Wie het over het schrijversechtpaar Ernest Hemingway en Martha Gellhorn heeft, belandt tegenwoordig snel in sjablonen: hij het toxische genie, zij zijn slachtoffer. Maar wie de heruitgaven van hun meesterwerken leest, weet dat het zo simpel niet was.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Een man zit in het café. Hij leest zijn post. Hij draagt een smotsige korte broek en een los shirt.
Dat smotsige zegt niks. Het is 1936, de bar heet Sloppy Joe’s en we bevinden ons op Key West – het kleine eilandje onder Florida, dat er ansichtwaardig uitziet. Hagelwitte stranden, et cetera. Voor rijk Amerika is het een geliefde buitenspeelplaats.
Dus de man heeft waarschijnlijk gevist. Een jaar of veertig, zou je hem schatten. Hij heeft goeie benen, brede schouders, bruin haar, een lichte frons en een snor om voor te salueren, zo serieus.
Vanuit zijn ooghoeken, of misschien via de spiegel achter de bar, ziet hij een jonge vrouw binnenkomen. Blond haar, korte broek. Ook goeie benen; goeie álles. En zij ziet hem. Ze loopt naar hem toe en introduceert zichzelf.
Een uur later zitten ze nog steeds te praten. Wat valt er veel te bespreken. Een familievriend van de man komt binnen en zegt dat ’s mans echtgenote vraagt of hij naar huis komt, voor het diner.
Nee, zegt de man, ik blijf hier. En hij kijkt nog eens naar de grote blauwe ogen van de jonge vrouw.
De man is Ernest Hemingway, de vrouw is Martha Gellhorn. En de rest, zoals je dan zegt, is geschiedenis.
Dit is natuurlijk precies het probleem wanneer je het over Hemingway hebt: het is geschiedenis. Het is overbekende, opgelepelde, uitgeserveerde, sensationeel verfilmde en veelvuldig gebiografeerde, geëconomiseerde geschiedenis.
Er zijn jaarlijkse lookalikewedstrijden. Talloze cafés wereldwijd, in Parijs, in Venetië, op Cuba en op Key West, claimen de status van Hemingways stamkroeg.
Inmiddels is het ook geproblematiseerde geschiedenis. Want Hemingway is in het culturele klimaat van vandaag vooral de alfaman die bij voorbaat als toxisch wordt geclassificeerd. We weten van zijn trits huwelijken die stukliepen omdat hij jongere modellen tegenkwam, of vond dat zijn vrouwen niet naar hem luisterden. We weten van zijn macholiefde voor boksen, voor vissen, voor stierenvechten, voor jagen op leeuwen en neushoorns – en we zuchten.
We schudden ons hoofd als we denken aan zijn minzame opmerkingen over de geslachtsdelen van vrienden, of aan het telegram dat hij aan Martha Gellhorn stuurde toen ze baanbrekende reportages schreef vanaf de frontlinies van de Tweede Wereldoorlog: ‘Ben je een oorlogscorrespondent of ben je mijn vrouw in mijn bed?’
In haar essayboek Monsters (2023), een van de sleutelteksten in het MeToodebat, voert Claire Dederer Hemingway op als het archetype van ‘het genie’. Dederer schrijft: ‘Een genie krijgt een vrijbrief.’ Omdat het publiek een schrijver of kunstenaar of filmmaker geniaal vindt, ‘krijgt die ‘speciale dispensatie’ om zich als monster te gedragen. Want hij (meestal is het een hij) ‘is niet zoals wij’, dus hoeft zich niet als ons te gedragen.
De giftige werking is dat we dus monsterlijk gedrag gelijk gaan stellen met genialiteit. Dat we gaan denken: een kunstenaar gedraagt zich als een lul, dus dan zal hij wel heel bijzonder zijn.
In het verlengde daarvan denken we ook: iedereen om hem heen zal een slachtoffer zijn. Dit laatste klinkt door in Alicja Gescinska’s recente Vrouwen in duistere tijden, waar ze een lang deel wijdt aan Gellhorn. Haar gestrande huwelijk met Hemingway, van 1940 tot 1945, fnuikte haar literaire roem, zegt Gescinska.
Maar daar, denk ik, valt meer over te zeggen.
En: het werkt niet altijd even goed om in archetypen en voorgestempelde man-vrouw-, dader-slachtoffersjablonen te denken als je het over individuen hebt.
In dat café handelde Hemingway zijn post af. De brieven die hij zijn redacteur schreef waren niet vrolijk.
Toen hij in de jaren twintig debuteerde, eerst met korte verhalen over zijn alter ego Nick Carter en daarna met zijn debuutroman En de zon gaat op, was dat als een meteoor in de letteren. Hij stripte zijn proza, hield alle emotie onder water, waardoor je het verdriet niet las maar wel voelde. Meteen was zijn stijl een nieuwe weg in de literatuur.
Die weg voelt trouwens nog steeds nieuw. Ook honderd jaar na verschijnen leest En de zon gaat op ongeëvenaard kraakhelder, razendsnel, hardop lachend grappig en toch volkomen melancholisch. De hoofdpersonen zijn veteranen van de Eerste Wereldoorlog, die drinken en feesten, om tal van redenen niet te veel over het leven willen nadenken en bang zijn voor liefde en verbinding. Ze leven in de jaren twintig van de vorige eeuw, maar je ziet ze net zo goed voor je in die van deze.
Het probleem was alleen, toen al, zijn imago. Hemingway was in 1936 beroemd. Niet beroemd zoals vandaag Jonathan Franzen beroemd is. Hij was beroemd zoals George Clooney beroemd is. Hij kon in New York en Parijs niet over straat zonder aangeklampt te worden.
En dat zat hem in de weg, schreef hij zijn redacteur. De bladen schreven over zijn ervaringen als ambulancebroeder aan het front in de Eerste Wereldoorlog, over zijn relaties in Londen en Parijs, zijn reizen door Azië en Afrika – met als gevolg dat hij het idee had dat hij vastzat in zichzelf. Zijn ervaringen waren ‘op’, vreesde hij, uitgeput.
‘I’ve got to go to Spain’, schreef hij zijn redacteur. Daar was de burgeroorlog uitgebroken, daar lagen nieuwe ervaringen. Nu was Hemingway notoir apolitiek. Hij vond politici in de Verenigde Staten cynisch en corrupt, en liep, anders dan veel andere schrijvers, niet warm voor het socialisme. Schrijvers diende geen klassen te erkennen, vond hij: ‘elke klasse is het terrein van de schrijver’.
Maar toen kwam dus Matha Gellhorn binnenlopen. Zij geloofde wel in politiek; hoewel ze nog geen 30 was, had ze in de VS veelbesproken reportages geschreven over armoede, en over hoe de verheffingsprojecten van Roosevelts New Deal het sociale landschap veranderden.
Ze was slim, grappig, ambitieus, ze netwerkte behendig, ze was politiek geëngageerd, en ze wilde naar Spanje. Ze zag het als het grote journalistieke en politieke verhaal van dat moment. Hoe kon Hemingway achterblijven?
De vraag is: was het toeval dat Gellhorn dat café binnenliep?
Hemingways meest recente biograaf, Mary V. Dearborn, schrijft dat Gellhorn vaak zei dat hun ontmoeting een toevalstreffer was, maar dat ze tegen minstens één vriendin had gezegd dat ze Hemingway ‘zou krijgen’.
Een familievriend van Hemingway noteerde in zijn dagboek dat hij juffrouw Gellhorn ‘een schaamteloze aanval op Ernests huwelijk zag openen’. Die aanval werd geconsumeerd in Madrid, dat nog een republikeins eilandje was, steeds verder omsingeld door de fascistische golven van generaal Franco’s troepen. Ze verbleven in hetzelfde hotel.
In Geert Maks voorwoord bij het recent heruitgegeven Het gezicht van de oorlog, de mooiste oorlogsreportages van Gellhorn, schrijft Mak plomp: ‘Een relatie was voor haar, met een enkele uitzondering, vooral een middel tot een – meestal journalistiek – doel.’
Gellhorns biograaf Caroline Moorhead schreef dat toen ze met elkaar naar bed gingen, ze niet verliefd was, ‘ze vond hem niet fysiek aantrekkelijk, maar ze bewonderde hem’. Bovendien was het handig om ‘als enige blondine in het land’ bij iemand te horen.
En Alicja Gescinska schrijft ondertussen, bijna ontroerend goedaardig: ‘Hemingway raakte steeds meer onder de indruk van Gellhorns moed. (…) Deze geest van verbondenheid bracht ook hun lichamen dichter bij elkaar. Aldus werden ze minnaars.’
Nou, vermoedelijk speelde dat blonde haar en haar lange benen in die korte broek die ze droeg toen ze Sloppy Joe’s binnenliep, ook een rol.
Maakt het uit of Gellhorn achter Hemingway aan ging, of niet? Tot op zekere hoogte. Het draait om de vraag: is Gellhorn in deze mislukte relatie slechts het lijdend voorwerp, of kiest ze zelf haar bestemming?
Wedstrijdje: wie schreef er het best over de Spaanse burgeroorlog?
Dat lijkt een triviale manier om literatuur te behandelen, maar daar staat tegenover dat Hemingway en Gellhorn gaandeweg hun korte huwelijk hun carrières steeds meer in termen van concurrentie zagen. Wie kreeg de meeste toegang, wie kreeg de grootste headlines, wie naderde het front het dichtst. Ze beconcurreerden elkaar het bed uit.
Hemingway publiceerde in 1940 For Whom the Bells Toll, Voor wie de klok luidt, onlangs nog opnieuw uitgegeven in de fraaie L.J. Veen Klassiek-reeks.
De hoofdpersoon is de Amerikaan Robert Jordan, die vrijwillig meevecht aan de kant de Spaanse republikeinen, tegen de fascisten van Franco. Hij, een docent Spaans uit Montana, is ook explosievenexpert, en hij raakt betrokken bij een missie om achter de vijandelijke linies een spoorbrug op te blazen. Ondertussen is hij verliefd op Maria (‘Kom, konijntje’), een strijdster wier ouders zijn vermoord en die zelf is verkracht door de fascisten.
Het is een curieuze roman – een actieroman, buitengewoon spannend en filmisch. Hemingways stijl is koel als altijd. In verheven, gevoelig proza beschrijft hij de Spaanse bossen en rivieren en volgt hij de lange gesprekken over familie, oorlog en de dood (‘Ik zag de dood daar zo duidelijk alsof hij op zijn schouders zat.’)
In die stijl krijgt elk gesprek en elke handeling een hogere waardigheid. Dat maakt het curieus. Hemingway sorteert zijn helden richting hun dood, en die lijken ze maar al te graag, al te nobel te omarmen. Alsof ze niet kunnen wachten zichzelf op te offeren. Je krijgt het gevoel dat Hemingway de burgeroorlog romantischer beschrijft dan dat de Spanjaarden hem in alle waarschijnlijkheid meemaakten.
Dit verschilt dag en nacht met Gellhorns Het gezicht van de oorlog (1959). Hier geen heldendom, maar lange scènes waarin de vrouwen in het belegerde Madrid in de rij staan om eten te kopen. ‘Een granaat slaat in op het plein. Ze draaien hun hoofd om en kijken, schuiven wat meer naar de huizenkant, maar geen van allen verlaat de rij. Ze staan daar tenslotte al drie uur te wachten en de kinderen verwachten dat er thuis eten op tafel komt.’
Een bom slaat in, een kind wordt geraakt, op de moeder na blijven de vrouwen staan.
Verderop, bij een kapotgebombardeerde straat, pakt een oude vrouw Gellhorn beet. ‘Ze zei, heel zacht, alsof ze me een geheim vertelde: ‘Moet u dat zien, ziet u, dat is mijn huis, daar woon ik, daar, wat u daar ziet.’ Ze keek me aan met grote, onzekere ogen, alsof ze bang was dat ik het zou ontkennen. Ik wist niet wat ik moest zeggen. ‘Ik kan het niet begrijpen’, zei ze langzaam, in de hoop dat ik het wel zou begrijpen en het haar kon uitleggen.’
Dit lijkt zo te kloppen. Het onbegrip van de oude vrouw, want zulk geweld valt niet te begrijpen. En het onverstoorbare van de vrouwen in de rij, want het leven gaat nu eenmaal door. Het zijn nooit symbolische verhalen, nooit reportages met een duidelijk moraal of nobele helden.
Gellhorn wint.
Verderop in de bundel staan nog meer prachtige reportages, vanaf de D-Day invasievloot; vanuit Nijmegen in oktober 1944, waar Nederlanders het glas opvegen na weer een bombardement; uit het westen van Duitsland in april 1945, waar iedereen ontkent nazi te zijn; uit Dachau, in mei 1945, waar ze het gruwelijkste van de mensheid ziet.
Over Dachau schreef ze later dat het was alsof ze in een ravijn was gevallen en een levenslange hersenschudding had opgelopen.
Nog een wedstrijdje: wie kwam er het best uit de oorlog?
Het is geen juichend antwoord. Waarschijnlijk waren ze allebei de verliezer, allebei op een volkomen eigen manier. Juist dat eigene laat zien hoe vruchteloos het is in deze tijd van cultuurstrijd en genderdenken om individuen louter als archetypen te benaderen.
Je ziet dat misgaan bij Gescinska. Gellhorn is eerst het slachtoffer van Hemingway, daarna van de hele mannenmaatschappij. ‘Hoewel ze het vuur nog in zich droeg’, schrijft Gescinska, ‘onderging ze het lot van talloze vrouwelijke intellectuelen in hun oude dagen; vrouwen op leeftijd worden onzichtbaar.’
Hier zie je het manco op het moment dat je Gellhorn niet meer als individu wil zien, maar louter als een feministisch icoon, en dus, blijkbaar, als een feministische martelares. Je ontkent met zo’n frame haar uniciteit. Want Gellhorn was niet een van ‘talloze vrouwelijke intellectuelen’, ze was uniek. Als haar doorbraak in haar jongere jaren het resultaat was van haar onbevreesde persoonlijkheid, dan was het langzaamaan doven van haar ster dat ook.
Zo sloot ze in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld bepaald niet aan bij de tweede generatie feministen; het persoonlijke was bij haar liever niet politiek. In kringen van links-progressieve journalisten maakte ze zich ondertussen niet populair met haar blinde loyaliteit aan Israël. Telkens wanneer Israël een nieuw stuk grondgebied illegaal annexeerde, of een bom op een Palestijns ziekenhuis gooide, speelde zij de rol van de Israël-apologeet.
Het was ongetwijfeld, dachten vrienden, de nawerking van haar oorlogsjaren. Ze vond Israëlisch expansionisme noodzakelijk, om een nieuw Dachau te voorkomen. Maar ze ging er compromisloos ver in. Over opgedreven Palestijnen in tentenkampen schrijft ze vijandig. Ze begon te spreken over ‘een Duizendjarig Islamitisch reich’, en schreef dat ‘de echo van Hitlers stem weer te horen is, en nu spreekt hij Arabisch’.
Gescinska noemt in een enkel bijzinnetje de ‘moreel bedenkelijke uitspraken’ over Palestijnen, maar concludeert: ‘Ook als ze fout zat, had ze het goede voor ogen.’ Ik weet niet of dat je de mantel der liefde moet noemen, of feministische oogkleppen. Maar met zo’n dooddoener neem je iemands denken niet heel serieus.
Zoals Gellhorn geen sjabloon-slachtoffer is, zo is Hemingway geen sjabloon-dader.
Claire Dederer hanteert hem in Monsters als een archetype, maar Hemingway was geen archetype, al was het maar omdat hij op geen manier reproduceerbaar is gebleken.
Hele generaties schrijvers (m/v/x) werden door zijn stijl beïnvloed, maar geen werd zo beroemd, of zo veel gelezen als hij. Bovendien maakte geen schrijver mee wat hij meemaakte. Hij was een opschepperige macho, maar hij schreef óók die baanbrekende romans, hij vocht óók mee aan het front in twee wereldoorlogen, hij kende staatshoofden en filmsterren. Zijn ervaringen waren niet nep.
Hij was ook – en ook daarom wringt het dat hij tot monster wordt gebombardeerd – intens treurig.
Wat hij na de oorlog op papier kreeg was een parodie van zichzelf, zoals hij ook in de omgang een parodie werd. Alsof hij verlamd raakte door zijn eigen beroemdheid, alsof hij alleen nog naar zichzelf kon kijken door de ogen van anderen.
Zijn thuis in Cuba verloor hij aan Castro, hij verraadde zijn oude vrienden door minzame anekdotes over ze te verzinnen. Zijn machomannenlichaam, waarmee hij zichzelf in sport en jacht telkens wilde bewijzen, was gebroken, door auto- en vliegtuigongelukken.
Seksueel, schrijft biografe Mary V. Dearborn, raakte hij in zijn laatste huwelijk steeds meer geïnteresseerd in genderomkeringen: in de postuum verschenen roman The Garden of Eden schrijft hij over een man die zich avond aan avond laat penetreren door zijn vrouw – naar alle waarschijnlijkheid uit eigen leven geput.
Nog een keer vlamde zijn ster op, toen hij in 1952 De oude man en de zee schreef, onlangs opnieuw (en heel goed) vertaald door Peter Bergsma.
Het is een verhaal van bijbelse allure; Santiago, een oude visser die al 84 dagen geen grote vis meer heeft gevangen, gaat de zee op. Hij heeft geduld, hij geeft niet op. En dan heeft hij beet, en weet Santiago dat hij de marlijn pas kan binnenhalen als die uitgeput is.
‘Vis’, zei hij zacht, hardop, ‘ik blijf bij je tot ik dood ben.’
Maar de vis trekt hem verder en verder de zee op. De marlijn is gigantisch, groter dan Santiago’s boot. ‘Het is een reusachtige vis en ik moet hem overtuigen, dacht hij. Hij mag in geen geval merken hoe sterk hij is of waartoe hij in staat is als hij aan de haal gaat. Als ik hem was, zou ik nu alles op alles zetten en net zolang doorgaan tot er iets knapte. Maar ze zijn godzijdank niet zo intelligent als wij, degenen die ze doden, al zijn ze wel edeler en bekwamer.’
Hij heeft honger, dorst, is uitgeput, heeft bijna een delirium, maar uiteindelijk weet hij de marlijn te harpoeneren. Maar onderweg terug vreten haaien het karkas aan. Met weinig meer dan het skelet vaart hij de haven in, waar hij doodmoe in slaap valt, terwijl collegavissers zich betreuren over zijn lot.
Het boek won de Pulitzerprijs, en werd gezien als de reden dat Hemingway in 1954 de Nobelprijs voor Literatuur won.
De veelgeprezen Amerikaanse cultuurcriticus Mark Greif plaatste De oude man en de zee centraal in zijn interessante proefschrift The Age of the Crisis of Man (2015): na de vernietiging van de Tweede Wereldoorlog, en in de beklemmende tijd van de Koude Oorlog, bogen schrijvers en kunstenaar zich over het thema De Mens, als universele kracht, als individu blootgesteld aan de krachten die hem zijn vrijheid willen ontnemen.
Toen William Faulkner in 1949 de Nobelprijs won, zei hij bij de prijsuitreiking dat hij geloofde dat de mens onsterfelijk is, ‘niet omdat hij een onuitputtelijke stem heeft, maar omdat hij een ziel heeft, een geest die in staat is tot compassie en opoffering en volharding.’
Hierin school de taak van de schrijver: ‘De stem van de dichter’, zei Faulkner, ‘moet niet dienen om slechts verslag doen van de mensheid, hij moet een van de steunpilaren zijn om de mens te helpen volharden en te laten zegevieren.’
Er is ‘buitengewoon verleidelijk bewijs’, schreef Greif, dat Hemingway door Faulkners speech over De oude man en de zee ging nadenken. Hemingways Santiago lijdt in eenzaamheid, maar geeft nooit op. Hij is de papieren incarnatie van de menselijke ziel.
Het verhaal eindigt ongelukkig.
Gellhorn hield het het langst uit. Gaandeweg de eeuw ging haar gezondheid achteruit, de beroemde reportageschrijfster kon steeds lastiger reizen. Ze stierf nagenoeg blind, bijna 90, in 1998, waarschijnlijk doordat ze een cyanidepil slikte.
Hemingway was toen allang dood. In De oude man en de zee beschreef hij een menselijk ideaal van niet opgeven, maar hem werd het teveel. Op 2 juli 1961, een paar weken voor zijn 62ste verjaardag, schoot hij zichzelf dood. ‘Met zijn favoriete jachtgeweer’, schreef elke krant nadien. Want dat klonk toch passend stoer.
Martha Gellhorn: Het gezicht van de oorlog, 1937–1946. Uit het Engels vertaald door Kees Helsloot en Leo Huisman, met een voorwoord van Geert Mak. Atlas Contact; 302 pagina’s; € 23,99.
Alicja Gescinska: Vrouwen in duistere tijden – Tien denkers van blijvende betekenis. De Bezige Bij; 430 pagina’s; € 29,99.
Ernest Hemingway: De oude man en de zee. Uit het Engels vertaald door Peter Bergsma. L.J. Veen; 160 pagina’s; € 19,99.
Ernest Hemingway: Voor wie de klok luidt. Uit het Engels vertaald door J. van Dietsch, met een voorwoord van Jan van Mersbergen. L.J. Veen; 576 pagina’s; €20.
In april verschijnt bij L.J. Veen een nieuwe uitgave van Hemingways En de zon gaat op.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant