Pianomuziek Is het overprikkeling, het omarmen van kwetsbaarheid? De fluisterzachte klanken van eenvoudige thuispiano’s druppelen door in de klassieke muziek. Een zoektocht naar hoe de piano zich zachtjesaan van het podium naar de slaapkamer verplaatst – en waarom.
Geen peperdure Steinway maar een doodeenvoudige huis-tuin-en-keukenpiano. Het lijkt langzaam maar zeker voet aan de grond te krijgen in de klassieke muziek: de intieme, doffige klank van een zogeheten rechtopstaande piano. Een nieuwe generatie musici grijpt steeds vaker terug op het geluid van vroeger, de studeerkamer thuis, van oma’s oude piano.
Preludes van Skrjabin, of een sonate van Scarlatti? Werkt ook prima met het broze, tastbare geluid van een upright piano, zo laat het jonge talent Julius Asal zien. In 2024 zette hij ze op een album, zij aan zij met een versie die werd gespeeld op de gebruikelijke Steinway-vleugel. Zelfde album, zelfde stuk, ander instrument. De cijfers liegen er niet om: op Spotify zijn de upright-versies meer dan twintig keer zo vaak gestreamd.
En Asal is niet de enige. Ook de Duits-Japanse pianist Alice Sara Ott dook al eens de studio in met zowel een vleugel als een rechtopstaande piano, evenals de IJslandse ster Víkingur Ólafsson. Langzaam tekent zich een patroon af.
Een pianotrend om je groen en geel aan te ergeren, schreef ik eind november boven een albumrecensie. Het ging om Ólafssons nieuwste opname. Met klassiek kernrepertoire – Beethoven, Bach, Schubert – maar, zo vond ik, in een modern marketeerbaar klankjasje gehesen.
Op de bewuste cd bespeelt Ólafsson weliswaar een concertvleugel, maar hij is er onmiskenbaar beïnvloed door de klankwereld van de upright waarmee hij op eerdere albums experimenteerde. De noten klinken plokkerig, als regendruppeltjes op een glazen plaat. Microfoons dicht op de snaren: je hoort het tikken van de hamertjes, de aanslag, in een verder droge pianoklank. Nauwelijks merk je dat er nog een klankkast van 2 meter 74 vol zingende snaren vastzit aan de toetsen.
Er moest je duidelijk iets van het hart, zei iemand me in de wandelgangen, daags na die recensie. En dat klopte – maar waarom wond ik me er zo over op? Wat is er tegen op een verschuivende esthetiek, en hóu je het eigenlijk tegen? Tijd om die nieuwe pianoklank, én mijn eigen vooroordelen, eens tegen het licht te houden. Ik leg mijn oor te luister bij een paar kenners.
Interieur van een ‘upright piano’, een rechtopstaande piano.
„Nee, deze nieuwe trend had ik nooit kunnen voorspellen”, klinkt het door de telefoon. Ik heb pianotechnicus Michel Brandjes aan de lijn, de Amstelveense vleugelfluisteraar met wie alle meesterpianisten wereldwijd willen samenwerken – Ólafsson inbegrepen, ook op dat recente album. Met de precisie van een klokkenmaker kan Brandjes het mechaniek van een Steinway-vleugel afstellen op de wensen van elke pianist.
„Ik ben altijd op zoek naar de eigen essentie van iedere pianist”, vertelt hij. „Zij hebben een soort binnenoor, een eigen klankvoorstelling, een kleurenpalet waar ze dag en nacht aan schaven. Aan mij de taak om dat één-op-één, zo helder mogelijk, te vangen in hoe ik de vleugel voor ze klaarmaak.”
„Maar nu beweegt de markt misschien een andere kant op”, reflecteert Brandjes. „Je ziet dat pianisten verschillende opnames naast elkaar uitbrengen: eentje gespeeld op de vleugel, de ander op een rechtopstaande piano – vaak met een lap vilt tussen de hamers en de snaren. Zo’n moderator zorgt voor een heel ander geluid, alsof je naar Chopin luistert terwijl je met je oor op een satijnen kussen ligt.”
Wat Brandjes beschrijft gaat niet alleen over mechanische details, maar over hoe dicht je als luisteraar bij de muziek kunt komen. Waar een vleugel is gebouwd om zalen van tweeduizend mensen te vullen, leent de rechtopstaande piano zich voor een veel kleinere setting. Kortere snaren, minder volume, weinig uitklank.
Van oorsprong is een rechtopstaande piano in de klassieke wereld dan ook een instrument voor thuis, waarop je als kind de toetsen leert ontdekken. Wie serieus in muziek verder gaat, schaft een vleugel aan – de upright kom je hooguit nog tegen in een repetitiezaaltje op het conservatorium, of als vingeropwarmertje in de solistenkamer van kleine zalen, als er geen budget meer was voor een tweede vleugel.
Maar aan de randen van het klassieke genre is de thuispiano al jaren aan een ongekende opmars bezig. Rustgevende pianoklanken trekken miljoenen luisteraars op streamingplatforms: neoklassieke muziek, bij gebrek aan een betere term. Een van de pioniers in die beweging is de Amsterdamse pianist Joep Beving, die ruim tien jaar geleden zijn debuutalbum lanceerde. Gewoon op de oude, staande Schimmel-piano die hij van zijn grootmoeder erfde. Eenvoudig en dicht op het binnenwerk opgenomen, zelfs gedeeltelijk met zijn eigen telefoon.
Het sloeg in als een bom. Waar veel klassieke pianoalbums moeten schrapen om luisteraars – ondanks de high-end technieken, optimaal afgestelde vleugels, gepolijste opnameklank – oogst Beving honderden miljoenen streams op Spotify.
Ik bel met Beving, en vraag hem naar het succes van de upright piano. „Het biedt een zekere intimiteit”, zegt hij bedachtzaam. „Je haalt de grandeur eruit. Met zo’n rechtopstaande piano kunnen mensen zich gemakkelijker identificeren, zoiets staat thuis ook in de woonkamer. Luisteraars schuwen daardoor minder om zich eraan over te geven, het is laagdrempeliger. Het doet ook iets met de zender: je waant je minder op een podium.”
Juist in klassieke zalen wil die afstand tussen podium en publiek nog wel eens flink zijn, kan ik beamen. In de wandelgangen van het Concertgebouw wordt soms over meesterpianisten gesproken als waren het mythische wezens, die van de berg Olympus zelve neergedaald zijn. Vroeger was dat helemaal zo, zegt Michel Brandjes: „Mensen als Arthur Rubinstein, dat waren een soort aliens die eens in de zoveel tijd het Concertgebouw aandeden.”
Interieur van een vleugel.
Dat we met nieuwe consumptievormen van muziek ook zoeken naar een nieuwe klank, verbaast Brandjes niet: „Het is zo’n jachtige wereld geworden, zeker voor de jongere generatie. Voor hen speelt een derde van het leven zich af op de socials; daar bestaat alles uit klanken en geluid. Muziek luister je in je eigen huis, in je eigen bedje, met oortjes in. Heel anders dan zo’n alienachtige Rubinstein. Men zoekt naar intimiteit, de klank van zo’n moderator. Daar vinden ze misschien een soort rust of connectie in.”
Dat is geen rare gedachte. Er wordt veel gespeculeerd over de effecten van ASMR , of autonomous sensory meridian response – het kalmerende, en mogelijk stressverlagende effect van tikgeluidjes, gefluister of geknisper. Het internet staat er vol mee. En juist dat gedempte druppelgeluid van hamertjes in een upright piano past daar misschien wel naadloos in. Close-miked, ongepolijst, met soms wat geroezemoes op de achtergrond. In hoeverre speelt ASMR een rol in het succes van Joep Beving en andere (neo)klassieke pianisten?
„Grappig dat je daarover begint”, zegt Beving. „Het is niet iets waar ik bewust mee bezig ben, maar mijn muziek heeft zeker iets rustgevends, iets contemplatiefs. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat het met overprikkeling te maken heeft. Ik heb wel geprobeerd om woede te verklanken, maar dan stuitte ik op een soort weerwil bij mezelf. Alsof ik een gevoel verklankte dat er al wás, terwijl ik juist muziek wil maken waarmee ik daar vanaf kom.”
Ook Beving ziet hoe de lijn zich langzaamaan doortrekt richting de ‘harde kern’ van de klassieke muziek. Van dichtbij, want sinds 2017 heeft hij een contract bij het grote klassieke platenlabel Deutsche Grammophon, nadat executive producer Christian Badzura zijn muziek ontdekte in een Berlijnse bar. Badzura haalde ook klassieke pianisten als Vikingur Ólafsson en Julius Asal bij het label. Dat zij allebei al opnames uitbrachten met rechtopstaande piano’s is geen toeval.
„Christian heeft een upright in zijn thuisstudio”, vertelt Beving. „Daar nodigt hij ook klassieke pianisten uit om te experimenteren, zo van: zullen we dit stuk anders even proberen op de upright?”
Een gouden greep. Ólafsson heeft bijvoorbeeld vijftig miljoen streams op Spotify met een upright-pianobewerking van de Eerste cellosuite van Johann Sebastian Bach. De microfoon heeft pal naast de hamertjes gestaan; behalve de noten hoor je het zachte kloppen en kraken van het mechaniek.
„Ik vind dat zelf heel prettig om naar te luisteren”, zegt Beving. „Het is de hang naar imperfectie, naar kwetsbaarheid. Het raakt ook aan wabi-sabi, de Japanse esthetiek van het onvolmaakte. Het is een klank die naar binnen uitnodigt. Daarbij komt dat je de klank op een upright makkelijker kunt vormgeven. Door het pedaal of een moderator krijg je een zachter en warmer geluid. Ik hou van dat rijke kleurenpalet, de verschillende lagen waar je klankkleur in kunt aanbrengen.”
„En zo’n Bach-prelude is een klassiek stuk dat zich ook heel goed leent voor een upright, het heeft die grootsheid niet nodig. Als je bijvoorbeeld Liszt of Rachmaninoff wilt spelen dan houdt dat geen stand op een rechtopstaande piano. En andersom geredeneerd: veel van mijn stukken, zeker de muziek die ik in het begin schreef, gaan gewoon verloren op een vleugel. Je komt niet bij de luisteraar.”
„Mensen willen ergens dichtbij komen”, beaamt Michel Brandjes. „Dat vind ik een goede zaak. Je kunt Bach naar je kussen brengen en dwars door het verendons je oren laten binnenkomen. Tegenwoordig luistert toch bijna niemand meer op een hifi-instillatie.”
Brandjes vervolgt: „Deze ontwikkeling brengt me gek genoeg ook juist weer een beetje terug naar de jaren zestig. Als jongetje bij de koffergrammofoon, een naald zo dik als een splinter, met die ruisende oude Beethoven-opnames van Claudio Arrau. Dat kwam geweldig bij me binnen. Of ouder nog – Sofronitsky, Paderewski, Cortot. Ook daar had je een zachtere attack, omdat ze in die tijd al wel de lengte van de toon konden registreren, maar nog niet zo goed de aanslag van het hamertje.”
„In al die tientallen jaren dat ik werkzaam ben, zijn er altijd nieuwe ideeën geweest. In de jaren zeventig moesten de microfoons ineens heel dicht bij de snaren en de kammen van de vleugel. Later werd er juist weer uitgezoomd in de akoestiek, waardoor je elk facetje van de klank kon vangen in de ruimte. Wat je nu ziet is weer zo’n nieuwe ontwikkeling: het gaat niet meer om die hoogte maar om de diepte en het detail. De telescoop wordt ingeruild voor het vergrootglas.”
„Dat moeten we omarmen”, meent Brandjes. „Ontwikkeling is eigenlijk altijd goed. Niet door puriteinen laten neersabelen maar laten gebeuren en kijken waar het naartoe gaat.”
Ik kan me daar wel bij aansluiten. Muziek aanraakbaar maken, zeker klassiek, is geen overbodige luxe. En als dat stukken van Beethoven, Chopin of Skrjabin naar slaapkamers brengt waar nooit klassiek geklonken heeft – des te beter. Zijn daarmee mijn reserves over Ólafssons album verdwenen? Niet helemaal.
Luister eens naar het oneindige kleurenspectrum dat een klankmeester als Ivan Moravec aanbrengt in muziek van Debussy, of hoe gevoelig Arcadi Volodos gestalte geeft aan Brahms en Mompou. Zulke pianisten die een vleugel echt kunnen laten zíngen, dat blijft voor mij het hoogste wat er is. Maar in muziek is er nooit een eindpunt. Soms mag een piano zingen, en soms wil je dat-ie fluistert.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC