Home

Filmmaker Julie Ng: ‘Als kind wist ik: mensen vinden ons raar. Ons eten is raar. Het restaurant is raar’

Chin. Ind. Rest. Julie Ng groeide op in het Chinees-Indische restaurant van haar ouders. Door de documentaire die ze daarover maakte kwam ze nader tot haar vader. „Toen hij de telefoon opnam zei hij: ‘Hallo!’ Alsof hij heel blij was om van mij te horen.”

Julie Ng staat op van tafel en gaat achter haar aanrecht staan. „Je moet je voorstellen: er was een lange toonbank, en hieronder” – ze wijst naar de keukenkastjes – „was een inham, een soort nisje. Daar legde mijn moeder wat kussentjes en een dekentje in, en we hadden een hele grote doek, met een 7-Up-logo erop, die gebruikte ze als gordijn. Wij gingen daar slapen, mijn broer en ik, terwijl mijn moeder de bestellingen opnam.”

Julie Ng (46) groeide op in het restaurant van haar ouders, Chinees-Indisch Restaurant Lotus in Sint-Oedenrode in Brabant. Haar vader en moeder waren in 1975 uit Hongkong naar Nederland gekomen, en werkten zeven dagen per week in hun zaak. Als het werk klaar was, om tien, elf uur ’s avonds, reden ze naar huis. Omdat de juf had gezegd dat Julie steeds in slaap viel in de klas, had haar moeder dat slaapplekje ingericht. „De klanten mochten ons niet zien, want ja, kinderen horen allang in bed te liggen.”

Klasgenootjes kwamen nooit langs, dat wilde Julie niet hebben. Toen er toch een keer een meisje binnenliep, toen Julie met haar ouders en broer aan het lunchen was, riep ze meteen: ‘Het stinkt hier.’ „Als kind wist ik: mensen zien ons als anders. Wij zijn raar. Ons eten is raar. Het restaurant is raar.” Dat eten was er in twee soorten: eten voor de klanten, en eten voor henzelf. Aan de lopende band zag Julie borden met babi pangang voorbijkomen, gefrituurd varkensvlees overgoten met zoetzure saus, de mensen waren er gek op. Maar haar vader zei: dat is niet lekker. Het gezin at echt Chinees eten. Geroerbakte groenten, kippenvleugels in oestersaus of gestoomde mosterdkool met buikspek.

Toen ze allang het huis uit was vroeg Julie zich af: waar komt de babi pangang, dat in China in deze vorm niet bestaat, eigenlijk precies vandaan? Ze maakte er de documentaire Meer dan babi pangang over, waarin ze haar zoektocht vervlecht met de geschiedenis van de Chinezen in Nederland en de sluiting van het restaurant van haar vader in Rozenburg, in Zuid-Holland. Dat had hij geopend nadat hij en haar moeder waren gescheiden en hun restaurant in Sint-Oedenrode verkocht was. Tijdens de draaiperiode werd de Chinees-Indische restaurantcultuur officieel immaterieel erfgoed, door de inzet van Julie en de producenten van haar film, In-Soo Radstake en San Fu Maltha. Meer dan babi pangang draait vanaf 19 februari in de bioscoop.

Je treedt uit jezelf niet snel op de voorgrond, vertelde In-Soo Radstake aan de telefoon. Je bent overgehaald om de film persoonlijk te maken. Hoe ging dat?

„Ja, ik wilde buiten beeld blijven. Het voelde anders alsof ik de vuile was buiten zou hangen. Maar als je het persoonlijk maakt, komt het dichterbij. En het mooie is dat Chinese Nederlanders die de film gezien hebben tegen mij zeggen: dit verhaal is zo herkenbaar, je was zeker niet de enige. Terwijl het wel heel alleen voelde – mijn ouders hadden nooit tijd, we gingen nooit op vakantie, we deden geen leuke dingen in het weekend. Als het spitsuur in het restaurant begon, rond vijf uur, moesten mijn broer en ik zorgen dat we uit het zicht waren. Het restaurant was tegenover de school, dus dan gingen we op een muurtje op het plein zitten wachten.”

Eigenlijk wilde Julie een korte, grappige documentaire maken. Maar dat was voordat ze de geschiedenis kende. Toen ze zich daarin verdiepte, schrok ze van wat ze las. De eerste Chinezen die naar Nederland kwamen, vanwege een staking in de Rotterdamse haven in 1911, werden vijandig ontvangen. Ze waren ‘stakingsbrekers’ en heetten ‘het gele gevaar’. In de jaren dertig, crisistijd, besloot de Nederlandse overheid dat de Chinezen ‘overtollig’ waren. Er kwamen razzia’s en Chinezen werden gedeporteerd. In 1939 stelde de Rotterdamse politie vast dat de stad geen ‘Chinees probleem’ meer had. Van de ongeveer 2.500 Chinezen die naar Nederland waren gekomen, was toen nog maar een klein deel over, concludeerde onderzoeker H.J.J. Wubben in 1986.

„Néderlandse rederijen hadden de Chinezen hierheen gehaald, hè”, zegt Julie. „Het raakte me diep. Maar ik dacht ook: dit verklaart wel de micro-agressie naar ons die zo zit ingebakken.” Ook zij kreeg al van jongs af aan van die terloopse, vervelende opmerkingen te horen. ‘Wat spreek jij goed Nederlands, zeg.’

Bedoel je dat dat historisch zo is gegroeid?

„Ja, ik denk het. Die Chinese zeelieden zijn ook nooit in opstand gekomen, ze hadden het veel te druk met overleven. Ik vond het bijna schandalig dat zo weinig mensen deze geschiedenis kennen. Je leert er niks over op school. Dus toen dacht ik: dit moet ik vertellen, het kan geen korte grappige documentaire worden.”

Het restaurant van je vader is een keer met witte verf beklad. ‘Sambal el bij’, stond erop. Hoe was dat voor jou?

„Dat was in Rozenburg, toen woonde ik bij mijn moeder. Ik wist helemaal niet dat dat gebeurd was. Ik kwam de foto tegen in een fotoalbum. Ik vroeg: wat is dit nou weer? Hij zei: ik werd op een dag wakker en toen was dat gebeurd.”

Je vader speelt een hoofdrol in de documentaire. Wat vond hij ervan?

„Dat vond ik heel spannend. Ik had hem nooit echt expliciet gevraagd of ik wel mocht filmen, ik ben gewoon naar hem toe gegaan. Die dag, ben je er dan? Oké, dan kom ik ook. Hij zag de film voor het eerst tijdens de première, afgelopen najaar bij het Nederlands Film Festival. Hij was ergens helemaal bovenin gaan zitten, dus ik kon hem niet zien. Maar toen hij de zaal uitkwam zag ik tranen in zijn ogen. Ik vroeg: wat vond je ervan? Maar hij kon niks zeggen. Hij gaf me een klopje op mijn schouder en dat was het. En dat zei genoeg.”

Haar vader, zegt Julie, is „een man van weinig woorden”. Later heeft hij nog tegen haar gezegd dat de film ‘prima’ was. Dat is positief, zegt ze. „Ik heb nu geleerd om hem een beetje te lezen. Hij zou nooit zeggen: ik vind het heel goed.” Als hij het niet goed vond, zegt ze, „had hij alleen een lange stilte laten vallen”.

Aan het einde van de film vraagt Julie haar vader of hij weet dat zij en haar broer in Sint-Oedenrode gediscrimineerd werden. Ze zitten samen noedelsoep te eten bij hem thuis in de keuken, ze praten Chinees. Nee dat wist hij niet, zegt haar vader. „Laat het van je afglijden.”

„Als kind weet je niet hoe je dat van je af moet laten glijden”, zegt Julie tegen hem. „Dan wil je dat je ouders voor je opkomen. Maar jullie waren alleen maar druk met werken.” Ze veegt haar tranen weg.

Later in het gesprek zegt ze tegen hem dat ze nu pas begrijpt hoeveel haar ouders hebben opgeofferd. En dat ze nu trots is, dat ze een restaurant hadden. Haar vader knippert met zijn ogen. „Van alle kinderen”, zegt hij, „ben jij mijn favoriet”. Na de scheiding had hij met zijn nieuwe vrouw nog twee kinderen gekregen.

Dit was nog nooit gebeurd, zegt Julie over dit gesprek met haar vader. Dat zij zo eerlijk tegen hem was. Dat hij liet zien dat het hem ook raakte. En dat hij zich zo liefdevol uitsprak. Een beetje onhandig misschien – haar broer en halfbroertje en -zusje namen het gelukkig niet letterlijk. Maar toch. „Het heeft me enorm geraakt om hem zo te zien. En het gekke is: sindsdien gaan we anders met elkaar om. Zijn toon is anders. Minder staccato, veel warmer. Na de première belde ik hem op, toen zei hij: ‘Hallo!’ Alsof hij heel blij was om van mij te horen.”

Hoe denk je dat dat komt?

„Dit gesprek was voor mij een soort closure voor die wrok die ik bij me droeg. Toen we die scène opnamen, hadden we een Chinees sprekende geluidsman, en hij zei achteraf: dit is het gesprek waar wij allemaal op wachten.”

Waarom ben je nu trots dat je ouders een restaurant hadden?

„Het maken van de film heeft mij een ander perspectief laten zien. Ik had er nooit bij stilgestaan dat zij pas begin twintig waren toen ze naar een land gingen waarvan ze de taal niet spraken, de cultuur niet kenden – zie daar maar te overleven. Toch hebben ze een restaurant weten te openen. En dan kregen ze ook nog bakken aan racistische opmerkingen over zich heen, ook van betalende klanten. En ze konden er niks van zeggen omdat ze de taal niet goed beheersten, maar óók omdat het betalende klanten waren. En dan hadden ze ook nog eens kinderen om voor te zorgen. Ik heb het leven wat ik nu heb door hén.”

Wat zeiden die betalende klanten?

„‘Sambal bij’, ‘kloepoek’ – dat is micro-agressie, maar dat schaar ik wel onder racisme. Ik vind het zo onbeschoft dat iemand voor je neus jouw eten maakt, jou dat eten geeft, en dat je díé dan belachelijk gaat maken. Ik denk dat mijn vader het van zich af kon laten glijden. Maar dat mijn moeder zoiets had van: wat is dit nou weer? Zij was altijd heel leergierig en wilde doorstuderen. Ze had niet verwacht dat het leven in het restaurant zo zwaar zou zijn. Maar het was het enige werk wat ze kon doen, omdat ze geen Nederlands sprak. Als ik terugdenk aan haar gezichtsuitdrukking, was die altijd een beetje bedrukt. Na de scheiding kreeg ze een baan bij een Nederlandse werkgever, maakte vrienden. Later heeft ze nog international management gestudeerd en is ze in Amsterdam bij een Taiwanese bank gaan werken. Ze werd heel anders – meer zichzelf. Sinds 2002 woont ze weer in Hongkong.”

In de film word je op straat nageroepen door een groepje jongeren op de fiets. ‘Kutchinees’, zeggen ze. Hoe vaak gebeurt zoiets?

„Zo nu en dan. Ik heb mezelf aangeleerd om meteen terug te schelden.”

Wat zeg je dan?

„Net wat er in me opkomt.” Ineens fel: „‘Je moet je bek houden!’ Dat heb ik mezelf echt moeten aanleren. Actie, reactie. Omdat het me in het verleden zoveel pijn heeft gedaan, en omdat ik niet wist wat ik aan moest met de woede die ik voelde. Vroeger wilde ik koste wat kost niet Chinees zijn. Ik wilde heel lang niks weten over de cultuur, de geschiedenis. Ik dacht: hoe minder ik weet, hoe minder Chinees ik ben.”

En nu?

„Ik voel me een Nederlander met Chinese roots. En ik voel me thuis in Amsterdam. Behalve tijdens corona. Toen kreeg ik op straat echt nare opmerkingen, alsof ik verantwoordelijk was. Mijn partner is wit, en het klinkt een beetje naar, maar ik gebruikte haar als mijn witte schild. Dus als ik boodschappen ging doen, sleepte ik haar mee. Anders durfde ik niet. Gelukkig zijn toen veel organisaties, zoals Pan Asian Collective en Asian Raisins, opgestaan tegen anti-Aziatisch racisme. Dat heeft geholpen. Het feit dat mensen worden aangesproken op racisme, ook publiekelijk, is vooruitgang.”

Je zegt dat je nog nooit babi pangang hebt gegeten. Echt geen hap?

„Nee.” Ze lacht. „Het is een principekwestie geworden. Maar ik ben wel anders over het gerecht gaan denken. Je zou kunnen zeggen dat het symbool staat voor het aanpassingsvermogen van de Chinese gemeenschap. Voor de overlevingsdrang, eigenlijk. De basis komt wel uit de Chinese eetcultuur: geroosterd varken. Maar hoe kan je dat kostenefficiënt maken voor een restaurant? Door een goedkoper stuk vlees te nemen: varkensnek in plaats van buikspek. En door het te koken en frituren in plaats van te roosteren in de oven, want dat duurt veel langer. De saus pasten ze ook aan.” De eerste babi pangang werd in de jaren vijftig geserveerd met zwartebonensaus, maar daar hielden Nederlanders niet van, dus dat werd zoetzure saus.

„De Chinese babi pangang, met geroosterd buikspek zonder saus, vind ik heel lekker. Het is wel veel werk. En je moet het zwoerd er aan laten, zodat het echt heel knapperig wordt. Ik hou heel erg van koken, maar vroeger maakte ik dit nooit. Nu vind ik Chinees eten fantastisch.”

CV

Julie Ng ( Woerden, 1979) groeide op in Sint-Oedenrode, in het restaurant van haar ouders. Na hun scheiding gingen zij en haar broer bij haar moeder wonen. Haar vader opende een restaurant in Rozenburg in Zuid-Holland, waar Julie als tiener weleens werkte.

De documentaire Meer dan babi pangang is haar eerste film. In 2018 richtte ze samen met In-Soo Radstake en San Fu Maltha, de producenten van haar film, een stichting op met dezelfde naam om creatief werk van de Aziatische gemeenschap in Nederland te stimuleren. In 2017 bracht ze met Maria Lam het kookboek Maancake & Jasmijn. 100 geheime recepten van Chinese moeders uit.

Julie Ng – haar naam spreek je in het Nederlands uit als ‘en-gee’ en in het Kantonees als ‘hm’ – studeerde international management en werkte in de marketing bij diverse filmproductiemaatschappijen, waaronder Warner Bros. Sinds 2022 werkt ze bij Waag Futurelab, een culturele onderzoeksinstelling in Amsterdam, gericht op de gevolgen van technologie in de samenleving. Ze woont met haar vriendin in Amsterdam.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next