Ik werd geboren met carnaval. Volgens de overlevering ontving mijn moeder nog op het kraambed de plaatselijke Prins en de Raad van Elf, die de eerste carnavalsbaby van het jaar vanzelfsprekend met eigen ogen wilden bewonderen. In vol ornaat kwamen ze, met hun hoeden met fazantenveren; bij de beschuit met muisjes dronken ze bier. Of hun pas bevallen dorpsgenote eigenlijk wel op de visite zat te wachten was onduidelijk. Ook het carnavalskind zelf was niets gevraagd.
Misschien verklaart die eerste ontmoeting met de carnavalstraditie (te vroeg en te overweldigend) waarom ik me de rest van mijn leven nooit helemaal aan het feest heb kunnen overgeven. Van de keren dat ik er toch aan meedeed – want ik heb het heus geprobeerd, het verkleden en de polonaises en het meelopen in de optocht – herinner ik me vooral veel ongemak. Ik ben te introvert voor zulke dingen, te stijf, te serieus; zelfs in een Minnie-Mousepakje ben ik serieus. Misschien júíst in een Minnie-Mousepakje.
Hoewel het bovengenoemde babytrauma en karakterologisch tekort me helaas dus beletten om echt te genieten van de feestpraktijk, heb ik op theoretische gronden wel degelijk sympathie voor de carnavalstraditie. Dat heeft te maken met de politieke aspecten van het feest. Want het lijkt misschien te draaien om puur plezier en heel veel drank, en die dingen horen er zeker bij, maar carnaval is van oudsher ook bij uitstek een gelegenheid voor maatschappelijk engagement. En dan eens even niet door een elite die zich beroepshalve al dag in dag uit loopt te engageren. In plaats daarvan is nu de beurt aan de gewone mensen – aan het ‘volk’ ja, om die spannende term maar eens te gebruiken.
Er is amateurcabaret, de ‘buut’ in het Limburgs, met grappen over de actualiteit en lokale politiek. In carnavalsliedjes wordt de draak gestoken met zaken die we van de heersende macht vooral Heel Erg Ernstig moeten nemen: de Brabantse carnavalsartiest Lamme Frans bezingt in een recent nummertje zijn „vierentwintigdelig noodpakket”, zijnde een krat bier. In optochten komen zelfgebouwde carnavalswagens voorbij in het teken van sociale kwesties die mensen bezighouden, soms met karikaturen van politici: in het jaar na de Russische inval in Oekraïne reden door heel Europa wagens mee met spotbeelden van Poetin.
Maar misschien nog wel belangrijker dan zulke expliciete satire is het machtsspel waar carnaval om draait. Allerlei geschreven en ongeschreven regels over hoe burgers zich dienen te gedragen gelden even niet. Ineens hoeven de kinderen niet naar school en de volwassenen niet naar werk; mensen dansen in dierenpakken door de straten. In veel gemeenten overhandigt de burgemeester aan Prins Carnaval voor de duur van het feest ‘de sleutel van de stad’, symboliserend dat er echt even een andere politieke orde geldt, waarin het volk het voor het zeggen heeft. Zet daar Koningsdag eens naast, dat andere ‘volksfeest’, waarop we als een stel dwazen geacht worden al koekhappend en zaklopend de verjaardag te vieren van een ongekozen staatshoofd, hoe suf is dat eigenlijk?
Je zou kunnen vragen wat die paar carnavalsdagen er nou helemaal toe doen, politiek gezien, als we die symbolische sleutel aan het eind van het feest toch weer terug moeten geven aan de bestuurlijke klasse en de rest van het jaar gewoon keurig in de pas lopen. In het boek The Dawn of Everything (2021) stellen antropoloog David Graeber en archeoloog David Wengrow dat het wel degelijk uitmaakt. Wat volksfeesten als carnaval zo belangrijk maakt, schrijven ze, is dat ze ons politiek zelfbewustzijn levend houden. Ze herinneren ons eraan dat er andere manieren zijn om de maatschappij in te richten dan de vorm die we kennen; dat bestaande hiërarchieën geen vanzelfsprekendheid zijn; dat het aan onszelf is om te bepalen hoe we samen willen leven.
Denk daar maar eens aan als je later deze week in je dierenpak de polonaise loopt. Of als je weer braaf achter je laptop op kantoor zit. Misschien juist dan.
Source: NRC