamen uit brave katholieke gezinnen. Geen gescheiden ouders. Geen dooie vaders.’
In Philip en de anderen (1955) droomde hij zich weemoedig een andere werkelijkheid. Philip zwerft door Europa op zoek naar een meisje met een Chinees gezicht dat hij nooit heeft gezien en alleen kent uit de verhalen van een weggelopen monnik. Hij vindt haar aan het slot om haar te verliezen. ‘Misschien is het wel lang dat we zo gelegen hebben, ik bezig haar te verliezen, zij bezig weg te gaan.’
Zijn romantische debuut werd zeer geprezen, maar een echte schrijver voelde hij zich nog niet. Hij leefde als een dandy zonder geld, monsterde in 1957 aan op een schip van de Surinaamse Scheepvaartmaatschappij, om in Suriname aan haar vader de hand van zijn vriendinnetje Fanny Lichtveld – een nichtje van Lou Lichtveld, de schrijver Albert Helman – te vragen.
Hij zwierf ook tussen de genres: na zijn debuutroman publiceerde hij een dichtbundel, De doden zoeken een huis – de poëzie kwam voor hemzelf altijd op nummer één – en ging reisverhalen en columns schrijven. Eerst voor Elsevier, in de jaren zestig en zeventig voor de Volkskrant, en nog weer later voor Avenue. Een vooropgezet plan heeft hij nooit gehad. Nog op 30 november 1995 noteerde hij in Berlijn in zijn dagboek: ‘Ik leef achter me aan.’
Toch had Nooteboom er een neusje voor om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Hij was in 1956 in Boedapest toen de Russen daar binnenvielen, aan het begin van de jaren zestig in Bolivia toen Che Guevara daar de revolutie kwam verspreiden, in Parijs in 1968 tijdens de studentenopstand, ‘de beroerte’, en in Berlijn in 1989 toen de muur viel. Hij deed niet louter journalistiek verslag van wat hij meemaakte. Het was andersom: hij verleende de tijd betekenis door zijn beschouwingen, keek om zich heen als een ziener, ‘een filosoof zonder ogen’.
In zijn proza moest Nooteboom zich intussen bevrijden van de romantische, naïeve schrijver die hij was geweest. In 1963 publiceerde hij zijn tweede, kleine roman De ridder is gestorven, die eindigt in zelfmoord. Een tijd leek het erop dat hij ook de fictieschrijver in zichzelf had vermoord, want daarna hulde hij zich opnieuw in een romanesk zwijgen. Misschien had dat ook te maken met het leven met zijn tweede vrouw, de zangeres Liesbeth List, wier spoor in de theaterwereld hij volgde.
Pas zeventien jaar later, in 1980, verscheen Rituelen. Eerste zin: ‘De dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philip 149.60.’ In de roman worden verschillende werelden – die van de kunsthandel, de Amsterdamse aandelenbeurs, de Brabantse bourgeoisie en Japanse theeceremonies –, beeld en verbeelding aaneengesmeed in het verhaal van een raadselachtige held. ‘Dat geheimen geheimzinniger kunnen worden door er met precisie en methode over na te denken, wist hij nog niet.’
In Rituelen vond Nooteboom zijn vorm. De roman wordt beschouwd als zijn magnum opus en werd overwegend goed ontvangen, al bleef het schuren tussen de schrijver de vaderlandse literaire kritiek. De kleine, hermetische en fijnzinnige romans Een lied van schijn en wezen en Het volgende verhaal – dat in 1991 als Boekenweekgeschenk diende – werden in Nederland ontvangen als ‘koel’, ‘gekunsteld’ en ‘kitsch’.
Intussen werd Nooteboom in het buitenland beschouwd als een groot schrijver. Zijn reisverhalen werden in Amerika op één lijn gesteld met die van Bruce Chatwin en V.S Naipaul. De Frankfurter Algemeine meende: ‘Nooteboom heeft met Die folgende Geschichte geschiedenis, mythologie en filosofie versmolten tot één verhaal, waarin de hoofdfiguur de poëzie zelf is.’ Op tv riep de invloedrijke Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki bewonderend uit: ‘Dat de Hollanders zo’n auteur hebben!’
Duitsland, dat hem omarmde, omarmde hij terug. Na zijn veelgeprezen Berlijnse notities was Berlijn ook het decor van zijn laatste grote roman, Allerzielen, uit 1998. ‘De Muur die er niet meer is, is er dubbel, omdat je hem moet denken waar hij was.’ Op zijn reizen werd hij inmiddels vergezeld door zijn derde vrouw, de fotografe Simone Stassen, die hun pelgrimages met de camera in beeld bracht: samen gingen langs schrijversgraven over de hele wereld in Tumbas, en langs de 33 Japanse tempels bij Kyoto in Saigoku. Reizen en schrijven als mediteren. ‘Zielsverhuizing vindt niet na, maar tijdens het leven plaats.’
Hij had een enorme liefde voor Spanje, dat leidde tot het meesterlijke De omweg naar Santiago, waarin hij scherp en subtiel de ziel van Spanje ontleedde, terwijl wegen, steden, schilderijen en kerken voor je ogen oprezen. De kathedraal van Burgos, ‘met die oude kanunniken, schuifelend als lamme vleermuizen’. Met pijn en moeite nam hij afscheid van zijn eigen boek, dat daarna niet van hemzelf maar van de lezer was. ‘Mijn reis is een omweg geworden van samengestelde omwegen, en zelfs daarvan laat ik mij afleiden’.
Op het Spaanse eiland Menorca keerde hij elke zomer terug. In de jaren zestig had hij daar een wit stenen huisje gekocht met een ommuurde tuin. In de verte ruiste de zee, waar Poseidon heerste, en aan wie Nooteboom brieven stuurde. Op zijn eiland vond hij de stilte om te schrijven. In 533, een ‘dagenboek’ van 2016, nam hij plaats in zijn tuin tegenover een oude cactus met zes stekelige naden, die op bloeien stond. ‘Cactus of sonate, dat is de vraag.’
Al Nootebooms verhalen waren ook reizen in de hoofden en boeken van anderen. Hij was, hoewel autodidact als zijn vrienden en generatiegenoten Harry Mulisch, Remco Campert en Hugo Claus, een onwaarschijnlijk belezen man. Net als zijn held Borges dwaalde hij in gedachten permanent in een bibliotheek, zijn werk wemelde van de verwijzingen, hij was als ‘een heremietkreeftje dat in de verlaten schelpen van andere dieren kruipt’.
Onvermijdelijk keerde hij ook altijd terug naar het land van de taal waarin hij woonde, naar zijn 17de-eeuws pakhuisje vol boeken in het centrum van Amsterdam. Daar, in de hoofdstad, zag hij zijn levenslange vrienden terug, schoof op maandagavond aan bij ‘de Herenclub’ waarvan Harry Mulisch primus inter pares was en waarin Gerrit Komrij, Adriaan van Dis zaten, politicus Hans van Mierlo, componist Reinbert de Leeuw en kunstenaar Jeroen Henneman zaten.
In Nederland werd lang, te lang gewacht voor men Nooteboom de eer betoonde die hem toekwam. ‘Om succes te hebben moet je een vader hebben en gereformeerd zijn’, schamperde hij in zijn dagboek De danser en de monnik. Hoe ver weg hij ook was, hij kwam nooit helemaal los van het neerbuigende oordeel van de critici uit zijn geboorteland. ‘Ik woon niet in Nederland, maar ik woon wel in de taal, het Nederlands.’
Al in de vorige eeuw werd zijn naam – overigens net als die van zijn vrienden Mulisch en Claus – genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur. Het regende eredoctoraten en prijzen in de wereld, waaronder de Europese Staatsprijs voor Literatuur. Pas in 2005 kende men hem in zijn vaderland de P.C. Hooftprijs toe en vier jaar later de Prijs der Nederlandse letteren. De Nobelprijs bleef boven zijn hoofd hangen als zwaard van Damocles.
Hoe ouder hij werd, hoe minder zorgen hij zich maakte over de dood. ‘It’s not my worry,’ zei Nooteboom vlak voor zijn 90ste verjaardag. Hij hield zich vast aan de laatste woorden van André Malraux, wiens graf hij met Simone bezocht: ‘Ik wist niet dat het zo gemakkelijk was.’ Schrijven beschouwde Nooteboom als ‘uitgesteld sterven’. Wat er na zijn dood van zijn werk zou overblijven, wist hij niet. ‘Wat blijft? Van de één een heel oeuvre, van de ander een verhaal. Met één regel poëzie zou ik al tevreden zijn.’
Welke dichtregel van Cees Nooteboom zal onsterfelijk zijn? Misschien wel deze, uit ‘Het getij’, die zijn rusteloze, virtuoze en versplinterde persoonlijkheid typeerde: ‘Ik had wel duizend levens / en nam er maar één!’
Over de auteur
Onno Blom schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant