De geslaagde transformatie van het monumentale pakhuis Santos in Rotterdam tot het Nederlands Fotomuseum is het resultaat van vakmanschap én een vleug geluk.
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Wat maakt een goede foto? Compositie, belichting en een grondige voorbereiding spelen een rol, maar timing en geluk creëren vaak het unieke moment dat de fotograaf vastlegt. Bij de totstandkoming van het nieuwe onderkomen van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, gevestigd in het verbouwde pakhuis Santos in het voormalige havengebied Katendrecht, is iets soortgelijks gebeurd. Architectonisch vakmanschap kenmerkt deze renovatie, waarbij ook sprake was van een vleug geluk.
Het museum is al van verre herkenbaar aan de goudkleurige dakopbouw die het architectenteam van Renner Hainke Wirth Zirn en WDJArchitecten als een kroon op het bakstenen pand uit 1902 plaatste. Een nieuw icoon, dat kan wedijveren met de zilveren ‘tornado’ van het verderop gelegen Museum Fenix voor kunst over migratie.
Binnen zaagden de ontwerpers uit de vloeren een metershoge vide, waarin oud en nieuw spectaculair samenkomen; langs gietijzeren kolommen en houten vloerbalken kijk je tot aan het gouden dak. Vanaf een houten tribune voert een trappartij omhoog langs de expositiezalen en archiefruimtes, waar meer dan 6,5 miljoen objecten worden bewaard.
Zaterdag 7 februari opende het Nederlands Fotomuseum zijn deuren, die toegang geven tot een publiek binnenplein met koffiebar, de museumbibliotheek en -winkel, en zicht op het imposante interieur. Dat was in eerste instantie ontworpen voor het Duitse designwarenhuis Stilwerk, dat het pakhuis - na decennia van leegstand – vanaf 2016 herontwikkelde.
De bedoeling was om het in te richten als winkel, met een foodcourt op de begane grond en op de bovenste verdieping een restaurant en coworkingspace, via een gouden wenteltrap verbonden met de zestien hotelkamers in de dakopbouw. Maar kort voordat verbouwing klaar was, besloot Stilwerk om zich toch niet in Rotterdam te vestigen.
Zo ontstond een prachtkans voor het Nederlands Fotomuseum, dat even verderop een ruimte huurde en op zoek was naar een groter pand. Het voormalige koffiepakhuis bleek een perfecte match, met zijn royale ontvangstruimte en grote open vloeren voor tentoonstellingen. De werkplekken konden worden ingericht als kantoor, de kamers in de dakopbouw verhuurd als shortstay-appartementen, voor extra inkomsten. Maar wat vooral ook aantrekt, is de unieke sfeer die het rafelige beton en de houten luiken - met 125 jaar aan gebruikssporen – ademen.
Met steun van de filantropische stichting Droom en Daad heeft het museum het pakhuis in 2023 gekocht. De betrokken architectenbureaus kregen opdracht om het geschikt te maken voor de nieuwe functie, waarbij de uitdaging zat in het inpassen van de archiefruimtes op de tweede en derde verdieping.
Feitelijk zijn het enorme koelcellen, waarin de temperatuur varieert tussen 4, 12 en 19 graden, en de luchtvochtigheid precies wordt gecontroleerd. Deze doos-in-doosconstructies zijn omkleed met textieldoek waarop foto’s uit de collectie zijn afgedrukt. In glazen vitrines worden objecten uit het archief getoond. Door grote ramen kijk je in de restauratieateliers en de depots.
Op basis van historisch kleuronderzoek hebben de ontwerpers de menierode kolommen en donkergroene luiken hersteld, terwijl de nieuwe balies en kasten hedendaagse pasteltinten kregen. De klimaatinstallaties zijn bijna overal weggewerkt tussen de houten vloerbalken.
Door de vide per verdieping van west naar oost iets te laten verspringen, is een spannende doorkijk gecreëerd. Geraffineerd zijn ook de variaties in de patronen van het geperforeerde aluminium waarmee de dakopbouw is bekleed; daardoor is de lichtval en het beeld steeds weer anders.
Het restaurant, eindpunt van de klim naar boven, oogt vergeleken met het museum nogal schraal: het plafond hangt vol met ventilatiebuizen en tl-verlichting. Het moet nog ingericht worden. Gelukkig is er het uitzicht vanaf het rondom doorlopende dakterras, waaraan – daar waar ooit de ‘hijshuisjes’ stonden – vier glazen balkons zijn gemaakt. Wie geen hoogtevrees heeft, schiet hier gegarandeerd een fijne foto.
Een van ’s lands eerste pakhuizen
Pakhuis Santos werd in 1902 gebouwd voor de opslag van koffie en specerijen uit Brazilië; de naam komt van de stad Santos, nabij São Paulo. Het was een van de eerste pakhuizen die in Nederland verrees. Architecten Kanters en Stok ontwierpen een bijzonder bouwwerk met rijk gedecoreerde baksteengevels en op het dak vier elegante lierhuisjes en boogvormige gevelreclame.
Ook de constructie was vernieuwend: de begane grondvloer was een van de eerste toepassingen van gewapend beton. Kenmerkend zijn verder de gietijzeren balken en kolommen, die – de vereiste draagkracht volgend - naar boven toe steeds slanker worden.
In de loop der jaren werd een inpandige lift geplaatst en verdwenen de lierhuisjes en gevelreclame. Met het verplaatsen van de havens raakte het pakhuis in onbruik. Dat het gebouw – een rijksmonument - niet eerder is herontwikkeld als wooncomplex, heeft te maken met de grote diepte, waardoor weinig daglicht binnenvalt.
Architectuur
★★★★☆
Ontwerp: architectenteam Renner Hainke Wirth Zirn Architekten (Hamburg) en WDJArchitecten (Rotterdam)
Wanden en vitrines depot: Bureau Caspar Conijn
Opdrachtgever: Nederlands Fotomuseum
Adres: Brede Hilledijk 95, Rotterdam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant