WODC-onderzoek De strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit schiet tekort. Regels genoeg, maar onvoldoende capaciteit om die te handhaven. „Het milieu doet geen aangifte.”
Een grote brand verwoestte in 2011 Chemie-Pack in Moerdijk. Omwonenden van het chemiebedrijf klaagden daarna over hun gezondheid.
Import van illegaal gekapt hout, handel in bedreigde diersoorten, chemische fabrieken die giftige stoffen uitstoten, illegale export van afval, lozingen in rivieren, gebruik van verboden pesticiden, mestfraude. Nederland heeft allerminst gebrek aan milieucriminaliteit.
Alleen de strafrechtelijke handhaving van milieucriminaliteit schiet tekort, zo blijkt woensdag uit onderzoek door de universiteiten in Leiden en Utrecht. Opdrachtgever was het WODC, een kennisinstituut dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid.
Het probleem zit niet in de juridische mogelijkheden om te straffen, concluderen de onderzoekers. Die zijn er „ruimschoots”. Het probleem is de praktijk: capaciteitstekort bij handhaving, trage procedures, versnipperd toezicht en te weinig samenwerking tussen instanties. Om milieucriminaliteit in te dammen, moeten deze praktische problemen worden aangepakt.
Nederland heeft een grote agrarische sector, met bijvoorbeeld veel bloembollentelers die (soms illegale) pesticiden gebruiken. Het speelt een belangrijke rol in de chemie, in de import van tropisch hout en de export van afval. „Je zou in Nederland meer rechtszaken verwachten rondom milieucriminaliteit dan er nu zijn”, zegt onderzoeker Marieke Kluin, universitair docent criminologie in Leiden.
De Nederlandse waterkwaliteit behoort al langer tot de slechtste van Europa. Deels komt dat door vies water uit buurlanden, maar ook door illegale lozingen en mestfraude in eigen land. Milieu-instituut RIVM riep dinsdag bedrijven nog op minder chemische stoffen te lozen die het drinkwater vervuilen. Van vijf chemische stoffen waren hogere concentraties gemeten in meren en rivieren dan toegestaan.
Milieucriminaliteit is niet eenvoudig om op te sporen. „Het milieu doet geen aangifte”, zegt Kluin. „Bij een inbraak is er duidelijke schade en een slachtoffer. Bij milieucriminaliteit is dat er vaak niet. Een giftige stof in een rivier die de leefomgeving ziek maakt, zie je vaak niet.”
Milieuovertredingen kunnen bovendien heel technisch zijn, en dat maakt bestrijding ook niet eenvoudig. Kluin: „Fabrieken hebben allerlei vergunningen, waarbij sommige lozingen wel zijn toegestaan en andere weer niet.”
Een praktische verklaring voor het niet of beperkt bestraffen van milieucriminaliteit is het versnipperde toezicht. Er zijn veel verschillende instanties bij betrokken. Denk aan omgevingsdiensten, milieuteams van regionale politie-eenheden, opsporingsdiensten van toezichthouders als voedsel- en warenautoriteit NVWA en de Inspectie Leefomgeving en Transport, het Openbaar Ministerie en de landelijke milieukamer.
„Stel: er zijn drugs gedumpt in een bosgebied en de boswachter komt erachter”, zegt Kluin, „wat doet dan de omgevingsdienst, en wat de politie? Of bij een brand bij een chemische fabriek? Wat doen daar omgevingsdiensten, wat doet de brandweer? Het kan heel complex zijn. Toezichthouders en handhavers krijgen vaak elk maar een deel van de puzzel te zien doordat hun bevoegdheden zijn versnipperd.”
De onderzoekers adviseren meer personeel in te zetten bij toezichthouders en die beter te laten samenwerken. „Contact zoeken met andere diensten gebeurt al wel vaak, maar informeel”, zegt Kluin. „Van: oh, ik ken iemand bij die toezichthouder, ik ga even bellen. In plaats van dat er gedurende het onderzoek veel onderlinge afstemming is.”
Wat ook niet helpt, schrijven de onderzoekers, is dat de inspecties vaak aangekondigd zijn. Kluin noemt het voorbeeld van Chemie-Pack in Moerdijk, waar buurtbewoners in 2011 door een enorme brand gezondheidsklachten kregen. Na de brand bleek dat controles bij Chemie-Pack steeds vooraf werden gemeld. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde dat controles en handhaving bij Chemie-Pack „te coulant en te traag” waren.
„Er zijn voordelen aan een aangekondigd bezoek”, zegt Kluin. „Zo krijgen instanties makkelijker mensen met de juiste expertise te spreken. Maar het geeft de ondernemer ook de kans strafbare feiten buiten beeld te laten.”
Uit het onderzoek voor het WODC blijkt dat er voldoende strafmogelijkheden zijn voor rechters. Na ernstige milieudelicten kan bijvoorbeeld een beroepsverbod volgen, of een gevangenisstraf. Ondernemingen kunnen bijvoorbeeld tijdelijk worden stilgelegd.
In de praktijk leidt opgespoorde milieucriminaliteit vaak tot een boete. „Maar die is bedoeld voor relatief kleine feiten”, zegt Kluin. „Wij adviseren beter gebruik te maken van de mogelijkheden die de wet biedt. Zoals het tijdelijk stilleggen van bedrijven, of mensen uit hun ambt te zetten. Bijvoorbeeld een mestfraudeur, die tijdelijk zijn beroep niet mag uitoefenen als boer. Dat is natuurlijk heel heftig, maar wel effectief. Want die persoon kan dan niet meer de wet overtreden.”
Dat er lage straffen worden uitgedeeld, heeft ook te maken met traagheid van procedures. Zo werden in 2022, na een omvangrijk en lang strafrechtelijk onderzoek, twee ondernemers veroordeeld voor import van illegaal teakhout uit Myanmar. Het hout ter waarde van miljoenen was bedoeld voor superjachten. Hoewel er gevangenisstraffen tot zes jaar staan voor het negeren van de Houtverordening, kregen de ondernemers alleen taakstraffen, mede omdat de zaak lang had voortgesleept.
Schadevergoedingsmaatregelen of herstelverplichtingen zijn ook een mogelijke straf, maar die worden vaak niet opgelegd. „Een rechter krijgt een zitting soms kort tevoren aangekondigd en heeft dan niet de meest actuele inzichten in de financiële positie van een bedrijf”, zegt Kluin. Ook boetes vallen hierdoor lager uit.
Volgens de onderzoekers vinden rechters het bovendien lastig schade aan de natuur in geld uit te drukken. Ze adviseren daar richtlijnen voor te ontwikkelen. „De schade is bij milieudelicten niet altijd inzichtelijk”, zegt Kluin. „Denk aan f-gassen, schadelijk voor de ozonlaag, die vrij kunnen komen door slechte installatie of onderhoud van warmtepompen en airconditioning. De schade is vaak niet precies duidelijk en zichtbaar.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC