Hoe verzet je je als individu tegen het kwaad? Nina Polak zoekt het antwoord bij filosofen, schrijvers en iemand die vrijwillig in een camper woont. Wat blijkt? Alleen al in contemplatie zit verzet.
Toen een meerderheid van de Tweede Kamer vorig jaar instemde met een door Donald Trump geïnspireerde motie om ‘antifa’ als terroristische organisatie aan te merken, viel in progressieve kringen een opmerkelijk sentiment te ontwaren.
Antidemocratisch, klonk het natuurlijk. Zoiets is helemaal niet aan de Kamer om te bepalen. Antifa ís niet eens een organisatie.
Was het maar zo’n feest, hoorde ik in de toon. Konden we ons maar vol overgave aansluiten bij een beweging die structureel de ontmenselijking bevecht die overal op de loer ligt.
‘Wat zou het geweldig zijn als we op zondagochtend naar een linkse kerk konden gaan’, sprak kunstenaar Jonas Staal een paar dagen na de motie tijdens zijn kunstevenement Anti-Fascist Church. Een gemeend grapje.
‘Laat de stille meerderheid antifa zijn’, bad columnist Asha ten Broeke, implicerend dat er meer nodig is dan alleen dat linkse puntje van het electoraat om de normalisering van extreemrechts tegen te gaan.
Een kwart miljoen mensen verbraken eerder die maand de stilte bij de grootste demonstratie in Nederland in twintig jaar, tegen het genocidale geweld in Gaza.
Nu is het moment om je poot stijf te houden, is de teneur. Waartegen precies? Fascisme, zeggen politicologen onomwonden. Dit is het. We zien het in de lachspiegel aan de andere kant van de oceaan, maar we vergissen ons als we denken dat het hier zo’n vaart niet loopt. ‘Je bent óf een antifascist óf een fascist’, porde Sander Schimmelpenninck, tot woede van keurige VVD’ers (die blijkbaar hopen op een derde categorie?).
Antifa, dat zijn jij en ik, kortom. Dat betekent bijvoorbeeld, aldus Schimmelpenninck, dat je eigenhandig met een emmer sop de haatleuzen en hakenkruizen op het bushokje in de buurt te lijf gaat. Het betekent dapper de straat op bij een volgend Rode Lijn-protest.
Wat betekent het nog meer, buiten zulk soort heroïek om? Als antifa geen collectief is, waar vinden wij, individualistische antifascisten, dan het alledaagse verzet? Hoe maak je de geest rijp om burgerlijk tegenwicht te bieden? En hoe juist niet?
Ik ben er klaar voor, ik heb de mouwen opgerold, maar ik zit nog even op de bank en kijk op de publieke omroep naar een datingprogramma voor mensen die vrijwillig in campers wonen. In hun realiteit is Europa niet een continent op de rand van oorlog, maar een grote, zonnige achtertuin, met steeds weer een ander uitzicht bij het ontbijt. Home is where you park it.
Gewoonlijk zijn mensen in datingprogramma’s op zoek naar iemand om mee op de bank te zitten. Niet deze avonturiers. Zij zoeken juist een partner om dat bekrompen burgermansbestaan mee te ontvluchten. Verzet!
De vanlifer (levend in een van, bus) is inmiddels zijn eigen karikatuur: actief, autonoom, minimalistisch, houdt van surfen en yoga, koestert vanachter de laptop minstens enige minachting voor het makke kantoorschaap dat dagelijks in de file parkeert in plaats van op een klif.
Er zitten veel zelfverklaarde gevoelsmensen bij. Joris van 45, bijvoorbeeld, die bij elke vraag die hem wordt gesteld zijn ogen sluit en diep inademt voordat hij het antwoord doorgeeft van het orakel, zijn onderbuik: ik heb even bij mezelf ingecheckt, en ik voel dat ik er nog niet klaar voor ben om je het zout aan te geven. (Ik overdrijf, maar niet eens heel erg.)
Verschillende vrouwelijke lifecoaches, energetische healers en tantradocenten tekenen voor een leven met zo’n man. Ze zoeken hem op en slapen bij hem in de camper.
Ik weet niets over het politieke leven van Joris; vanlifers lijken niet te praten over politiek. Maar laat ik er voor het gemak van uitgaan dat ook hij, met zijn liefde voor vrijheid, verbinding, zachtheid en natuur, antifa is.
Het verzet van Joris behelst, als ik zo vrij mag zijn, terugtrekking. Terug naar eenvoud, terug naar rust en het gevoel. Klinkt als een heilzame route, maar hij en andere vanlifers nemen afslagen die van die terugtrekking eenrichtingsverkeer maken. Weg van ratio, weg van complicaties, weg van die hectische zooi die samenleven is.
Wie geeft het goede voorbeeld? Het ligt voor de hand om naar de geschiedenis te kijken, haar catastrofes, haar helden.
Wie vandaag het kwaad ter sprake brengt, ontkomt nauwelijks aan het genrecliché Hannah Arendt (1906–1975), de Duits-Amerikaanse politiek filosoof die zich boog over de oorsprong van totalitarisme en de banaliteit van het kwaad, concluderend dat daders niet per se monsters zijn maar mensen, met menselijke verlangens, die verkeerde afslagen nemen. Of liever: nalaten de goede te nemen. Nalaten om na te denken.
Arendts werk beleeft heruitgave na heruitgave, ze is alomtegenwoordig. Ook in Vrouwen in duistere tijden, het nieuwe boek van de schrijver en filosoof Alicja Gescinska (1981), wordt ze aangehaald. Net als Arendts Men in Dark Times (1968) bestaat het uit portretten van individuen die zwarte perioden hebben verlicht. Bij Gescinska zijn het tien vrouwelijke schrijvers en intellectuelen die het totalitarisme van de 20ste eeuw het hoofd boden met hun doen en denken, want ‘nadenken over vrijheid is niet zelden even moeilijk als ervoor vechten’.
Gescinska, die in 1988 met haar ouders uit communistisch Polen naar België vluchtte, ziet zichzelf onontkoombaar als een kind van de 20ste eeuw, dat bloedige tijdperk, dat ‘leert dat de mens zich voortdurend in een krachtveld bevindt van dingen die hem kunnen vermenselijken en verontmenselijking. Die hem kunnen beknotten en kunnen bevrijden’.
‘Wir wissen es’, zo omschrijft ze de situatie van de hedendaagse geïnformeerde burger. ‘Hoe moeten wij ons daartoe verhouden: zowel tot het leed in de wereld als tot ons besef van dat leed? Hoe moeten wij onze eigen levens voortzetten, terwijl de levens van zovele anderen gestolen worden?’
Het antwoord is voor alle voorbeelden van Gescinska anders. Er zitten fanatieke communisten bij, zoals Rosa Luxemburg, maar ook adellijke dichters, zoals Anna Achmatova. Politieke beesten, maar ook mystici in kloosters. Ze spreken elkaar (en niet zelden zichzelf) tegen, maar er zijn overeenkomsten in wat deze mensen in het geweer roepen tegen de ontmenselijking.
De meesten van hen stonden geweldloosheid voor, hechtten bovengemiddeld veel waarde aan kunst, literatuur en vriendschap en spanden zich in om empathie te cultiveren. Maar wat steeds terugkomt is de plicht tot denken. De kwalijkste eigenschap van Adolf Eichmann was volgens Arendt zijn gedachteloosheid. Niet zozeer domheid, maar het ontbreken van morele zelfreflectie, van het denkproces als innerlijke dialoog.
Denken is een morele noodzaak, ziet Gescinska in het werk van haar inspiratiebronnen. Er schuilt groot gevaar in de burger die de verantwoordelijkheid voor zijn eigen denken afstaat aan de staat of partij, meende Arendt.
Dat is ook de reden dat de Franse filosoof Simone Weil (1909-1943) – ook al zo’n usual suspect, de laatste tijd – de partijpolitiek verafschuwde. Die wekt vooral hartstochten op en weerhoudt het individu ervan om na te denken over het algemeen belang. Een gedachteloosheid waaraan de mens zich maar al te graag onderwerpt: ‘Er is niets comfortabeler dan niet hoeven denken,’ aldus Weil.
Ook empathie, waarvan je zou kunnen vermoeden dat het een gevoelskwestie is, blijkt hier nadrukkelijk een cognitieve vaardigheid. Aan de hand van filosoof en kloosterzuster Edith Stein (1891-1942) duidt Gescinska het als de daden waarmee we de ervaring van anderen kunnen begrijpen.
Het is niet voelen wat de ander voelt, geen eenheid met de ander, maar vormt juist de verbinding tussen individuen. Empathie is een morele competentie, volgens Stein, waarin je je kunt bekwamen door onderwijs.
Het is een veeleisende opdracht, schrijft Gescinska, die op ieders schouders rust, en die ‘een dialogische openheid naar de ander vergt, evenals de wil tot zelfonderzoek en de bereidheid tot zelftwijfel’.
Met de wil tot zelfonderzoek zit het wel goed bij Joris, in zijn camper. Voor elke maaltijd neemt hij een momentje stilte om bij zichzelf in te checken. Echt reizen, staat op de website van de retreats die hij organiseert, doe je in jezelf. De ontdekking van jouw essentie begint hier, staat er. ‘Sluit je aan bij onze gemeenschap van innerworld travelers.’
Leren vertrouwen op je ‘innerlijke wijsheid’, dat is een van de doelen.
Aan de bereidheid tot zelftwijfel twijfel ik dan ook een beetje. De innerlijke wijsheid, de essentie: aan het orakel in je onderbuik hoeft blijkbaar niet te worden getwijfeld.
‘Mijn gevoel liegt niet’, zegt een andere vanlifer, Henno, die net als Joris uren doorbrengt op een meditatiekussen om te polsen wat zijn gevoel hem vertelt. Dat is niet wéten, zegt hij, dat is vóélen. Een onderscheid om op te promoveren in de epistemologie, op zich, maar voor Henno totaal vanzelfsprekend; innerlijke dialoog is ruis, je hoeft slechts naar je essentie te luisteren.
Ook een van zijn liefdeslogees mag dan wel energetisch coach zijn, ze zit nog wel heel erg in haar koppie, oordeelt Henno. Daar ga je de essentie niet aantreffen, meid, is de implicatie. Voelen, voelen, niet denken.
Dat er verzet kan zitten in contemplatie is een terugkerend thema bij Gescinska. Simone Weil, bijvoorbeeld, staat behalve als filosoof en activist ook als mysticus bekend. Haar beroemde idee van aandacht als gebed behelst een morele praktijk van openstaan, leeg worden en volledig aanwezig zijn voor de realiteit, in al haar gruwelijkheid.
Het heeft wel wat weg van meditatie: een actief wachten, een verzet dat paradoxaal genoeg bestaat uit intentionele passiviteit. Iets waarvoor je alleen moet zijn, want in een groep kun je je gedachten niet vrijelijk richten op wat nodig is. Aandacht is bovendien uiterst zeldzaam, zag Weil ook een eeuw geleden al.
Het werk van de radicale, ietwat masochistische mysticus, die al op 34-jarige ten onder ging omdat ze het lijden van de wereld volledig naar binnen haalde, krijgt al jaren veel aandacht van schrijvers en intellectuelen die verzet en spiritualiteit met elkaar proberen te rijmen.
Zonder haar naam erin aan te treffen bespeur ik de geest van Weil ook in de onlangs verschenen derde roman van de Amerikaanse schrijver en criticus Brandon Taylor (1989), die voor zijn debuut genomineerd werd voor de Booker Prize.
Zijn nieuwste, Minor Black Figures – helaas nog niet vertaald in het Nederlands – begint in New York, in een sfeer van protest. ‘That summer, they threw bombs, and made signs for peace.’ In de parken en straten van Manhattan verzamelen zich activisten met spandoeken, borden en buttons met slogans ‘tegen fascisme, tegen het patriarchaat, tegen de pijplijn, tegen de voormalige rapist in chief, tegen verhongerende kinderen, tegen het verbieden van boeken, tegen transfobie’.
Tussen die demonstranten in staat de kunstenaar Wyeth, die opmerkt dat de cartooneske proporties van hun politieke expressies contrasteren met de volkomen humorloze uitdrukking op hun gezichten. Hij neemt foto’s van het protest, in de hoop dat er een schilderij in zit – geëngageerde kunst! – maar de scènes zijn te letterlijk, te obvious om kunst te kunnen zijn.
Wyeth wordt als zwarte kunstenaar volwassen in een tijd dat Black Lives Matter en alle daaropvolgende politieke onrust in de VS het haast verplicht maken om je daarmee als kunstenaar te engageren, zeker in de competitieve kunstwereld. En zelfs als je dat niet doet, ervaart hij, wordt alles wat je maakt in een politiek licht gezien, puur om je identiteit.
Het is een gevangenschap voor deze tobberige hoofdpersoon, die het liefst kleine schilderijtjes maakt, geïnspireerd op Scandinavische cinema.
Tegelijkertijd kan hij zich niet ontworstelen aan de verantwoordelijkheid die op hem drukt om zich te verhouden tot deze werkelijkheid. Hij móét erover nadenken en de roman geeft die innerlijke dialoog in detail weer.
Geconfronteerd met een groep hippe kunstenaars die commercieel succes oogsten met oppervlakkige schilderkunst die voor radicaal doorgaat, alleen omdat ze allemaal van kleur zijn, bespeurt Wyeth in zichzelf de verleiding om zijn identiteit en de onderdrukking van mensen van kleur in te zetten voor zijn eigen gewin. Gewetensvol als hij is, sabelt hij die neiging ook meteen weer neer.
Zij bevrijding én zijn verzet blijken onverwacht te zitten in een terugtrekking uit de emancipatoire dogma’s van de socialjusticebeweging.
Die openbaring komt – hoe pijnlijk, postkoloniaal ironisch – in de vorm van een witte priester. Dat wil zeggen, de ex-priester Keating, die hij ontmoet in een gaybar. De twee gaan met elkaar naar bed en gaan een dialoog aan die zich door de hete zomer weeft. De romance ontvouwt zich op een manier die aan Sally Rooney doet denken: nauwkeurig beschreven, met veel aandacht voor terloopse gesprekken en de kleine gevoeligheden die zich daarin openbaren.
Keating verschilt in ongeveer alles van Wyeth. Maar het opvallendst is zijn engagement met het leed van de wereld, dat veel minder dan bij Wyeth gemedieerd wordt door kunst en denken. Het blijkt een directe betrokkenheid: Wyeth heeft al talloze daklozen zien liggen en zich afgevraagd of hij iets voor ze kan betekenen, zich afgevraagd of hij ze moet schilderen, en of dat dat uitbuiting is, zich afgevraagd of hij wel écht naar ze kan kijken. (Je kunt ook te véél denken.)
Keating, daarentegen, stapt op de daklozen af, geeft ze een hand, het geld in zijn portemonnee en flesjes water.
Wanneer de geliefden het in een van hun ongemakkelijke gesprekken hebben over ‘grace’, wat de kern zou zijn van Keatings geloof – in het Nederlandse wellicht genade of barmhartigheid – komt de ongelovige Wyeth tot de voorzichtige conclusie dat het iets met zorg voor de ander te maken moet hebben. Aandacht opbrengen voor de waardigheid van andermans leven.
Wat hij leerde op het seminarie, legt Keating later uit, is om de geest stil te maken, zodat Gods stem beter hoorbaar wordt. Hoorbaar ‘boven het rumoer uit van ons eigen bewustzijn, van onze wensen en verlangens, de eisen en het tumult van de wereld.’ (Mijn vertaling.)
Dat doet denken aan Weils aandacht, die in haar mens- en wereldbeeld een ultieme gerichtheid op de ander inhoudt. ‘Decreatie’, zo noemde de mysticus de houding waarmee we ‘Gods voorbeeld volgen en de wereld ‘scheppen’: niet door onszelf, maar door de ander tot het doel van onze daden te maken,’ parafraseert Gescinska. ‘Zelfvervolmaking, door zelfverloochening.’
Verzet tegen onrecht, daagt het Wyeth, begint met waarachtige getuigenis, met oog voor anderen, ook en juist als die anderen zó anders zijn dat ze er in jouw ogen abjecte politieke ideeën op nahouden.
Keating blijkt aanwezig te zijn geweest bij hetzelfde protest waar Wyeth foto’s nam, dat overigens ook voor het recht op abortus was. ‘Om er getuige van te zijn’, zegt hij. In tegenstelling tot Wyeth is hij van mening dat abortus verkeerd is, ‘evil’ zelfs. Maar dat betekent niet, zegt hij, dat hij de demonstranten niet in de ogen kan kijken, en hun gevoelens, gedachten en overtuigingen kan wegen.
‘[It] doesn’t mean that I should sit in judgement of someone else.’
Zitten in oordeel. Dat is een vrij letterlijke omschrijving van de onredelijke hoeveelheid tijd die ik doorbreng met die mensen in hun campers. Het is gedachteloos, verdovend vermaak – het tegendeel van aandacht – om vanaf de bank ex-corporate hippies te bashen om hun platgewalste newageslogans.
Met enige goede wil is in de sjablonistische levensstijl van de vanlifer oprecht verzet te bespeuren tegen de dehumanisering van het moderne leven. Er zit een afkeer in van de massa, een hang naar vrijheid, een viering van het individu, waardering voor het simpele leven en de natuur, veel nadruk op zelfzorg en gezondheid, een sterke hang naar een spiritueel bestaan, naar zelfontplooiing en verbinding met iets goddelijks.
Maar de lijn is dun tussen heilzame terugtrekking en isolement, tussen zelfzorg en narcisme, tussen spiritualiteit en hedonistisch escapisme, tussen eenvoud en banaliteit. Hoe dun precies, dat is de materie van het onlangs vertaalde essay Intiem verzet (oorspronkelijk uit 2014) van de Catalaanse filosoof Josep Maria Esquirol.
Verzet, schrijft hij in zijn nogal cryptische, maar absorberende stijl, is ‘de kracht die we kunnen opbouwen tegenover de processen van desintegratie en ondermijning die in de wereld en onszelf werkzaam zijn’. Het is iets wat we elke dag doen en het is, anders dan protest, meestal ingetogen.
‘De onverzettelijke verzet zich tegen overheersing en de overwinning van het egoïsme, de heerschappij van de actualiteit en de blindheid van het lot, tegen holle retoriek, tegen het absurde, het kwaad en onrecht.’
Daarvoor is een zekere terugtrekking nodig, zo wordt duidelijk, het soort individualiteit dat het mogelijk maakt om je werkelijk tot een ander te verhouden. ‘In feite kan alleen degene die in staat is tot eenzaamheid écht in andermans gezelschap vertoeven.’
En om die nabijheid gaat het Esquirol. ‘De innerlijke dialoog die ik ben, de vriend, het bord op tafel, het huis…’ In zulke alledaagsheden, in de aandacht voor het tastbare en intieme, openbaart zich de zorg die verzet ook voor deze filosoof in wezen is.
Maar dat waardevolle dagelijkse bestaan, meent Esquirol, wordt tegenwoordig vaak als een tweederangsleven beschouwd, dat ontstegen of ontvlucht moet worden (in een camper) op zoek naar iets grootsers en authentiekers, whatever that may be.
De terugtrekking die Esquirol voorstaat mag ook niet betekenen dat we de politiek aan haar lot overlaten. ‘De opmars van zelfhulp houdt gelijke tred met de opmars van een steeds banaler wordende politiek’, schrijft hij, en je hoeft maar even in de volslagen apolitieke, voortdurende vakantiesfeer van de vanlifers te vertoeven om te voelen wat hij bedoelt.
Net als bij Weil en Arendt gaat tegenwicht kunnen bieden (aan totalitarisme, aan fascisme) ook bij deze filosoof uiteindelijk over de ontwikkeling van een sterke individualiteit. Dat deel is luid en duidelijk doorgekomen in de hedendaagse cultuur (ook al ziet die individualiteit er bij al die vanlifers hetzelfde uit). Maar dat die heilige eigenheid pas zin krijgt in dienst van anderen en in verzet tegen de dogma’s en de tirannie van de massa, raakt verloren in achteloze, afgezaagde beelden en slogans over het goede leven en selfcare die, in Henno’s terminologie, de essentie missen: niet ‘innerlijke wijsheid’, maar ethiek.
Terugtrekking, zoals filosofen en mystici die voorstaan, is geen doel op zich en geen afkeer van de samenleving, maar een voorwaarde voor volwassen burgerschap, en dus voor engagement, voor actie.
Aan het einde van de ‘liefdesreis’ heeft geen van de moderne kluizenaars een ander gevonden. Ze vervolgen hun tocht alleen, vrolijk, vrij en volledig in touch met hun innerlijke waarheid. Op het oog dan.
‘Je voelt je goed, zit lekker in je vel, maar er knaagt toch iets?’, lees ik op de site van Joris’ retreat. ‘Geef jezelf het mooiste cadeau met ons 3-daagse trainingsprogramma voor diepgaande transformatie.’
Maar misschien, meid, heb je dat mooiste cadeau gewoon al in handen. Alleen wanneer het knaagt, meende Weil, kun je er zeker van zijn dat je een geweten hebt.
Verzet begint ermee dat je het hoort knagen en niet wegrijdt.
Alicja Gescinska: Vrouwen in duistere tijden – Tien denkers van blijvende betekenis. De Bezige Bij: 432 pagina’s; € 29,99.
Brandon Taylor: Minor Black Figures. Riverhead Books; 400 pagina’s; € 24,99.
Josep Maria Esquirol: Intiem verzet – Naar een filosofie van nabijheid. Uit het Catalaans vertaald door Joris Vermeulen. Ten Have; 192 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant