Met de fototentoonstelling Fake! toont het Rijksmuseum dat het bewerken van beelden van alle tijden is – al sinds het prille begin van de fotografie werd er volop mee geëxperimenteerd. Veel context wordt er niet gegeven, maar wel net genoeg.
is schrijver en kunstjournalist
Vrijblijvend advies aan alle veertigplussers die de fototentoonstelling Fake! in het Rijksmuseum in Amsterdam gaan bezoeken: neem een loep mee. Met een loep kun je tenminste zien dat de vrouw die op een begin 20ste-eeuwse ansichtkaart in de lucht boven Hamburg zweeft, samen met haar man en een paraplu, ook nog drie baby’s vervoert.
Hun ieniemieniebovenlijfjes steken uit een rieten koffer die de vrouw met één hand vasthoudt. Met haar andere hand houdt ze de arm vast van haar man, die weer de paraplu vastheeft. Nogal logisch. Deed ze dat niet, dan zou ze met kinderen en al naar beneden vallen – duh.
Ja, en dat is dus meteen het tweede advies (voor alle bezoekers): even je scepsis thuislaten. Op deze tentoonstelling kan alles. Hier zweven mensen à la Mary Poppins door de lucht, snijdt een man het hoofd af van een andere man zonder dat er bloed bij komt kijken, vervoert iemand zijn eigen hoofd in een kruiwagen en vermomt Adolf Hitler zich als zijn rivaal Karl Marx om de arbeiders voor zich te winnen.
Fake!, over vroege fotocollages en -montages uit de collectie van het Rijksmuseum, is een bescheiden tentoonstelling: twee zalen met vijftig artefacten, variërend van ansichtkaarten tot posters en van boekenleggers tot autonome kunstwerken uit de periode 1860-1940. Maar de wereld die zich hier in kort bestek openbaart, is bepaald grenzeloos te noemen.
Een verwijzing naar de huidige tijd, waarin het gebruik van AI ook onbeperkte mogelijkheden oplevert, is natuurlijk snel gemaakt. Maar die link wordt (afgezien van de eigentijdse titel) nergens in de tentoonstelling gelegd. De voorbeelden in de fotogalerij beperken zich tot die vroege periode in de fotografiegeschiedenis en precies daarin zit de kracht.
Het naar believen transformeren van beeld door middel van slim knippen en plakken is niet in deze tijd begonnen en ook niet in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen de applicatie Photoshop werd uitgevonden – het hoorde vanaf het begin bij de fotografie, het is altijd gedaan. De lijntjes met het heden mag de bezoeker van het Rijksmuseum zelf trekken, wat prettig niet-hijgerig is.
De tentoonstelling is het gevolg van een schenking uit de collectie van de Amsterdamse fotografieverzamelaar Henri van der Tol, vertelt conservator en samensteller Hans Rooseboom, bestaande uit twee familiealbums uit het einde van de 19de eeuw. Die albums bevatten grappige fotomontages en trucages, zoals een beeld van een man die zijn eigen hoofd in een kruiwagen voortduwt terwijl dat hoofd een sigaar rookt, en ook mooie combinaties van foto’s en bloementekeningen uit 1860.
De schenking van deze albums, anderhalf jaar geleden, maakte de deelcollectie fotocollages en -montages zodanig af dat het museum ermee naar buiten wilde treden, en ook voorzichtige conclusies over het hoe en waarom van zulke collages en montages wilde trekken.
Met de nadruk op voorzichtige. De fotoafdeling van het Rijksmuseum verzamelt – vanwege beperkte financiële middelen, maar inmiddels ook omdat het een bijzonder handelsmerk is geworden – veelal anonieme gebruiksfotografie, wat ze in het Engels zo mooi ‘vernacular photography’ noemen. Dat behelst grof gezegd ongeveer alles wat géén dure en autonome kunstfotografie is: alledaagse snapshots, reclame- en tijdschriftenfoto’s, forensische, wetenschappelijke en persoonlijke foto’s; afbeeldingen met een andere context dan die je doorgaans in galeries en kunstmusea vindt. Door dit soort beelden te verzamelen, kun je je als museum richten op een ander soort verhaal: de ontstaansgeschiedenis van de fotografie, en de verschillende vormen die het medium vanaf het begin heeft gehad.
Dat zag je bijvoorbeeld goed in de grote fototentoonstelling over Amerikaanse fotografie die het Rijksmuseum een jaar geleden organiseerde. Daar hing zeker werk van een paar grote namen, zoals Richard Avedon, Margaret Bourke-White en Robert Frank, maar het grootste deel bestond juist niet uit kunstfotografie: veelal anonieme afbeeldingen die via reclames, brochures, platenhoezen en gebruiksvoorwerpen werden verspreid en zo een ander verhaal vertelden, minder gericht op de inmiddels gevoeglijk bekende high art.
Om zo’n alternatief verhaal te vertellen, heb je als verzamelende conservator de vereiste kennis, een goed ontwikkelde neus én een dosis lef nodig. Historische informatie over deze fotografie is vaak schaars, daar kun je dus niet zomaar op terugvallen. Ineens ben jij de autoriteit die beweert dat dit belangrijk is.
En nu, door de schenking van de twee familiealbums, was het volgens het Rijksmuseum dus tijd voor een tentoonstelling over vroege fotocollages en -montages. De twee expositiezalen zijn verdeeld in negen hoofdstukjes, zoals ‘reclame’, ‘propaganda’ en ‘zwevende mensen’. De twee familiealbums liggen opengeslagen in een vitrine, en aan de muren hangen foto’s uit de pioniersfase van het knip- en plakwerk, toen men erop los experimenteerde: de vroegste wortels van iets wat tegenwoordig alomtegenwoordig is.
Waar de betekenis van een beeld of de herkomst ervan niet (helemaal) bekend is, wordt dat gewoon in de bijbehorende tekst vermeld. ‘Soms is het lastig om een afbeelding van een historische gebeurtenis te begrijpen’, vermeldt het bordje naast een Belgische poster uit 1908 met daarop de politieke kopstukken van een regionale verkiezing in Mechelen. Dertien ‘gebuisde Geuzenkandidaten’, elk vertegenwoordigd met een portretje, hebben bij wijze van hoed een stuk van een buiskachel op hun hoofd gekregen. Behalve de man rechtsonder, want die kreeg een omgekeerde kinderstoel, en de man linksboven: die kreeg een emmer. Wat moet dit voorstellen?
‘Gebuisd’ betekent ‘gezakt’ in het Vlaams. Rooseboom kon vooralsnog niet veel vinden over deze specifieke verkiezingen, maar vindt het aannemelijk dat deze kandidaten verloren hebben. Waarschijnlijk knipte de postermaker daarom stukjes buiskachel uit en plakte die op de fotoportretten, bij wijze van spot. Het is niet veel historische context, maar wel net genoeg.
Dat geldt in zekere mate ook voor het politiek geëngageerde – om niet te zeggen activistische – werk van John Heartfield (pseudoniem van Helmut Herzfeld, 1891-1968), een van de weinige grotere namen op de tentoonstelling, bekend van zijn nadrukkelijk antinazistische propaganda.
Voor de cover van het tijdschrift Arbeiter-Illustrierte-Zeitung maakte de Duitse Heartfield in 1934 een fotomontage waarop Joseph Goebbels, propagandaminister van nazi-Duitsland, Adolf Hitler vermomt als Karl Marx, zodat Hitler de arbeiders kan paaien. Op een andere cover, ook een fotomontage, is te zien hoe Hitler samen met twee anderen een graf graaft voor Marinus van der Lubbe, de man die is veroordeeld voor het in brand steken van het Duitse parlementsgebouw in 1933.
Daar is meer over bekend, maar je hebt zo veel extra gegevens nodig om deze werken volledig te kunnen begrijpen dat je gerust een halve tentoonstelling om ze heen zou kunnen bouwen. Hier zijn ze dus vooral te zien als politieke voorbeelden van vroege (en heel knap uitgevoerde) fotomontages; uitzonderingen op de tentoonstelling, want het overgrote deel van de ‘nepbeelden’ aan de muur heeft helemaal niet zo’n ernstige ondertoon, maar is juist bedoeld ter onschuldig vermaak.
Het zwevende gezin met de drie baby’s, de man met de kruiwagen, maar ook Amerikaanse ansichtkaarten met daarop overdreven grote dieren en gewassen (joekels van maiskolven, appels als skippyballen) die moeten aantonen hoe ontzettend vruchtbaar Nebraska wel niet was – het is meteen duidelijk dat ze niet echt zijn, en dat is niet erg. Sterker: het plezier dat de makers gehad moeten hebben spat ervan af, net als hun vakmanschap.
Prachtig en ontroerend voorbeeld is een eind 19de-eeuwse ‘carte de visite’ uit Duitsland, een klein formaat foto op een kartonnetje, bedoeld om uit te delen en, met een beetje goede wil, te beschouwen als een van de vroegste vormen van sociale media. Haal die loep maar weer tevoorschijn, hoor. Dan is goed te zien hoe een jonge vrouw aan een spinnewiel dagdroomt van een kind (haar echtgenoot, of degene op wie ze een oogje heeft, staat achter haar). De droom, die als een zwevende wolk vernuftig in het tafereeltje is gemonteerd, toont een moeder, zijzelf, en een kindje, spelend met een rammelaar.
Zelfs bij zwaardere onderwerpen, zoals een botsing tussen een auto en een stoomwals, gemaakt door Alfred Stanley Johnson Jr., is het niet aannemelijk dat mensen destijds dachten dat dit afbeeldingen van de werkelijkheid waren. Op het betreffende beeld vliegen de mensen als volleerde circusartiesten en op weinig bloederige wijze door de lucht.
Het waarheidsgehalte was minder belangrijk dan de manier waarop je dit soort afbeeldingen kon maken. Niet voor niets toont Fake! in de vitrine ook gidsjes met handleidingen voor de (amateur)fotograaf, waarin uitgebreid staat beschreven wat de stappen zijn voor het maken van, bijvoorbeeld, geslaagde foto’s met meervoudige belichting, of negatiefdrukken.
Hoe anders is dat nu. Digitaal geknipte en geplakte beelden behoren voor het overgrote deel tot de wereld van de beeldende kunst (oké, en tot de propagandistische trukendoos van de FvD). Dáár mag het. Bij grote internationale prijzen zoals World Press Photo is het manipuleren van foto’s absoluut verboden: elke pixel moet te verantwoorden zijn. De reglementen staan uitgebreid beschreven in een lijst op de website, je zou het bijna als de hedendaagse tegenhanger van die 19de-eeuwse aanmoedigingsgidsjes kunnen zien.
Het Rijksmuseum doet daar verder geen uitspraken over. Het museum laat gewoon zien dat het bewerken van beelden van alle tijden is, en dat de fotografie zich daar vanaf het prille begin bij uitstek voor heeft geleend. Ook weleens lekker. Mijmer dus vooral nog eens weg bij die vliegende familie boven Hamburg, met die eigenwijze babyhoofdjes die uit de rieten koffer steken. Alles kan – kon dat in het echte leven maar.
Fotografie
★★★★☆
Rijksmuseum, Amsterdam, t/m 25/5.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant